Capita selecta - september 2009
Posts Tagged Autisme
Bron: Psychiatrie Nederland in Autisme op 26 mei 2009
Autismespectrum stoornissen vormen een groep ontwikkelingsstoornissen die wordt gekenmerkt door:
- een verminderd vermogen tot sociaal contact
- een verminderd vermogen tot communiceren
- een verminderd gebruik van de fantasie
- een star patroon van steeds terugkerende stereotype bezigheden.
Autismespectrum stoornissen zijn alle verwant aan de autistische stoornis, ook wel autisme genoemd. In het diagnostische classificatiesysteem
DSM-IV worden autisme-
spectrum stoornissen ondergebracht in de categorie pervasieve ontwikkelingsstoornissen. Deze stoornissen hebben zeer ingrijpende
(= pervasieve) gevolgen voor de ontwikkeling van jonge kinderen. Omdat ze zeer veel met elkaar gemeen hebben, worden ze in deze rubriek samen
beschreven, in onderling verband.
De term 'autismespectrum' verwijst naar een zeer heterogene groep personen bij wie de sociale en andere problemen verschillen in type en
ernst, met alle mogelijke soorten en combinaties van beperkingen. Enkele van deze combinaties zijn geëxpliciteerd in diag-
nostische
categorieën, andere hebben (nog) geen naam gekregen of zijn ondergebracht in de restcategorie pervasieve ontwikkelingsstoornis niet
anderszins omschreven (PDD-NOS)
Kwaliteit van leven van de patiënt
De kwaliteit van leven van een kind wordt ernstig aangetast door de autismespectrum stoornissen.
- Een kleine minderheid - vooral kinderen met PDD-NOS of het Syndroom van Asperger - is in staat een gewone schoolloopbaan te volgen,
en vervolgens betaald werk te vinden. De overigen komen terecht in het speciaal onderwijs en vervolgens in een beschermde werkomgeving
(zoals een sociale werkplaats).
- Slechts een minderheid van de volwassenen met de autistische stoornis is in staat een relatie op te bouwen, en bijvoorbeeld te trouwen.
- Vergeleken met kinderen met andere psychische stoornissen hebben kinderen met autismespectrum stoornissen een lagere kwaliteit van leven.
Problemen treden vooral op in het rolgedrag thuis en in het gedrag tegenover anderen.
Kwaliteit van leven van mensen in de omgeving
Een kind met autismespectrum stoornissen heeft enorme invloed op het gezinsleven. Op broertjes en zusjes, maar vooral op de ouders, heeft
het een grote emotionele impact.
Etiologie
Hoe autismespectrum stoornissen precies ontstaan, is niet bekend. Duidelijk is wel dat het gaat om erfelijke factoren die leiden tot een
afwijkende ontwikkeling van de hersenen. Deze afwijkende hersenontwikkeling leidt vervolgens weer tot cognitieve, sociale en gedragsproblemen.
Er zijn de afgelopen 20 jaar verschillende psychologische theorieën bedacht, om het gedrag van kinderen met autismespectrum
stoornissen beter te begrijpen. Er zijn op dit moment 3 theorieën toonaangevend:
- De theorie van het inlevingsvermogen (Theory of Mind; ToM)
- De executieve functietheorie
- De centrale coherentietheorie
Deze theorieën hebben geleid tot veel onderzoek en ook tot veel kennis over het ontstaan van autisme. Echter, geen van deze
theorieën biedt de volledige verklaring voor het ontstaan van autismespectrum stoornissen.
Diagnostiek en Signalen
Wanneer de screener een aanwijzing geeft voor een mogelijke stoornis, begint de eigenlijke diagnostiek. Die bestaat uit
meerdere onderdelen. De diagnose autismespectrum stoornissen wordt in de dagelijkse praktijk vastgesteld met behulp van een
gestructureerd diagnostisch gesprek met de ouders en het kind waarin de belangrijkste symptomen worden doorgenomen. In het
algemeen wordt gesteld dat voor de diagnostiek van autismespectrum stoornissen zowel medische als psychosociale deskundigheden vereist is.
Voor de anamnese van de klachten zijn in Nederland verschillende gestructureerde interviews en observatieschalen beschikbaar:
- Het semi-gestructureerde Autism Diagnostic Interview-R (ADI-R) is zowel redelijk betrouwbaar als valide voor het stellen
van diagnoses in het autismespectrum.De ADI-R is vooral specifiek.Voor de afname van het ADI-R is een specifieke training
vereist. Deze wordt verzorgd door de afdelingen kinder & jeugdpsychiatrie van de universiteiten in Utrecht en Groningen.
- Ook voor de afname van het Diagnostic Interview for Social and Communicative Disorders (DISCO) is een specifieke
training vereist bij de afdeling orthopedagogiek van de Universiteit Leiden. Afname door de behandelaar bij de ouders
duurt 2 tot 3 uur.
