Bestel het Psychologie Woordenboek
- 608 pagina’s met ruim 5000 woorden, termen en begrippen en meer dan 140 biografieën.
- Een must voor iedere student, therapeut, wetenschapper en arts.
- € 59,00
- Garant Uitgevers NV
De good-enough mother
Winnicott ziet een 'good enough' moeder als een sleutelrol voor aanpassing aan de baby, waardoor het kind controle ervaart,
'omnipotentie' en troost ervaart in contact te zijn met de moeder. Deze 'holding environment' stelt het jonge kind in staat
op zijn eigen manier meer autonomie van het zelf te ervaren.
"The good-enough mother...starts off with an almost complete adaptation to her infant's needs, and as time proceeds she
adapts less and less completely, gradually, according to the infant's growing ability to deal with her failure" (Winnicott, 1953)
De 'not good enough' moeder leidt tot een vals-zelf stoornis bij het kind.
"In the cases on which my work is based there has been what I call a true self hidden, protected by a false self.
This false self is no doubt an aspect of the true self. It hides and protects it, and it reacts to the adaptation failures
and develops a pattern corresponding to the pattern of environmental failure. In this way the true self is not involved in
the reacting, and so preserves a continuity of being." (Winnicott, 1955-6)
Winnicott ziet ook, de alle kleinste spiegeling en interactie tussen de moeder en het kind als essentieel voor de
ontwikkeling van het kinds zijn eigen innerlijk wereld. Na het beginstadium van hechting met de moeder ontstaat een illusie
van grootsheid (omnipotentie) en dit gaat over in de fase van 'relatieve afhankelijkheid', waarbij het kind zich de
afhankelijkheid bewust wordt en ook verlies ervaart. Doordat de moeder gedoseerd periodes inlast waarbij ze het kind alleen
laat, leert ze het kind een gezond gevoel van onafhankelijkheid te ervaren. Doordat de moeder zich niet aanpast bij elke behoefte
van het kind wordt ze geholpen zich aan te passen aan de realiteit van haar omgeving.
Winnicott onderscheidt essentiële aspecten bij de kindomgeving zoals: vasthouden (holding), aanraken (handling) en
moederspiegeling(object-presenting). De moeder kan het kind dus vasthouden, aanraken en als persoon spiegelen, hetzij door
haarzelf, met haar borst of door een ander persoon. De 'good-enough' moeder doet dit naar algemene tevredenheid van het kind.
Het doel en resultaat van het 'good-enough' moeder zijn is het kind het gevoel van verlies te leren ervaren in plaats van de
schok van het 'te laten vallen'. Hierdoor leert het kind beter te voorspellen wat verlies betekent en hier meer controle over te
krijgen. Hierdoor vindt de overgang in geleidelijke stappen plaats waarbij de moeder een belangrijke rol speelt naar de tussenfase
van verlies ervaren.
"The baby quickly learns to make a forecast: 'Just now it is safe to forget the mother's mood and to be spontaneous, but
any minute the mother's face will become fixed or her mood will dominate, and my own personal needs must then be withdrawn
otherwise my central self may suffer insult.'
Immediately beyond this in the direction of pathology is predictability, which is precarious, and which strains the baby
to the limits of his or her capacity to allow for events." (Winnicott, 1967)
De laatste ontwikkelingsfase naar onafhankelijkheid is nooit het absoluut ervaren van het alleen zijn van het kind, omdat
het nooit compleet alleen gelaten wordt. Ons gehele leven zijn we als mensen afhankelijk van anderen, zoeken gezelschap en
willen we ons verbonden voelen met anderen. De meeste van ons voelen zich eenzaam als we voor langere tijd geïsoleerd
zijn van anderen.
