Capita selecta - september 2003
Is de RET wetenschappelijk te noemen?
Speciaal in verband met het feit dat de vader en pionier van de RET (Rationeel-Emotieve
Therapie) Albert Ellis deze maand 90 jaar wordt, leek het de CCGT-redactie een
goed idee om deze maand speciale aandacht aan de RET te besteden. Er is binnen de
psychologie en in het algemeen binnen de sociale wetenschappen altijd veel te doen
geweest over 'het wetenschappelijk zijn'. Het is om deze reden ook dat vakken als
methode en technieken, statistiek en het gebruik van betrouwbare en valide tests een
niet meer weg te denken (noodzakelijk objectiverend) onderdeel vormen bij onderzoek
in de sociale wetenschappen en bij de psychologie: 'het kennis op doen van
psychologische fenomenen bij mensen'. Zo worden parapsychologie en psychoanalyse steeds
meer om reden van bijvoorbeeld objectiveerbare toetsbaarheid (Karl Popper) steeds
meer als niet-wetenschappelijk gezien. In de psychotherapie gaat het dan
speciaal om oorzaken die bij mensen psychisch lijden veroorzaken voor de persoon of
zijn omgeving en hoe men deze het beste kan verlichten of verhelpen.
De vraag waar we hier mee starten zou dus kunnen zijn:
Voldoet RET als psychotherapie aan wetenschappelijke criteria?
Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten we eerst weten wat RET is en uiteraard
wat wetenschappelijke criteria zijn.
- Hier een overzicht:
- Inleiding RET
- RET - Toepassingen en doelgroepen
- Diversiteit aan toepassingsgebieden
- Cliëntenpopulatie
- RET - Beperkingen
- RET - Theorie en filosofie
- RET - Beïnvloeding van het denken
- Rationeel en irrationeel denken
- RET - Filosofie
- Filosofische uitgangspunten
- Kenmerken van de RET
Wetenschap en criteria - Wetenschap
- Wetenschappelijke criteria
- Stof tot nadenken
Rationeel-emotieve therapie
Inleiding RET
De geschiedenis van RET
De Amerikaanse psycholoog Albert Ellis, geboren in 1913 te Pittsburg, is de
grondlegger van de RET. Ellis heeft zich laten inspireren door de filosofische
werken van onder anderen Epictetus, Marcus Aurelius, John Dewey en Bertrand Russell.
Daarnaast was hij aanvankelijk vooral geïnteresseerd in seksualiteit en
liefdesrelaties (Ellis & Bernard, 1985; Schiller & Ellis, 1992). Vrienden kwamen
bij hem voor advies en toen ze hier baat bij bleken te hebben, besloot Ellis
seksuoloog te worden en ging psychologie studeren. Hij volgde de opleiding tot
psychoanalyticus, behaalde zijn doctoraat in 1947 en werkte tot 1953 met deze
methode. Ellis las werk van Adler, Horney, Frankl en anderen en kreeg steeds meer
problemen met de inefficiëntie van de psychoanalyse in de praktijk. Hij probeerde
nog enige tijd om de theorie te verwetenschappelijken, maar verliet haar uiteindelijk
om zijn eigen theorie te ontwikkelen.
Aanvankelijk, zo rond 1955, noemde Ellis zijn theorie: 'Rational Therapy' (RT).
Omdat er geen absolute criteria zijn voor wat als rationeel en als irrationeel
gezien moet worden, en omdat een omschrijving van rationeel als 'logisch en
empirisch' niet voldoende is, zegt Ellis dat het woord rationeel eigenlijk niet
zo goed gekozen is (Ellis, 1995). Als hij de naam opnieuw kon bepalen, zou hij
gekozen hebben voor cognitief-emotieve therapie. In Nederland heeft het woord
rationeel in het dagelijks taalgebruik een negatieve connotatie: het wordt nogal
eens gebruikt als tegenovergestelde van 'emotioneel', alsof rationaliteit en
emotionaliteit elkaar uitsluiten. Daarbij wordt 'rationeel' nogal eens verward met
rationaliseren.
In het begin van de jaren zestig besloot Ellis mede onder invloed van Robert
Harper de naam in 'Rational-Emotive Therapy' (RET) te veranderen (Ellis, 1993).
In de praktijk van de RET werd namelijk veel gewerkt met emotionele confrontaties en
stond het veranderen van gevoel, weliswaar via het denken, centraal. In 1993
veranderde Ellis de naam RET opnieuw, nu in REBT, 'Rational-Emotive Behaviour
Therapy' (Ellis & Dryden, 1993). Ellis vindt dat deze naam meer recht doet aan wat
de RET is, omdat ze altijd veel aandacht heeft besteed aan gedachten, emoties én
gedrag. Daarnaast geeft hij aan dat de RET, van de cognitieve psychotherapieën,
altijd al het meest gedragsmatig georiënteerd is (Ellis, 1995).
Aan Ellis' pionierswerk zaten twee kanten. Zijn ideeën, bijvoorbeeld op het
gebied van de seksualiteit, waren erg voortvarend voor zijn tijd en zeer in strijd
met de gangbare opvattingen van het Amerikaanse volk, waardoor hij enerzijds als
een voorvechter van de seksuele revolutie werd gezien, maar anderzijds ook veel
weerstand opriep. In het boek 'Sex without guilt' (1958) schrijft hij dat hij zijn
artikelen over dit onderwerp aanvankelijk niet gepubliceerd kreeg. Hoewel hij van
verschillende uitgevers te horen kreeg dat de artikelen goed geschreven waren,
durfden ze over het onderwerp niet te publiceren.
In die tijd betekende Ellis' theorie een breuk met de gangbare wijzen van
psychotherapie, waardoor zijn ideeën met argwaan werden bekeken. Daarbij kan en
kon Ellis vanuit zijn gedrevenheid cliënten optimaal te helpen, in het openbaar
nogal eens uithalen naar andere, in zijn ogen minder efficiënte vormen van
psychotherapie, waarmee hij de toch al bestaande weerstand tegen zijn opvattingen
nog eens versterkte.
Ellis publiceerde zeer veel artikelen en boeken (en doet dat nog steeds) en
na verloop van tijd vond zijn werk meer gehoor bij vakgenoten. Zijn pionierswerk
groeide uit tot een Instituut met eigen opleidingsfaciliteiten. Vele psychologen
hebben zich door Ellis laten beïnvloeden, bijvoorbeeld Lazarus, Mahoney,
Meichenbaum en Beck. Ellis wordt zodoende ook wel de grootvader van de cognitieve
gedragstherapie genoemd (American Psychologist, 1986). Gedragstherapeuten wilden
aanvankelijk weinig weten van de cognitieve stroming binnen de psychotherapie.
Het zijn Meichenbaums zelfinstructie-training en later Becks cognitieve therapie
geweest, die vanwege de simpele weergave van de cognitieve principes wél gehoor
vonden bij de gedragstherapeuten (Hawton e.a., 1989).
RET - Toepassingen en doelgroepen
Eenvoudig of complex?
Aan de methode van de RET ligt een algemene theorie over menselijk functioneren
ten grondslag. Vanuit de RET-theorie over het psychisch functioneren worden
hypothesen opgesteld over de cognitieve structuren van het individu. Er wordt
uitgegaan van het idee dat meerdere 'irrationele kerngedachten' latent of manifest
aanwezig zijn en dat die van invloed zijn op verschillende gebieden van het
functioneren van de persoon. Er zijn meerdere benamingen in omloop waarmee
verwezen wordt naar deze cognitieve structuren. Inmiddels zijn de begrippen
'cognitieve schema's' of 'scripts' gangbaar. Een script of cognitief schema is
een soort intern werkmodel (een term uit de gehechtheidstheorie) dat informatie
bevat over het zelf, de ander en de omringende wereld. Op basis van een combinatie
van genetische aanleg en ervaringsleer bouwt iedereen scripts of schemata op over
het geen te verwachten valt in de werkelijkheid. Deze scripts vormen de leidraad
voor het handelen van het individu. Aan de hand van hypothesen over de inhoud van
de basisideeën (of stelsel van basisideeën = script) kan men met behulp van het
ABC-model de individueel geldende afgeleiden of inhouden op hun bruikbaarheid
toetsen en veranderen.
