Logo CCGT
  • Home
  • Therapieën
  • Relevante websites
  • Bronnen
  • Narcisme forums
  • Informatie
Foto CCGT



Omnipotentie en grootheidsfantasieën

CCGT

Tijdens de vroegste levensfasen, met namen de fase van symbiotische eenheid worden anderen in de buitenwereld als een uitbreiding van het zelf beleefd en narcistisch benut; ze worden als zelfobjecten geïntrojecteerd.
In de ontwikkelingspsychologie spreken we van een symbiose als de persoon in emotioneel opzicht niet in staat is om zelfstandig te functioneren. De separatie (losmaking van de moeder) is niet 'af'. Daardoor is de ik-ontwikkeling onvoldoende tot stand gekomen.

Met de opbouw en stabilisering van een gezond (reactief) zelf kan het kind steeds beter een onderscheid maken tussen zichzelf en anderen, maar wordt het tegelijkertijd geconfronteerd met de grenzen van zijn illusoire almacht; zo begint het te onderkennen dat moeder in plaats van onder zijn magische controle, autonoom en gescheiden van hem functioneert.

Als afweer tegen de onvermijdelijke ervaring van het verlies van de oorspronkelijke eenheid en de grenzen die door de realiteit worden gesteld, projecteert het kind de vroegere volmaaktheid op zichzelf en ontwikkelt het een grandioos, exhibitionistisch zelfbeeld ofwel Grössen-Selbst.

Ook kan het de vroegere volmaaktheid projecteren op een bewonderd, almacht ander: het geïdealiseerde ouderimago. Vanwege de nauwe relatie tussen de ander en zelfbeelden tijdens de vroege individuatiefases, correspondeert de idealisering van het zelf veelal met de idealisering van anderen. Gevoelens en voorstellingen van grandiositeit en omnipotentie hebben dus hun oorsprong in vroegere ervaringen met en voorstellingen van zelf-ander-eenheid. De idealisering van de ouders komt dus in wezen voort uit de afhankelijkheid van het kind.

In een gezonde ontwikkeling zijn met de consolidatie van het reactieve zelf, zelfobjecten minder nodig en neemt de scheidingsangst af. Het kind kan duidelijker de grenzen tussen zichzelf en anderen onderscheiden; het kan ze realistischer inschatten en duidelijker de kwaliteit én onvolkomenheden van de ouders her- en erkennen. Een realistischer aanvaarding van de ander alsook van de eigen persoon wordt dan mogelijk.

Grandioos geïdealiseerde zelfbeelden worden stapsgewijs vervangen door realistischer zelfbeelden en het Grössen-Selbst kan worden omgevormd tot een consistent gevoel van eigenwaarde.

Op latere leeftijd blijkt het Grössen-Selbst als compensatiemechanisme opnieuw in werking te kunnen treden. Zowel fantasieën die belevingspatronen uit de vroege kindertijd volgen. Ze kunnen fungeren als afweer tegen scheidings- of verlatingsangsten of tegen een zwak zelfgevoel. Ze kunnen daarom als narcistische fantasieën worden aangemerkt.

Copyright 2012 CCGT.    Webdesign:   Oogopslag Webcommunicatie.    Contact  CCGT.