Tijdens de vroegste levensfasen, met namen de fase van symbiotische eenheid worden anderen in de
buitenwereld als een uitbreiding van het zelf beleefd en narcistisch benut; ze worden als zelfobjecten
geïntrojecteerd.
In de ontwikkelingspsychologie spreken we van een symbiose als de persoon in emotioneel
opzicht niet in staat is om zelfstandig te functioneren. De separatie (losmaking van de moeder) is niet 'af'.
Daardoor is de ik-ontwikkeling onvoldoende tot stand gekomen.
Met de opbouw en stabilisering van een gezond (reactief) zelf kan het kind
steeds beter een onderscheid maken tussen zichzelf en anderen, maar wordt het tegelijkertijd geconfronteerd
met de grenzen van zijn illusoire almacht; zo begint het te onderkennen dat moeder in plaats van onder zijn
magische controle, autonoom en gescheiden van hem functioneert.
Als afweer tegen de onvermijdelijke ervaring van het verlies van de oorspronkelijke eenheid en de
grenzen die door de realiteit worden gesteld, projecteert het kind de vroegere volmaaktheid op
zichzelf en ontwikkelt het een grandioos, exhibitionistisch zelfbeeld ofwel Grössen-Selbst.
Ook kan het de vroegere volmaaktheid projecteren op een bewonderd, almacht ander: het geïdealiseerde
ouderimago. Vanwege de nauwe relatie tussen de ander en zelfbeelden tijdens de vroege individuatiefases, correspondeert
de idealisering van het zelf veelal met de idealisering van anderen. Gevoelens en voorstellingen van
grandiositeit en omnipotentie hebben dus hun oorsprong in vroegere ervaringen met en voorstellingen van
zelf-ander-eenheid. De idealisering van de ouders komt dus in wezen voort uit de afhankelijkheid van het kind.
In een gezonde ontwikkeling zijn met de consolidatie van het reactieve zelf, zelfobjecten minder nodig en
neemt de scheidingsangst af. Het kind kan duidelijker de grenzen tussen zichzelf en anderen onderscheiden;
het kan ze realistischer inschatten en duidelijker de kwaliteit én onvolkomenheden van de ouders
her- en erkennen. Een realistischer aanvaarding van de ander alsook van de eigen persoon wordt dan mogelijk.
Grandioos geïdealiseerde zelfbeelden worden stapsgewijs vervangen door realistischer zelfbeelden
en het Grössen-Selbst kan worden omgevormd tot een consistent gevoel van eigenwaarde.
Op latere leeftijd blijkt het Grössen-Selbst als compensatiemechanisme opnieuw in werking te kunnen treden. Zowel
fantasieën die belevingspatronen uit de vroege kindertijd volgen. Ze kunnen fungeren als afweer
tegen scheidings- of verlatingsangsten of tegen een zwak zelfgevoel.
Ze kunnen daarom als narcistische fantasieën worden aangemerkt.