De RET methode is zowel op eenvoudige problemen als op meer complexe
problematieken van toepassing. Er wordt echter wel eens gedacht dat RET
uitsluitend voor enkelvoudige en gemakkelijke problemen toepasbaar zou zijn.
Het is niet precies te achterhalen hoe dit misverstand in de wereld is gekomen.
Ook de gedragstherapie wordt wel van simplisme en symptoombestrijding beticht
(Korrelboom & Kernkamp, 1993). Mogelijk geeft het ABC-model, de methode waarmee
de theorie van de RET in de praktijk gebracht wordt op zichzelf
aanleiding tot het idee dat er sprake is van een eenvoudige aanpak. Daarnaast zijn
een aantal boekjes dat in Nederland is verschenen (mogelijk) debet aan dat imago,
bijvoorbeeld: 'Ik kan denken, voelen wat ik wil' (Diekstra, 1976). Wellicht onbedoeld
kunnen dergelijke boekjes aanleiding geven te denken dat RET zo eenvoudig is als het
opzeggen van het ABC. Enkele collega's die ik in dit verband vroeg naar indicaties
en contra-indicaties voor RET zeiden daarover dat hen, naarmate ze meer met RET
werkten, RET bij uitstek geschikt blijkt voor meer complexe problematieken.
Schoemaker (1991) rapporteert dat RET goed werkt bij de verwerking van seksuele
trauma's omdat het de cliënten directe controle en zichtbare successen biedt.
Cladder & De Waart (1997) passen de RET toe als onderdeel van een (semi)residentiële
behandeling voor kinderen met emotionele stoornissen.
Diversiteit aan toepassingsgebieden
Albert Ellis heeft zijn theorie oorspronkelijk uitgewerkt met 'seksualiteit en
relatieproblemen' als toepassingsgebied (bijvoorbeeld Ellis, 1952, 1954,1958, 1963).
Uitbreidingen, verfijningen en andere specifieke toepassingen binnen dit thema
vonden later plaats (bijvoorbeeld Broder, 1985; Ellis, 1989).
De RET werd door Janet Wolfe (Ellis' partner) bewerkt voor specifieke
vrouwenproblematieken, die onder andere vanuit de vrouwenbeweging naar voren kwamen
(Wolfe 1985, 1995). Zo schreef zij ook een zelfhulpboek voor vrouwen die meer
behoefte aan seks hebben dan hun man (Wolfe, 1992).
Ellis pleit voor een brede toepassing van de RET op onderwijsgebied (1966, 1993).
Pogingen hiertoe zijn eerder door hemzelf ondernomen, bijvoorbeeld door het opzetten
van de 'School for Rational Living'. In Nederland kreeg voor het onderwijs met name
het boekje Rationeel Emotieve Educatie (Diekstra e.a., 1982) bekendheid. Michael
Bernard (o.a. 1984), Ann Vernon (1989), maar ook Ray DiGiuseppe (o.a. 1983, 1989)
hebben in navolging van Ellis' belangstelling voor opvoeding en educatie veel werk
verricht op het gebied van theorievorming, diagnostiek en methodiekontwikkeling voor
kinderen en adolescenten. RET is goed toepasbaar bij ouderbegeleiding, maar daar is
tot op heden relatief weinig over gepubliceerd (wel bijvoorbeeld Van Londen e.a., 1979 en
een zelfhulpboek van Vernon & Al-Mabuk, 1995). Huber & Baruth (1989) integreerden de
RET met Systeemtheorie.
Op het gebied van de sociaal medische gezondheidszorg zijn eveneens toepassingen
ontwikkeld. Zo zijn er programma's gemaakt voor de verslavingszorg (Ellis e.a.,
1988; Velten, 1986). En er zijn boeken en artikelen verschenen over hoe om te
gaan met sterven en chronische ziekte (Johnson, 1981, Ellis & Abrams, 1994). Ook
ter bevordering van algemene gezondheid en gewichtscontrole verschenen artikelen
(Raitt, 1986). In Nederland zijn toepassingen bekend binnen de huisartspraktijk
(Stapel & Jacobs, 1998) en de intramurale gezondheidszorg.
Twee andere belangrijke toepassingsgebieden die vooral de laatste jaren veel
aandacht hebben gekregen, zijn stress en burnout (Vernon, 1995). In Nederland
verschenen verschillende populaire boekjes op deze gebieden (bijvoorbeeld IJzermans
& Dirkx, 1993) en bijvoorbeeld ook een handleiding voor trainers (IJzermans &
DiMattia, 1993).
De opsomming van toepassingsgebieden is hiermee niet compleet. Naast
bovengenoemde aandachtsgebieden vinden we toepassingen op het gebied van geloof,
verschillende culturen, professionele sport en in het artistieke veld. Ook is het
mogelijk om naar de toepassing van RET te kijken vanuit verschillende emotionele en
gedragsproblematieken, zoals schuldgevoelens, rouwverwerking, angstklachten,
kwaadheid en uitstelgedrag. Over sommige van deze gebieden zijn populair
wetenschappelijke boekjes verschenen in het Engels en Nederlands.
Cliëntenpopulatie
De cliëntenpopulatie waarvoor RET geschikt is, werd al omschreven aan de hand van
de in de vorige paragraaf genoemde probleemgebieden. In feite kunnen alle mensen
die in meer of mindere mate disfunctioneel gedrag vertonen of problemen hebben met
de emotieregulatie, baat vinden bij de RET. Wellicht wordt de doelgroep het beste
omschreven aan de hand van voorbeelden:
De RET kan individueel of in groepen toegepast worden. De RET kan geleerd worden aan professionals en aan leken. Het meest gangbaar zijn de curatieve toepassingen van de RET. Daarnaast kan de RET preventief worden toegepast. Zo zijn er curricula ontwikkeld binnen het onderwijs en het management.
Voor de indicatiestelling in het geval van curatieve toepassing wordt, behalve van de diagnostiek op basis van het ABC-model ook gebruik gemaakt van internationaal gangbare diagnostische methoden, zoals het DSM-IV-classificatiesysteem (1994). In DSM-IV termen is de RET zowel bruikbaar bij As-I als bij As-II-problematiek.
Tot slot een cliënt op wie de RET van toepassing is en die gemakkelijk zou kunnen worden vergeten: de therapeut zelf! Ellis schreef hierover een nuttig hoofdstuk met als titel: 'How to deal with the resistance of your most difficult client: YOU', vrij vertaald: 'Uw moeilijkste cliënt: dat bent u zelf!'. Het is belangrijk dat de RET-therapeut de RET-principes op zichzelf leert toepassen. De therapeut kan de methode op zijn eigen alledaagse problemen toepassen en leren zichzelf daar discipline in op te leggen. Er kan geoefend worden met collega's in intervisie. Het is bijvoorbeeld uiterst leerzaam voor de therapeut om blootgesteld te worden aan dezelfde huiswerkoefeningen die hij in de toekomst aan zijn cliënten zal geven. De RET grondig en frequent op uzelf leren toepassen is een belangrijk hulpmiddel bij het goed leren toepassen van de methode in de therapeutische praktijk.
RET - Beperkingen
Uiteraard zijn er beperkingen in de toepassingsmogelijkheden van de RET aan te geven,
zoals bij iedere theorie en methode het geval is. In meer algemene zin wordt
aangenomen dat er meer beperkingen aan de methode zijn, naarmate de psychosociale
problematiek van de cliënt complexer in elkaar steekt. Er is ook een verband met
de duur van de problematiek en de hardnekkigheid (inflexibiliteit) ervan. De RET
werkt, net als andere methoden, sneller en effectiever bij mensen met een hoger
intelligentieniveau die verbaal goed functioneren, reeds over een zekere mate van
introspectieve capaciteiten beschikken en bijvoorbeeld al zelfhulpboeken hebben
gelezen. De RET is echter ook goed bruikbaar bij mensen die intellectueel gezien
minder begaafd zijn, verbaal niet zo sterk zijn en weinig probleeminzicht hebben.