- De Autism Diagnostic Observation Scale (ADOS) is een observatieschaal voor kinderen met een ontwikkelingsleeftijd
van minimaal 3 jaar. De getrainde behandelaar vult de lijst in. Er is nog geen officiële Nederlandse vertaling, maar
de lijst wordt internationaal veel in onderzoek gebruikt. De lijst is valide, en met name sensitief. Voor kinderen met
een verstandelijke handicap wordt aangeraden dit instrument te combineren met de ADI-R.
- Om na te gaan in hoeverre het kind wat betreft de communicatie, de dagelijkse en sociale vaardigheden en de motoriek
afwijkt van leeftijdgenoten kan gebruik worden gemaakt van de Vineland Adaptive Behavior Scales (VABS). Voor de afname
van deze vragenlijst is een specifieke training vereist bij de afdeling orthopedagogiek van de Universiteit Leiden.
- Voor kinderen met een bijkomende verstandelijke handicap is de Vineland-Z ontwikkeld, en in Nederland gevalideerd.
Signalen/Symptomen
Ouders van autistische kinderen zijn doorgaans de eersten die constateren dat er iets met hun kind aan de hand
is. In de praktijk blijken ouders vrij goed in staat een afwijkende ontwikkeling van hun baby/peuter al rond het
2de levensjaar te herkennen.
De volgende signalen worden door consultatiebureauartsen standaard gebruikt als mogelijk aanwijzingen voor autisme:
- Het kind brabbelt niet na 12 maanden.
- Het kind gebaart (wijzen of dag-zwaaien) niet na 12 maanden.
- Het kind zegt geen losse woordjes na 16 maanden.
- Het kind maakt geen korte zinnetjes van 2 woorden na 2 jaar.
Deze signalen van een stagnerende verbale of nonverbale ontwikkeling kunnen wijzen op autisme, maar zijn onvoldoende
om een diagnose binnen het autismespectrum te kunnen stellen. Daarvoor is nader diagnostisch onderzoek nodig.
Andere vroege signalen die door ouders en verzorgers vaak worden genoemd zijn:
- Het kind maakt geen oogcontact; glimlacht niet of nauwelijks.
- Het speelt het liefst alleen; leeft in een eigen wereldje.
- Het kind reageert niet op zijn/haar naam; lijkt bij vlagen doof.
- Het is druk, star, weinig coöperatief; overgevoelig of juist volkomen ongevoelig voor geluids- of gevoelsprikkels.
- Het hecht zich aan ongebruikelijke voorwerpen; speelt niet echt met speelgoed, maar zet het bijvoorbeeld in een lange rij.
- Het kind vertoont vreemde, zich herhalende stereotiepe bewegingen; fladdert, loopt op de tenen.
Behandeling
Er is nog geen medicijn voor alle autismespectrum stoornissen. Omdat er geen goede theorie bestaat over de exacte
lichamelijke oorzaken, is tot nu toe vooral geëxperimenteerd met middelen die eigenlijk voor andere stoornissen
bedoeld waren.
Bij de middelen tegen autismespectrum stoornissen wordt een onderscheid gemaakt tussen antipsychotica, antidepressiva,
overige medicijnen, en voedingsvoorschriften. In de tabel Overzicht van de werkzaamheid van behandelingen bij
autismespectrum stoornissen zijn vrijwel alle onderzochte middelen weergegeven. Hieronder bespreken we alleen
de middelen waarvoor enig bewijs bestaat.
Antipsychotica
- Haloperidol (een klassiek antipsychoticum) leidt mogelijk tot een vermindering van de algemene symptomatologie
van autisme, vooral geïrriteerdheid en hyperactiviteit. Het middel heeft geen invloed op stereotiep gedrag, lethargie
of spraak. Vanwege de mogelijke bijwerkingen wordt haloperidol alleen voorgeschreven bij mensen met ernstige autistische
symptomen. De voorkeur gaat daarom uit naar een nieuwer middel, zoals Risperidone.
- Risperidone (een atypisch antipsychoticum) leidt mogelijk tot een vermindering van agressief gedrag, herhaalgedrag
en hyperactiviteit.
Antidepressiva
- Fluvoxamine (een modern antidepressivum) leidt mogelijk tot vermindering van repetitieve gedachten en gedrag, en
agressie. Mogelijk leidt het ook tot een verbetering van de spraak.
Psychologisch
Bij de bejegening van kinderen met een autismespectrum stoornis wordt een onderscheid gemaakt tussen opvoeding en behandeling:
- Opvoeden geschiedt door de ouders, eventueel begeleid door hulpverleners. Het accent ligt vooral op aanpassen
van het kind én de omgeving. De opvoeding vormt de basis voor een eventuele behandeling. Als deze basis niet goed
is, heeft behandeling geen zin.
- Bij behandeling ligt de regie bij een behandelaar met specifieke deskundigheid. Het accent ligt vooral op
verandering. De behandeling bouwt voort op de opvoeding.
Bron: 'Trimbos Instituut, Informatie voor professionals'