Wat is cognitieve therapie? - vervolg
De laatste 25 jaar is de klinische psychologie sterk beïnvloed door de
ontwikkelingen en inzichten uit de cognitieve psychologie. Ten eerste zijn
er cognitieve theorieën geformuleerd waaruit onderzoekbare hypothesen over
de aard en oorsprong van psychopathologie zijn af te leiden. Tevens en niet
minder belangrijk, zijn er experimentele procedures beschikbaar gekomen die
het mogelijk maken psychopathologie te onderzoeken zonder terug te hoeven vallen
op introspectieve methoden. Vooral het onderzoek naar neurotische stoornissen heeft
door deze cognitieve psychologie een ander karakter gekregen. Ten derde hebben deze
ontwikkelingen geleid tot de cognitieve psychotherapie, een tegenwoordig veel
gebruikte en gedocumenteerd succesvolle therapievorm.
Cognitieve psychologie
Vanaf het eind van de jaren zestig onderkenden steeds meer psychologen dat de
hersenen informatie verwerken en niet slechts reageren op informatie. Dit resulteerde
in een nieuwe stroming: de cognitieve psychologie. De opkomst van de cognitieve
psychologie was gedeeltelijk een reactie op het behaviorisme. Volgens het behaviorisme
waren mentale processen niet toegankelijk voor empirische toetsing, en vielen daarom
buiten het domein van de empirische wetenschap. De cognitieve psychologie beoogde
juist wel theorieën over mentale processen te formuleren. In de onderzoeksmethoden
hebben de cognitivisten zich echter wel laten inspireren door de behavioristen.
Onderzoek naar mentale processen dient langs experimentele weg te gebeuren en mag
nooit volledig gebaseerd zijn op zelfwaarneming of introspectie.
In de cognitieve psychologie wordt de mens beschouwd als een informatieverwerkend
systeem. Hiermee wordt gedoeld op de processen die een rol spelen bij het verwerven,
de opslag en reproductie van kennis. De kennis waarover een persoon beschikt is
volgens de cognitief psychologen georganiseerd in schema's of associatieve netwerken.
Schema's worden gevormd op grond van de cognitieve verwerking van ervaringen en
hebben betrekking op een bepaald terrein.
Dat kennis is georganiseerd in generaliserende schema's biedt veel voordelen. Indien
dat namelijk niet het geval zou zijn, dan zou het geheugen vol zitten met losse
ervaringen en gedachten, zonder onderlinge verbanden, zonder organisatie.
Schema's dienen dus om informatie te selecteren, te reduceren en te interpreteren.
Een nadeel kan echter zijn dat eenmaal gevormde schema's een zekere weerstand
vertonen tegen verandering. Doordat schema's hun stempel drukken op de
informatieverwerking krijgt informatie die congruent is met reeds bestaande
schema meestal voorrang ten opzichte van informatie die incongruent is met
het bestaande schema. Dit resulteert soms in vertekeningen van de werkelijkheid
(Eng: bias), waardoor disfunctionele schema's kunnen ontstaan.
Becks schematheorie
In de jaren zestig publiceerde twee grondleggers van de cognitieve psychotherapie
hun eerste boeken met daarin een uitgesproken cognitief standpunt over neurotische
problematiek: Albert Ellis en Aäron Beck. Deze auteurs stelden dat neurotische
problemen zoals depressie of angststoornissen, worden veroorzaakt door onlogische,
irrationele ideeën die mensen aanhangen. Beck beschreef psychopathologie in
termen van disfunctionele schema's. Volgens Beck zijn emotionele stoornissen
hier het gevolg van en zorgen deze schema's tevens voor het in stand houden van de
klachten. Bij depressieve klachten zou het denken gepreoccupeerd zijn met verlies
en hopeloosheid. Bij manische stoornissen staan juist overoptimistische ideeën
over eigen waarde en voortdurende winstmogelijkheden op de voorgrond. Bij
angststoornissen zou er sprake zijn van gevaarschema's.
Samengevat beweert Beck dat disfunctionele
schema's ten grondslag liggen aan psychopathologie. Cognitieve therapie stelt als
doel om disfunctionele opvattingen en denkfouten op te sporen en te corrigeren.
Hieronder volgt een voorbeeld van een beschrijving voor een cliënt waarbij de
psychotherapeut gebruikt maakt van de door Ellis ontwikkelde ABC bij RET.

Bronnen: Cognitieve therapie: theorie en praktijk (S.M. Bögels e.a., 1999),
Klinische Psychologie (H. van der Molen e.a., 1997)