Het veranderingsproces zal dan wellicht anders verlopen en het vergt wellicht een
meer creatieve en flexibele aanpak van de therapeut.
Andere factoren waarvan bekend is dat ze een grote rol spelen in de mogelijke
effectiviteit van een therapie zijn onder andere: de bereidwilligheid van de cliënt
om zich in te spannen voor verandering (motivatie) en de 'match' tussen therapeut
en cliënt.
Er zijn voor zover ons bekend uit de literatuur, geen specifieke contra-indicaties
voor de toepassing van RET bij neurotische klachtenpatronen. Wel is een juiste
timing en dosering van interventies van groot belang bij meer complexe problematiek.
Daarbij is het van belang dat er een duidelijk diagnostisch beeld verkregen wordt
van de individuele problemen en/of de gezinsproblematiek, van waaruit de marges van
de (veranderings)mogelijkheden van de cliënt ingeschat kunnen worden. Naar aanleiding
van de diagnostiek kunnen doelstellingen voor behandeling of begeleiding met behulp
van de RET bepaald worden.
Wessler vindt de RET meer geschikt voor de neurotische populatie en bij
persoonlijkheidsstoornissen gecontra-indiceerd. Voor deze specifieke doelgroep
ontwikkelde hij de 'Cognitive Appraisal Therapy' (1993). Anderen (bijvoorbeeld Linehan,
1996; Bögels & Arntz, 1996) ontwikkelden echter op basis van de bestaande
cognitieve gedragstherapeutische methoden protocollen ten behoeve van bijvoorbeeld
borderlineproblematiek.
Het is bekend dat ingeval van ernstige psychiatrische problematiek de
beperkingen ten aanzien van verandering groot kunnen zijn. Dit is mede afhankelijk
van de medicamenteuze mogelijkheden en de therapietrouw. De bruikbaarheid van de
RET is hierbij vooral gelegen in het bieden van hulp bij de acceptatie van de
problematiek. Mensen kunnen in principe met hun (chronische) handicaps leren leven,
of die nu op het psychische vlak, op het sociale vlak, op het cognitieve vlak (bijvoorbeeld
een beperkte mate van intelligentie) of op het lichamelijke vlak (bijvoorbeeld het moeten
missen van bepaalde ledematen) liggen. Een cliënt die vanwege een psychiatrisch
ziektebeeld weinig spanning kan hebben, zal 'verkeerde' banen kiezen wanneer hij
de stoornis onvoldoende onderkent of accepteert. Het gevolg is dat hij de baan na
verloop van tijd niet aan zal kunnen en (opnieuw) een faalervaring opdoet. Het is
echter niet altijd mogelijk (maar wel wenselijk) om mensen te helpen hun handicap
te leren accepteren. Hoewel cognitieve methoden in de psychiatrie nog geen gemeengoed
zijn, wint de cognitieve therapie ook daar aan terrein. Voor geïnteresseerden wordt
verwezen naar Olevitch, 1995 (zie CGT literatuur).
Ten slotte volgt een casus van Albert Ellis (1992), die in dit verband leerzaam
en vermakelijk is. Het voorbeeld geeft zowel de beperking als de reikwijdte van de
toepasbaarheid van de RET goed weer.
Ellis werd geconsulteerd door een 79-jarige man, die dacht dat de FBI zijn omgeving
de opdracht had gegeven hem te boycotten, omdat hij zich ooit kritisch over de FBI
had uitgelaten. De man had eerder een psychiater geconsulteerd, die de diagnose
'paranoia' had gesteld. De man was daar zeer verontwaardigd over en wilde geen
medicatie gebruiken. De man wilde dat de FBI zou stoppen hem het leven zuur te
maken en vroeg Ellis om hulp. Ellis constateerde dat de man geen gevaar voor zijn
omgeving betekende, goed voor zichzelf zorgde, en een redelijk sociaal netwerk had.
Hij koos ervoor de man als volgt te benaderen. Hij liet de weerstand van de man
tegen de diagnose, die onherroepelijk juist was, links liggen. Hij kwam samen met
de man tot de conclusie, dat er geen enkele weg was om de FBI te doen stoppen.
Ellis zei de man, dat hij in feite de FBI beloonde en het FBI-plan bekrachtigde
door hen te laten zien dat hij zich er zo door liet beïnvloeden en er bang voor was.
Dit argument sprak de man aan. Ellis stelde voor om hem te helpen minder bang te
zijn voor de achtervolgingen en de vervelende trucs die de FBI met hem uithaalde.
De man stemde daarmee in en leerde de voor hem nare `realiteit` te accepteren.
RET - Theorie en filosofie
Theorie
De samenhang tussen gevoel, gedrag en gedachte
In de jaren tachtig was een levendige discussie gaande of de RET als een theorie
gezien moest worden die de prioriteit legt bij de cognitieve aspecten van het
menselijk functioneren (lineair verband tussen cognitie en emotie), of dat er sprake
was van een interactionele visie op persoonlijkheid (zie bijvoorbeeld Mahoney e.a., 1989).
Ellis zelf stelt dat zijn theorie van een interactioneel model uitgaat. In zijn
eerste boek over de theorie en filosofie van de RET, stelt hij dat denken en voelen
geen verschillende processen zijn, maar dat deze processen elkaar overlappen en
sterker nog, in essentie gelijk zijn. Het gevoel en het denken beïnvloeden zowel
elkaar als het gedrag en zijn ook met situationele factoren in interactie (Ellis,
1962; 1977a). Smith nuanceert deze bewering van Ellis: voelen en denken beïnvloeden
elkaar weliswaar wederkerig, maar zijn in feite verschillende entiteiten. Hij
ondersteunt dit met empirisch onderzoek naar de samenhang tussen emotioneel beleven
en cognities (Smith, 1989). Mensen kunnen meerdere gevoelens ervaren bij een
gebeurtenis. Iemand kan zich bijvoorbeeld naar aanleiding van ontslag van het werk
zowel kwaad maken als zich schuldig voelen. De cognitie die gepaard gaat met
kwaadheid bijvoorbeeld, is: 'Ze hadden me dit ontslag niet zo abrupt mogen geven'.
De cognitie die samengaat met schuldgevoel is bijvoorbeeld: 'Ik had die stomme fout
niet mogen maken; ik ben een onprofessionele oen'.
In het schema dat Ellis ontwikkelde en dat binnen de RET-methode wordt gebruikt
bij de aanpak van emotionele en gedragsproblemen (het ABC-model) worden situatie,
gevoel, gedrag en gedachten duidelijk onderscheiden. Dit heeft onder andere te maken
met de manier waarop geïntervenieerd wordt in de problematiek van de cliënt. Al deze
vier ingangen (situatie, gevoel, gedrag en gedachten) kunnen onderzocht worden op hun
toegankelijkheid voor verandering. Als start voor de interventies wordt vaak gekozen
voor de ingang die klinisch gezien het meest relevant lijkt en die het meest te maken
heeft met het psychisch functioneren van de cliënt (dus: gevoel, gedrag of gedachten). Vanuit de interactionele visie maakt het weinig verschil voor welke ingang wordt gekozen. Immers, verandert een gevoel, dan zullen in principe ook het denken en doen beïnvloed worden; verandert het gedrag, dan zullen ook het denken en gevoel veranderen.
Deze dynamiek en samenhang zijn zichtbaar gemaakt in onderstaande figuur.
Dit interactionele principe wordt hier 'de driehoek' genoemd.
Teneinde verandering te bewerkstelligen bij de cliënt worden in de RET dan ook
zowel cognitieve als emotieve en gedragsmatige interventiemethoden gebruikt.
Het kan zijn dat een van de drie componenten bij een persoon het meest in het
oog springt; men noemt zichzelf 'een gevoelsmens' 'een doe-mens' of een 'denker'.
Welk aspect het sterkst naar voren komt, is vaak mede afhankelijk van de situatie.
Bij een overlijden komt het gevoel het sterkst naar voren, maar als er een
auto-ongeluk plaatsvindt, staat accuraat handelen veelal voorop. Bij overleg over
moeilijke kwesties in een organisatie valt vooral de denkactiviteit op.
Als iemand zegt: 'Ik ben een gevoelsmens', wil dat niet zeggen dat hij zijn
verstand niet gebruikt. Hij concentreert zich waarschijnlijk in zijn beleving het
meest op zijn emotionele en fysieke reacties tijdens gebeurtenissen. Voor de
'denkers' en de 'doeners' geldt hetzelfde: ze zijn meer bekend met die component van
hun functioneren. Wanneer de denkactiviteit overmatig is geworden, vraagt de 'denker'
zich af: 'Kom ik ooit van dat getob af?' Hij zal minder gauw over zichzelf spreken
als angstig of depressief. De 'doeners' zijn geneigd om gemakkelijk over gevoelens
heen te stappen onder het motto: 'Je moet niet zeuren', of 'Je moet daar niet te
lang bij stilstaan'.
Mensen kunnen meerdere gevoelens ervaren naar aanleiding van één gebeurtenis.
Adequate gevoelens en gedragingen en inadequate gevoelens en gedragingen kunnen zich
tegelijkertijd aandienen. Er zijn dan in feite meerdere driehoeken tegelijkertijd
actief.
Een voorbeeld: een cliënt belt de huisarts op. Ze wil medicijnen voorgeschreven
krijgen voor haar paniekaanvallen en vermeldt welk middel ze daar eerder voor heeft
gebruikt. De huisarts legt een recept klaar, maar dit blijkt een ander middel te zijn.
De cliënt ontsteekt ter plekke in woede en wil onmiddellijk een afspraak maken bij
de assistente om de huisarts van katoen te geven. Tegelijkertijd realiseert ze zich
dat woede haar niet dichter bij haar doel brengt en ze besluit naar huis te gaan.
Ondertussen blijft de woede actief en ze besluit een borrel te drinken om te
kalmeren.
In dit voorbeeld zijn zowel een 'inadequate driehoek' als een 'adequate driehoek'
werkzaam. Het gevoel in de inadequate driehoek is evident: woede. Dit gaat gepaard
met de neiging om de huisarts van katoen te geven (gedrag). De cognitie die hiermee
samengaat, is: 'Hij moet mij geven waar ik om vraag en niet zonder overleg tot iets
anders beslissen, de zak'.
De adequate driehoek ziet er als volgt uit. Gedrag: ze gaat naar huis.
Cognitie: 'woedend worden brengt mij mogelijk niet dichter bij mijn doel'.
De bijpassende emotie kan zijn: diepe teleurstelling of ergernis. De cliënt zal zich
deze emotie echter nauwelijks gewaar worden, doordat woede zo'n overheersend gevoel
is. Het adequate gedrag biedt derhalve nog geen garantie dat de woede ook verdwijnt.
Hoewel we eerder aangaven dat, wanneer gedrag verandert, ook gedachten en gevoel
mee-veranderen, voegden we daar met opzet het 'in principe' aan toe. Sommige
cognities zijn zo krachtig dat ze niet automatisch weggewerkt worden door het juiste
gedrag te vertonen. Deze moeten apart bewerkt worden.
De RET-therapeut onderzoekt of er in een situatie sprake is van verschillende
driehoeken. De wijze waarop de verschillende inadequate en adequate gevoelens
elkaar ondersteunen of tegenwerken kan van belang zijn voor de interventies die
worden toegepast.
De interactie met de situatie en de persoonlijke doelen
In een belangwekkend artikel van Ellis uit 1991, genaamd The revised ABC's of RET,
wordt bovenstaande interactionele visie verder uiteengezet. Behalve de interactie
tussen gevoel, gedrag en gedachten, is er tevens sprake van een voortdurende
samenwerking van deze drie elementen met de persoonlijke doelen van de cliënt en met
aspecten uit zijn persoonlijke situatie.
De doelen (Ellis noemt ze G's, van 'goals') omvatten onmiskenbaar cognitieve,
emotieve, gedragsmatige en fysiologische elementen en de persoonlijke doelen van de
cliënt creëren ook verschillende situaties (A's), gedachten (B's) en gevoel en
gedrag (C's). Als voorbeeld gebruikt Ellis het doel 'overleven'. Iemand die
hongerlijdt, ziet bijvoorbeeld meer dingen voor eten aan dan iemand die geen honger
heeft en zal specifiek zoekgedrag vertonen.
De relatie tussen de situatie enerzijds en het gevoel, het gedrag en de gedachten
anderzijds, ziet Ellis eveneens als interactief en wederkerig. De situatie (A) waarin
iemand zich bevindt omvat cognitieve, emotieve, gedragsmatige en fysieke componenten
en de situatie zelf draagt ook bij aan wat iemand denkt, voelt of doet. Ook de
frequentie, duur en intensiteit van A kunnen van invloed zijn op hoe iemand zich
voelt of wat hij denkt. Ellis gebruikt een voorbeeld van kritiek krijgen. Bij
voortdurende en ernstige kritiek kan iemand, die oorspronkelijk niet specifiek
overgevoelig is voor kritiek, toch de gedachte krijgen dat hij niet tegen deze
(hoeveelheid) kritiek kan.
Ten slotte zijn ook de persoonlijke doelen (G) en de situatie (A) met elkaar in
interactie. Indien iemand het doel heeft beroemd te worden, zal hij proberen bepaalde
situaties te creëren. Indien iemand vervolgens constateert dat de gecreërde situaties
niet tot het gewenste doel leiden, verandert hij mogelijk zijn doel.
RET - Beïnvloeding van het denken
Van oudsher wordt in de RET veel aandacht besteed aan het beïnvloeden van het
denksysteem van de cliënt. Smith (1989) verwijst hiervoor naar een historische
verklaring van Ellis zelf, namelijk dat zijn theorie met name het verschil (het
cognitieve aspect) met de gangbare theorieën van die tijd wilde benadrukken.
Mahoney e.a. (1989) verwijzen naar een uitspraak van Dryden en Ellis, waarin zij
stellen dat een interactief model niet noodzakelijkerwijs betekent dat de drie
aspecten evenveel van de variatie in het psychologische disfunctioneren verklaren.
Aan de cognities wordt binnen dit model een centrale rol toegekend.
Een andere reden om cognities een centrale plaats te geven is dat het denken van
de cliënt doorgaans relatief gemakkelijk toegankelijk is. We kunnen iemand letterlijk
vragen naar zijn gedachten. Doorvragen naar onduidelijkheden levert meestal meer
informatie op. Daarbij zijn mensen gewend om via het gesprek hun ideeën over zichzelf
en de wereld te uiten. Het beïnvloeden van het denken via de taal is een logische
aanpak, daar taal en denken nauw met elkaar samenhangen.
Een volgende reden voor de nadruk op de cognities, is dat generaliserende
effecten worden verwacht wanneer belangrijke opvattingen van de cliënt wijzigingen
ondergaan. Een opvatting is immers doorgaans geen losstaande bouwsteen, maar maakt
deel uit van een groter stelsel van opvattingen. Wanneer de kwaliteit van bepaalde
bouwstenen verandert, beïnvloedt dat (mogelijk) de omliggende bouwstenen. Als een
cliënt bijvoorbeeld aanvankelijk vindt dat hij alles perfect moet doen en gedurende
de therapie leert dat hij fouten mag maken, kan dit mede het effect hebben dat hij
meer risico's durft te nemen of zichzelf minder controleert.
In de RET wordt in feite, zonder afbreuk te doen aan het belang van de samenhang
tussen gevoel, gedachten en gedrag, als eerste ingang tot verandering gefocust op het
beïnvloeden van de denkprocessen van de cliënt.
De RET veronderstelt dat het vooral de opvattingen van de cliënt zelf zijn over
de situatie waarin hij verkeert, waarmee hij het zichzelf moeilijk kan maken.
Immers, een situatie kan op zichzelf moeilijk, lastig of ingewikkeld zijn, maar
dat hoeft nog niet per definitie te leiden tot disfunctioneren. Hoe goed of slecht
mensen onder een moeilijke situatie functioneren hangt onder andere af van hoe zij de
situatie interpreteren, wat ze
willen in de gegeven situatie of hoe ze vinden dat het moet zijn. Wensen, eisen,
verlangens, idealen, ideeën, beschouwingen en opvattingen zijn allemaal cognitieve
aspecten van ons functioneren. Een deel van de opvattingen zijn mensen zich bewust,
maar van een deel van de opvattingen zijn mensen zich minder of helemaal niet
bewust. Zonder zich bepaalde opvattingen te realiseren, kan men zich daar echter wel
naar gedragen. In de RET wordt zowel met de bewuste als met de minder bewuste
denkprocessen gewerkt. Deze minder bewuste processen kunnen doorgaans met behulp
van eenvoudige middelen in het bewuste worden gebracht, waarmee ze toegankelijk
worden voor bewerking.
Het aanspreken van het denksysteem van de cliënt, begint bij de RET al in de
eerste bijeenkomst. Immers, eerst moet de cliënt het met de therapeut eens zijn dát
er veranderd moet worden, om vervolgens overeenstemming te bereiken ten aanzien van
wát er veranderd moet worden. Hiervoor zijn een aantal belangrijke logische operaties
nodig. Ellis en Harper (1975) spreken in dit verband over drie typen inzicht.
De RET geeft daarom niet alleen inzicht aan de cliënt in waar de schoen wringt (probleemanalyse). Er wordt een doel gesteld en de RET-therapeut helpt de cliënt zijn doel te bereiken door middel van uitdagingsprocessen. Het cognitieve uitdagingsproces neemt hierbij een belangrijke plaats in: de cliënt wordt door middel van (soms heftige) discussies over zijn opvattingen uitgedaagd, om anders te gaan denken. Als de cliënt zijn irrationele opvattingen niet grondig aanpakt, vindt er geen integratie van het nieuwe gedrag plaats. Daarmee blijft de kans op herhaling van disfunctioneel gedrag tamelijk groot. Immers, de cliënt heeft zichzelf een truc aangeleerd, waarmee hij zich in bepaalde situaties kan redden, maar die in andere situaties mogelijk niet werkt. In de RET wordt echter geprobeerd blijvende gedragsverandering te bewerkstelligen via een fundamentele wijziging in het denken/de filosofie van de cliënt.
Ter verduidelijking sluiten we aan bij het voorbeeld eerder van de vrouw die woede op haar huisarts bleef voelen omdat zij niet die medicijnen voorgeschreven kreeg die ze wilde. De opvatting van deze cliënte was: 'Hij moet mij geven waar ik om vraag en niet zonder overleg tot iets anders beslissen, de zak'.
Indien ze haar opvatting verandert in: 'Huisartsen zijn ook maar mensen, die kennelijk niet meteen begrijpen wat ik bedoel', zal de woede verdwijnen en zal ze vrijheid van keuze hebben ten aanzien van hoe ze wil handelen in die situatie. Ze kan bijvoorbeeld kiezen naar huis te gaan (in plaats van dit min of meer noodgedwongen te doen, zoals in het voorbeeld het geval was); of ze kan bij de assistente om een consult vragen; of ze kan besluiten een andere huisarts te nemen (als het een voorval in een reeks van 'mismatches' is). Een truc zou bijvoorbeeld zijn: tot tien tellen bij een woedeaanval. Een fundamentele wijziging in het denken is: 'ik hoef niet per se onmiddellijk te krijgen wat ik hebben wil'.
Rationeel en irrationeel denken
In veel situaties zijn mensen goed - in staat om, bewust en onbewust, hun eigen
denkprocessen te sturen, zodat er een heleboel vanzelf goed gaat. RET komt doorgaans
pas aan de orde wanneer er sprake is van een situatie waarin iemand naar zijn eigen
idee of volgens de opvatting van anderen niet goed functioneert.
De RET richt zich vooral op die denkwijzen, die van therapeutisch belang zijn.
Anders gezegd, niet alles wat de cliënt vindt of denkt is relevant voor de therapie.
De theorie maakt hiertoe onderscheid tussen twee vormen van denken, namelijk
rationeel en irrationeel denken. Mensen beschikken over het algemeen over beide
vormen van denken en sommige mensen zijn (al dan niet genetisch bepaald) meer met het
een of het ander toegerust.
De term rationeel is niet geheel gelukkig gekozen. Andere termen waarmee
hetzelfde bedoeld wordt zijn: reëel, realistisch, bruikbaar, of gezond. Aan het
gebruik van elk van deze termen zijn voor- en nadelen verbonden. We zullen hier
met name de termen rationeel (vanuit historisch oogpunt) of reëel (vanuit
kennistheoretisch oogpunt) gebruiken.
Het irrationele of irreële denken bevat die aspecten van het denken, die
nadelig zijn voor de mens. Het is met name de categorie van irreële opvattingen
die onderwerp van de RET zal zijn. Het irreële denken kan iemand in de moeilijkheden
brengen, kan iemand belemmeren bij het bereiken van zijn doelen en levensgeluk. Het
woordje 'kan' is steeds opzettelijk bijgevoegd. Immers, iemand kan irrationeel
denken, zonder dat dit per se tot moeilijkheden leidt. Bijvoorbeeld als iemand denkt
dat een getrouwde vrouw niet mag werken, komt hij daarmee niet in de problemen zolang
hij ofwel niet getrouwd is, ofwel een vrouw heeft die deze opvatting deelt.
Het rationele of reële denken betreft die gedachten, die overeenkomstig de
werkelijkheid zijn, die mensen helpen bepaalde doelen te bereiken, die het
levensgeluk helpen vergroten, die bruikbare handvatten geven voor het omgaan met de
eisen die aan het dagelijks leven gesteld worden, enzovoorts. Het rationele denken
levert dus een bruikbare en flexibele levensvisie en daaruit voortvloeiende levenshouding
op, terwijl van een irrationele levensvisie een beperkende invloed uitgaat. Dat wil
overigens niet zeggen dat mensen die uitsluitend rationeel denken (als dat al
mogelijk zou zijn) niet in de moeilijkheden kunnen raken. Mensen met een rationele
levenshouding krijgen ook tegenslagen te verduren. We stellen echter dat deze mensen
beter bestand zijn tegen de tegenslagen vanwege hun 'gezondere' denkwijze waardoor
zij beter kunnen omgaan met de moeilijke situatie. Het gaat om acceptatie van de
werkelijkheid en probleemoplossend vermogen. Op deze plaats maken we duidelijk dat
in het onderzoek naar het menselijk functioneren, de RET er sterk op gericht is de
rationele en irrationele aspecten uit elkaar te halen en vooral het irrationele
onder de loep te nemen, omdat daar de 'stichters van het kwaad' te vinden zijn.
RET - Filosofie
Epictetus
Voor de basisassumptie van de RET, dat het in het bijzonder de opvattingen van de
cliënt zelf zijn waarmee hij het zichzelf moeilijk kan maken, verwijst Albert Ellis
naar de filosoof Epictetus (ca. 100 na Chr.). Epictetus wordt geplaatst in de school
van de 'Nieuwe Stoa'. Het kernpunt van deze leer is dat de deugd, die op kennis
berust, gelukkig maakt (Croon & Van Aken, 1979). De tegenslagen van het lot zijn niet
van de wil afhankelijk en men moet zich daar 'ongevoelig' voor maken. Het Universum
is geordend en ontwikkelt zich volgens de wetten der natuur, die in wezen goed is.
Daarom moet de mens zich ontwikkelen overeenkomstig zijn eigen natuur. Praktisch
toepasbare citaten van Epictetus zijn bijvoorbeeld (uit: Encheiridion, p. 15 en p. 19):
'Van al het bestaande hebben wij sommige dingen in onze macht. Andere niet.
In onze macht hebben wij onze meningen, ons streven, onze begeerte, onze afkeer.
Al deze dingen kunnen we zelf bewerkstelligen.'
Het meest veelvuldig wordt gebruikt:
'Het zijn niet de dingen zelf die de mensen in verwarring brengen, maar hun
herinneringen omtrent die dingen.'
Informatief daarbij is de volgende uitspraak:
'Laten wij daarom, wanneer wij gehinderd, in verwarring of gekwetst worden, nooit
iets of iemand anders de schuld geven dan onszelf, dat wil zeggen onze eigen
meningen.'
Er zijn echter belangrijke verschillen tussen de RET en de leer van Epictetus
en de nieuwe Stoïcijnen. In de toepassing van de RET wordt niet geprobeerd om mensen
'ongevoelig' te maken voor de gebeurtenissen die hun overkomen. Bij nare situaties
horen adequate nare gevoelens, zoals bezorgdheid of verdriet. Wel wordt gesteld dat
mensen de invloed van hun denken op hun emotionele reacties vaak onderschatten en
dat zij met behulp van hun denken, meer emotionele stabiliteit kunnen creëren.
Een tweede verschil met de nieuwe Stoïcijnen is dat de RET er niet van
uitgaat dat gevoelens totaal beheersbaar of stuurbaar zijn. Je kunt niet denken en
voelen wat je wilt. In de eerste plaats is er wetenschappelijk gezien nog veel
onderzoek nodig voordat met meer zekerheid uitspraken gedaan kunnen worden over de
veranderbaarheid van emoties en over de invloed van gebeurtenissen op emoties. In de
tweede plaats zou het van hoogmoed getuigen te menen dat ook de genetisch bepaalde
constitutie van iemand (bijvoorbeeld de mate van irrationaliteit waarmee iemand geboren is,
of het temperament) geheel overwonnen kan worden. In de RET wordt ervan uitgegaan dat
mensen hun inadequate emoties minder vaak en minder heftig ervaren, wanneer zij zich
inspannen om hun irrationele gedachten te veranderen. Ellis heeft echter altijd de
hardnekkigheid van irrationele patronen onderstreept, hetgeen bescheidenheid
impliceert ten aanzien van de beheersbaarheid van de emoties.
Filosofische uitgangspunten
Hierna wordt beknopt aangegeven van welke filosofische uitgangspunten de theorie en
methode van de RET gebruik maakt.
1. Daden kunnen worden beoordeeld, mensen niet
Het is logisch gezien incorrect om mensen in hun geheel te beoordelen of veroordelen.
Mensen kunnen nooit alleen maar goed of alleen maar slecht zijn. Hoeveel slechte
dingen iemand ook gedaan heeft, hij zal ook wel meerdere dingen goed gedaan hebben,
waardoor het oordeel 'een slecht mens', logisch gezien niet houdbaar is. Mensen
kunnen wel beoordeeld worden op wat ze doen, maar niet op wat ze zijn. Iemand kan
lopen of springen als een kangoeroe, maar daarmee is die persoon nog geen kangoeroe.
Er wordt vaak te veel gegeneraliseerd ten aanzien van bepaalde eigenschappen van
personen. Dit geldt zowel voor negatieve als voor positieve eigenschappen: als iemand
iets goeds doet, is hij nog niet goed. Mensen die alleen maar goede dingen doen,
bestaan niet.
Een individu is niet gelijk aan de som van zijn daden. Wél is een individu
verantwoordelijk voor zijn of haar daden en hij dient daar ook de consequenties van
te aanvaarden. In geval van een ernstig delict kan dit bijvoorbeeld gevangenisstraf
of een TBS impliceren. Iemands daden kunnen wel degelijk goed- of afgekeurd worden,
maar de persoon als zodanig wordt/blijft geaccepteerd.
2. Non-dogmatisme/non-absolutisme
Mensen hebben vaak een heel arsenaal aan waarden en normen, die gericht zijn op:
Normen en waarden worden doorgaans geëxpliciteerd met behulp van een 'behoren'. Bijvoorbeeld: Mensen horen elkaar met respect te behandelen. Waarden en normen zijn gedragsregels, die individueel of gemeenschappelijk zijn bepaald en waarin een hoge mate van wenselijkheid besloten ligt. Wenselijkheid impliceert dat normen en waarden niet absolutistisch of omniverseel zijn. De RET staat een situationele ethiek voor: mensen kunnen hun individuele waarden en normen maar beter niet verheffen tot wetmatigheden in de zin van absolutismen. Dit heeft verschillende redenen.
Het gaat er dus niet om dat er geen betere en slechtere normen zouden zijn; daar valt wel degelijk over te twisten. Maar daarmee houdt de RET zich niet specifiek bezig. Dergelijke discussies liggen meer op het gebied van de filosofie. Mensen zijn vaak niet bereid te accepteren dát er betere en slechtere normen zijn en dat die naast elkaar (kunnen) bestaan; daarmee houdt de RET zich meer bezig.
3. Frustraties horen bij het leven
Mensen hebben vaak impliciet of expliciet een of ander doel waar ze naar streven. Mensen willen graag iets verwezenlijkt zien in hun leven, bijvoorbeeld kinderen grootbrengen, carrière maken of beide. Wanneer mensen proberen om hun doelen, hun ideeën te verwezenlijken, stuiten zij meestal op kleinere of grotere obstakels. We krijgen het in het leven immers meestal niet cadeau. Om te bereiken wat we graag willen bereiken, is vaak veel inspanning en doorzettingsvermogen nodig. We komen tegenslagen en tegenwerking op ons pad tegen en die moeten we zelfstandig te boven zien te komen. Mensen reageren verschillend op tegenslag. Dit komt mede voort uit de levenshouding of zienswijze die mensen erop na houden.
Stel de man die zijn echtgenote op jonge leeftijd heeft verloren, houdt er de visie op na dat dit zijn gezin niet had mogen overkomen. Deze man zal veel moeite hebben het gebeuren te accepteren en daarmee te verwerken en indien hij vasthoudt aan zijn opvatting bestaat het risico dat hij pathologisch verdrag gaat vertonen. In het voorbeeld van een overlijden, betekent 'accepteren' de bevordering van een gezond rouwproces en het 'in de grond van je hart' kunnen erkennen dat de overledene nu eenmaal nooit meer in de werkelijkheid voor je beschikbaar zal zijn.
Afhankelijk van het type tegenslag wil acceptatie nog niet zeggen dat men zich per definitie bij de frustratie neerlegt. Indien iemand bijvoorbeeld onterecht ontslag is aangezegd, kan hij dit op emotioneel niveau accepteren, wanneer hij vindt: 'het komt nu eenmaal voor dat mensen onterecht ontslag krijgen en nu ben ik helaas de klos; balen, maar waar'. Tegelijkertijd kan hij juridisch gezien het ontslag aanvechten en op deze wijze zonder emotioneel gezien de dupe te worden, zijn recht proberen te verkrijgen.
4. De realiteit onder ogen zien
De RET sluit wat betreft kennisleer (epistemologie) aan bij een empirische benadering van de werkelijkheid. Veronderstellingen over de werkelijkheid worden niet zonder meer voor waar aangenomen, maar er wordt gepoogd een theorie over de werkelijkheid op te bouwen, die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de 'kunst' van het logisch redeneren.
Ook wordt bij de cliënt een bereidheid bevorderd om bepaalde ideeën aan een empirische toets te onderwerpen, met als doel een zo realistisch mogelijke levenshouding te creëren. Realiteitszin helpt om fijne en nare gebeurtenissen afzonderlijk te beschouwen en in het geheel der ervaringen een plaats te geven.
De bereidheid om eigen ideeën aan de realiteit te toetsen, werkt zodoende een open en flexibele opstelling tegenover levenservaringen in de hand.
5. Eigen verantwoordelijkheid
Hoewel Ellis op basis van zijn meer empirische benadering van de werkelijkheid doorgaans als rationalist gezien wordt, zijn er duidelijke kenmerken van het constructivisme in Ellis theorie aanwezig. Ellis benadrukt de mogelijkheden van de mens om zijn eigen werkelijkheid te scheppen (zie ook Schippers, 1996), maar houdt het midden tussen determinisme en de 'vrije wil gedachte' (Woolfolk & Sass, 1989). Er is geen sprake van een vooropgesteld plan dat door, een godheid of natuurkracht is vastgesteld, waarnaar mensen moeten leven (determinisme), maar het is ook niet zo dat mensen volledig vrij zijn in hun doen en laten. Het gedrag van mensen wordt voor een deel bepaald door bijvoorbeeld biologische trekken en door historische ervaringen. Wel wordt in de RET sterk benadrukt dat de mens het vermogen heeft om eigen doelen te stellen en keuzes te maken. Er wordt veel verantwoordelijkheid gelegd bij het individu ten aanzien van het psychisch welzijn en het vergroten van de keuzemogelijkheden.
6. Lange-termijnhedonisme
Plezier maken en zoveel mogelijk genieten van het leven, wordt door de RET expliciet aangemoedigd. Uitgangspunt daarbij is dat mensen beter/prettiger leven wanneer ze rekening houden met de omgeving en met de daarin gangbare normen en opvattingen. Plezier ten koste van anderen wordt ontmoedigd, onder andere omdat dit op lange termijn het eigen welzijn en geluk in de weg kan staan.
Er wordt derhalve onderscheid gemaakt tussen lange-termijndoelen en korte-termijndoelen. Het kan van belang zijn om behoeften van de korte termijn niet te bevredigen ten gunste van het bereiken van lange-termijndoelen. Het dagelijks eten van calorierijke lekkernijen is op korte termijn bijvoorbeeld een plezierige aangelegenheid. Op lange termijn kan het de gezondheid schaden en zal het 'lekkere' ervan afnemen. De manager die op korte termijn behoefte heeft aan een hoge omzet en onvoldoende rekening houdt met de menselijke vermogens van zijn medewerkers, zal hen veel laten overwerken. De gevolgen op lange termijn kunnen zijn dat de medewerkers zich zelf uitputten en zich ziek moeten melden, of zich tegen de manager gaan keren, wat tegen het belang van het bedrijf is en waardoor lange-termijndoelen onder druk komen te staan.
In de RET wordt geleerd lange-termijnbelangen af te wegen tegen korte-termijnbelangen en met behulp van goede overwegingen daarin keuzes te leren maken (ook wel de hedonistische calculus genoemd). Het nastreven van lange-termijndoelen impliceert ook dat men zijn impulsen goed moet leren reguleren en frustraties moet leren verdragen.
Bovenstaande uitgangspunten hangen deels met elkaar samen. Het verdragen van frustraties hangt bijvoorbeeld samen met lange-termijnhedonisme. Genoemde uitgangspunten heeft Ellis verwerkt in zijn theorie en therapie, waarmee hij zijn cliënten een pragmatische levenshouding voorhoudt. In de therapie wordt aangegeven dat de cliënt profijt kan hebben van een levensvisie die meer in overeenstemming is met bovenstaande uitgangspunten.
Kenmerken van de RET
Ellis zelf vindt dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen 'wetenschappelijke'
therapieën en 'niet-wetenschappelijke' therapieën (Ellis, 1978). Gezien het feit dat
de empirische onderbouwing ten aanzien van de efficiëntie van de verschillende
psychotherapieën nog veel te wensen overlaat, zet Ellis de termen wetenschappelijk en
niet-wetenschappelijk in dit verband terecht tussen aanhalingstekens. Onder de
wetenschappelijke therapieën noemt hij de RET, de gedragstherapie en
(opvallend genoeg) de Rogeriaanse therapie. De overige therapieën, waaronder de
psychoanalyse, vallen onder de niet-wetenschappelijke. Ellis zelf typeert in
meerdere van zijn publicaties de RET als een revolutionaire humanistische benadering.
Hij geeft aan dat de RET gebaseerd is op rationele inzichten, en informatief en
argumentatief van aard is.
Dolliver (1977) geeft een boeiende uiteenzetting over hoe de RET zich verhoudt
tot andere psychotherapieën en persoonlijkheidstheorieën. Overeenkomsten en
verschillen met andere psychotherapieën zijn velerlei. Opvallend bij de RET is dat
ze in eerste instantie intrapersoonlijk werkt. Daarmee wordt bedoeld dat eerst
gekeken wordt naar de opbouw van het individuele opvattingenstelsel van de cliënt,
om pas in tweede instantie te kijken wat daarvan het effect is op de
interpersoonlijke relatievorming.
Ellis en Bernard (1985) noemen in hun boek, dat overigens een zeer goed overzicht
geeft van de verschillende werkvelden van de RET, een aantal specifieke kenmerken
waarin de RET zich onderscheidt van andere psychotherapieën. Een deel van deze
kenmerken overlapt voorgaande paragrafen, een ander deel vormt een uitbreiding
of specificatie.
Aan deze lijst kunnen de volgende typeringen worden toegevoegd:
Als een vrouw bijvoorbeeld de neiging heeft 'verkeerde' partners te kiezen, die na verloop van tijd op haar gaan schelden, wordt haar eigen verklaring dat dit het gevolg is van het feit dat haar vader ook zo kon schelden, voor waar aangenomen. Deze verklaring hoeft niet noodzakelijkerwijs verder geëxploreerd te worden. Er wordt meer tijd besteed aan welk idee de cliënte nu heeft, waardoor ze steeds weer in dezelfde val loopt. Als de vrouw aanvankelijk dacht: 'ik moet alles doen om deze man bij me te houden', geeft ze zichzelf niet de kans om de minder positieve kanten van de man in een vroegtijdig stadium van de relatie te ontdekken.
Wanneer er tijdens de behandeling van disfunctioneel gedrag van een cliënt herinneringen of gebeurtenissen uit het verleden interfereren, kan daaraan een RET-specifieke wijze aandacht worden besteed. Zo behandelde ik (Gidia Jacobs) een vrouw van middelbare leeftijd die last had van evenwichtsstoornissen en vliegangst. Bij het onderzoek naar de vliegangst, kwamen tijdens de verbeeldingsoefeningen bij de vrouw beelden naar boven waarin ze als klein kind ziek boven aan de trap om haar moeder had staan roepen. De cliënte had nooit veel liefde van haar moeder ervaren. In het beeld zag de cliënte zichzelf boven aan de trap staan. Moeder hoorde haar niet. Ze had geen beeld van hoe het indertijd was afgelopen, maar dacht misschien te zijn flauwgevallen. Het gevoel onbeschermd te zijn, maakte dat ze zich extreem kwetsbaar voelde. Het gevoel onbeschermd te zijn, speelde ook bij de vliegangst een grote rol en bleek samen te hangen met het idee, dat als zij in een moeilijke positie zou komen (ziek zijn, vliegen) ze bescherming nodig zou hebben van iemand anders. Er werd gewerkt aan het gegeven dat zij in staat geacht kon worden zichzelf in veel gevallen te beschermen. Ook werd er gewerkt aan de acceptatie van het feit dat er situaties zijn waarin het onmogelijk is (bijvoorbeeld in geval van een neerstortend vliegtuig) jezelf in veiligheid te brengen. De uiterste consequentie daarvan (de dood) moest de cliënte leren accepteren.
Wetenschap
Wetenschap heeft als basis: kennis, weten, of het geheel van menselijk kennis. Maar
ook in hoeverre werkelijk over kennis gesproken kan en mag worden. Dus het is niet
voldoende dat iets waar is, maar juist dat deze kennis een waarheid heeft die meer
universeel, empirisch meetbaar en controleerbaard is (evidence-based) of algemeen
aanvaard is bijvoorbeeld onder vakgenoten (consensus-based).
Deze kennis kan over stoffelijke materie of levende organismen gaan zoals we dat
terugzien in de natuurkunde en de biologie. Het object van studie bij beide verschilt
fundamenteel. Een belangrijk voorbeeld is bijvoorbeeld de 'interactie dynamiek met de
omgeving'. Zo zullen de eigenschappen van water weinig
verschillen in reactie op de omgeving afgezien van temperatuur, druk en volume - die
overigens steeds een wetmatige relatie vertonen - terwijl men bij een boom in
verschillende omgevingen ook een andere groei, ontwikkeling, etc. mag verwachten
die al vaak moeilijk in een wetmatigheid is te vatten. Bij de lagere diersoorten,
primaten en de mens wordt deze interactie dynamiek steeds gecompliceerder en
moeilijker in wetmatigheden vast te leggen. Immers wetmatigheden zijn een basis
voor een kennistheorie zoals wetenschap, zoals we dit zien in de klassieke
wetenschappen als de astronomie en natuurkunde.
- Wetenschap heeft wellicht ook te maken met de nieuwsgierigheid van de mens om dat te
weten wat we misschien wel nooit precies zullen weten zoals onverklaarbare krachten
als de gravitatie- en atoomkrachten, maar ook de aantrekkingskracht die bij liefde
tussen twee mensen plaatsvindt.
- Wetenschap heeft ook te maken met orde op zaken stellen. Iemand zegt dit
nu wel maar waarop gebaseerd, wat zijn de criteria en in hoeverre is de ervaring
objectief in plaats van subjectief bepaald. Objectief omdat het daardoor loskomt
van de persoonlijke criteria die de geldigheid van het gebeuren
marginaliseert of onjuist doet zijn.
- Wetenschap heeft ook te maken met de menselijke onzekerheid of angstreductie. Als de
wetenschap dit heeft aangetoond dan moet het toch wel waar zijn dus... 'mijn
wetenschappelijk opgeleide psychiater die weet wel wat het beste is voor mijn
psychische gezondheid!'
- Wetenschap heeft ook te maken met conditioneren of leren in het algemeen.
Immers als wij ervaren en leren dat iets 'waar' is (vaak vele jaren door
ouders en leraren) dan moet het toch wel waar zijn, want anders is het wel erg
cognitief dissonant met ons eigen denken en beleven. Vaak wordt het eerder geleerde
voor vele jaren als het enig juiste gezien (de eigen wetenschap), zelfs als het
tegendeel is aangetoond.
- Wetenschap heeft ook te maken met tijdsgebonden en cultureel inzicht en kennis, hoe
vreemd dit misschien ook lijkt. Dit komt vooral ook door het begrip consensus.
Een bepaalde groep vakgenoten in een bepaalde tijd zijn het eens met een bepaalde
theorie. Deze theorie werkt volgens hun. Zij zijn opgeleid, hebben kennis van deze
theorie en status dus hun theorie is waar .. of wetenschappelijk verantwoord
(Kuhn's paradigmatisch criterium).
Samenvattend: In de wetenschap (of wetenschappelijke beroepsuitoefening) willen
we iets zéker weten, nodig om het woord wetenschap in zijn juiste betekenis te
kunnen gebruiken. Daarom willen en soms ook moeten we allerlei criteria stellen. Deze
criteria zijn, alhoewel vaak van paradigmatische aard, van groot belang en hierdoor
ontstaat overeenstemming (evidence of consensus-based) onder vakgenoten, van wat
volgens hun wetenschappelijk (of wetenschappelijk verantwoord) is in hun
beroepsuitoefening.
Wetenschappelijke criteria
Als we ervan uitgaan dat deze beroepsgroep psychotherapeuten zijn en ervan uitgaan
dat deze professionals het als hun belangrijkste doel zien: 'het herstellen van de
psychische en sociale problemen bij hun cliënten', dan is dat ook precies waar de
kernvraag ligt. Of anders: hoe weten we (op empirisch wetenschappelijk basis) dat
cliënten die bij psychotherapeuten voor hulp komen, na behandeling ook
effectief hiervan profijt hebben of beter op het psychisch en sociaal vlak minder
problemen ervaren.
Er zijn - zoals uit onderzoek blijkt (zoals effectstudie) - nogal wat zaken die
een rol spelen in het welslagen van psychotherapie. De meest opvallende
zijn de kwaliteit van cliënt-therapeut relatie, motivatie cliënt, sociodemografische
variabelen cliënt, compatibiliteit van cliënt en therapievorm en de ernst van de
stoornis (Klinische psychologie, Smeets, G. e.a., 1999).
In het kort kunnen we zeggen dat het meetobject (de cliënt) maar ook de therapeut als
subject aan een grote diversiteit van biopsychosociale fenomenen en criteria
onderhevig zijn, en van invloed op het slagen van de psychotherapie.
We willen hier dus criteria proberen vast te stellen die de waarheid van
een veronderstelling of uitspraak zoals "RET is een wetenschappelijke
psychotherapie" proberen aan te tonen. Deze wetenschapscriteria zijn onder andere:
- herhaalbaarheid, openbaarheid van gegevens, universele objectiveerbare
controleerbaarheid, consensus onder vakgenoten, empirische relevantie,
kennistheoretische onderbouwing, enzovoort.
Als we het hebben over het feit of een psychotherapie voldoet aan wetenschappelijke
criteria dan is het nodig om dit af te bakenen.
Het voorstel (maar geen oplossing) is om dit als volgt te doen:
Het ligt voor de hand, uitgaande van de functie die psychotherapie hoort
te hebben voor een cliënt in behandeling, dat het meer wetenschappelijk zijn van een
psychotherapie een positieve relatie heeft met het effectief zijn van een
psychotherapeutische behandeling.
De laatste twintig jaar zijn diverse psychotherapie effectstudies
gedaan zoals (Smith M.L. e.a., 1980; Hollon S.D., 1992; Shea, Wigier & Klein, 1992;
Dreessen & Arntz, 1998; Hollon S.D., 2002 ) waaruit de effectiviteit van cognitieve
gedragstherapie (zoals de RET dit is) opvallend vaak t.o.v. andere psychotherapieën,
is aangetoond. Op dit punt zou men dus kunnen zeggen dat als Albert Ellis stelt:
"RET is een wetenschappelijke therapie" hij gelijk heeft als het gaat om het meer
effectief zijn van de RET als therapie t.o.v. andere beschikbare therapieën, maar
uitgaande van de eerdere vooronderstellingen kan dit alleen maar duiden op het meer
wetenschappelijk zijn in relatieve zin maar niet in absolute zin.
Onze conclusie is dus: dat cognitieve gedragtherapie (dus ook de RET) een meer
effectieve psychotherapie is dan andere psychotherapieën zoals blijkt uit diverse
wetenschappelijk verantwoorde effectstudies op dit gebied.
Dat wil dus zeggen het meer wetenschappelijk zijn is duidelijk wat anders dan
(overigens met alle respect) door Albert Ellis spreken van een wetenschappelijke
psychotherapie.
Want volgens ons geldt ook voor de RET de uitspraak van Karl Popper (bekend
wetenschapsfilosoof) uit "Wetenschap, gissingen en weerleggingen", waarin Popper
namelijk een onderscheid ziet tussen de astrologie, Marx' theorie van de
geschiedenis, Freuds psychoanalyse en Adlers individualpsychologie aan de ene kant
en de relativiteitstheorie van Einstein aan de andere kant. Zijns inziens kunnen de
eerste vier theorieën vooral teveel verklaren. Men kan zich zelfs bar weinig
voorstellen dat deze theorieën niet kunnen verklaren. De relativiteitstheorie van
Einstein doet juist riskante voorspellingen en is onverenigbaar met bepaalde
denkbare waarnemingen. Het demarcatiecriterium van Popper stelt dat een theorie
alleen wetenschappelijk kan worden genoemd indien ze in conflict kan komen met
mogelijke, voorstelbare waarnemingen.'
Stof tot nadenken
Volgens de redactie van CCGT biedt dit alles voldoende stof tot nadenken.
Als u wilt reageren dan kan dat natuurlijk: email: ccgt@casema.nl

Bron: Rationeel-emotieve therapie (Jacobs, G., 1998),
isbn: 9031326593, Bohn Stafleu Van Loghum
