Logo CCGT
  • Home
  • Therapieën
  • Relevante websites
  • Actueel
  • Bronnen
  • Encyclopedisch woordenboek
  • Opleidingen
  • Informatie
Foto CCGT

Bronnen:

  • Boekbespreking
  • CGT literatuur
  • Artikelen
  • Capita selecta

Capita selecta - september 2003

CCGT

Is de RET wetenschappelijk te noemen?

Speciaal in verband met het feit dat de vader en pionier van de RET (Rationeel-Emotieve Therapie) Albert Ellis deze maand 90 jaar wordt, leek het de CCGT-redactie een goed idee om deze maand speciale aandacht aan de RET te besteden. Er is binnen de psychologie en in het algemeen binnen de sociale wetenschappen altijd veel te doen geweest over 'het wetenschappelijk zijn'. Het is om deze reden ook dat vakken als methode en technieken, statistiek en het gebruik van betrouwbare en valide tests een niet meer weg te denken (noodzakelijk objectiverend) onderdeel vormen bij onderzoek in de sociale wetenschappen en bij de psychologie: 'het kennis op doen van psychologische fenomenen bij mensen'. Zo worden parapsychologie en psychoanalyse steeds meer om reden van bijvoorbeeld objectiveerbare toetsbaarheid (Karl Popper) steeds meer als niet-wetenschappelijk gezien. In de psychotherapie gaat het dan speciaal om oorzaken die bij mensen psychisch lijden veroorzaken voor de persoon of zijn omgeving en hoe men deze het beste kan verlichten of verhelpen. De vraag waar we hier mee starten zou dus kunnen zijn:
Voldoet RET als psychotherapie aan wetenschappelijke criteria?
Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten we eerst weten wat RET is en uiteraard wat wetenschappelijke criteria zijn.

    Hier een overzicht:

    Rationeel-emotieve therapie
  • Inleiding RET
  • RET - Toepassingen en doelgroepen
  • Diversiteit aan toepassingsgebieden
  • Cliëntenpopulatie
  • RET - Beperkingen
  • RET - Theorie en filosofie
  • RET - Beïnvloeding van het denken
  • Rationeel en irrationeel denken
  • RET - Filosofie
  • Filosofische uitgangspunten
  • Kenmerken van de RET

    Wetenschap en criteria
  • Wetenschap
  • Wetenschappelijke criteria
  • Stof tot nadenken

Inleiding RET

De geschiedenis van RET
De Amerikaanse psycholoog Albert Ellis, geboren in 1913 te Pittsburg, is de grondlegger van de RET. Ellis heeft zich laten inspireren door de filosofische werken van onder anderen Epictetus, Marcus Aurelius, John Dewey en Bertrand Russell. Daarnaast was hij aanvankelijk vooral geïnteresseerd in seksualiteit en liefdesrelaties (Ellis & Bernard, 1985; Schiller & Ellis, 1992). Vrienden kwamen bij hem voor advies en toen ze hier baat bij bleken te hebben, besloot Ellis seksuoloog te worden en ging psychologie studeren. Hij volgde de opleiding tot psychoanalyticus, behaalde zijn doctoraat in 1947 en werkte tot 1953 met deze methode. Ellis las werk van Adler, Horney, Frankl en anderen en kreeg steeds meer problemen met de inefficiëntie van de psychoanalyse in de praktijk. Hij probeerde nog enige tijd om de theorie te verwetenschappelijken, maar verliet haar uiteindelijk om zijn eigen theorie te ontwikkelen.

Aanvankelijk, zo rond 1955, noemde Ellis zijn theorie: 'Rational Therapy' (RT). Omdat er geen absolute criteria zijn voor wat als rationeel en als irrationeel gezien moet worden, en omdat een omschrijving van rationeel als 'logisch en empirisch' niet voldoende is, zegt Ellis dat het woord rationeel eigenlijk niet zo goed gekozen is (Ellis, 1995). Als hij de naam opnieuw kon bepalen, zou hij gekozen hebben voor cognitief-emotieve therapie. In Nederland heeft het woord rationeel in het dagelijks taalgebruik een negatieve connotatie: het wordt nogal eens gebruikt als tegenovergestelde van 'emotioneel', alsof rationaliteit en emotionaliteit elkaar uitsluiten. Daarbij wordt 'rationeel' nogal eens verward met rationaliseren.

In het begin van de jaren zestig besloot Ellis mede onder invloed van Robert Harper de naam in 'Rational-Emotive Therapy' (RET) te veranderen (Ellis, 1993). In de praktijk van de RET werd namelijk veel gewerkt met emotionele confrontaties en stond het veranderen van gevoel, weliswaar via het denken, centraal. In 1993 veranderde Ellis de naam RET opnieuw, nu in REBT, 'Rational-Emotive Behaviour Therapy' (Ellis & Dryden, 1993). Ellis vindt dat deze naam meer recht doet aan wat de RET is, omdat ze altijd veel aandacht heeft besteed aan gedachten, emoties én gedrag. Daarnaast geeft hij aan dat de RET, van de cognitieve psychotherapieën, altijd al het meest gedragsmatig georiënteerd is (Ellis, 1995).

Aan Ellis' pionierswerk zaten twee kanten. Zijn ideeën, bijvoorbeeld op het gebied van de seksualiteit, waren erg voortvarend voor zijn tijd en zeer in strijd met de gangbare opvattingen van het Amerikaanse volk, waardoor hij enerzijds als een voorvechter van de seksuele revolutie werd gezien, maar anderzijds ook veel weerstand opriep. In het boek 'Sex without guilt' (1958) schrijft hij dat hij zijn artikelen over dit onderwerp aanvankelijk niet gepubliceerd kreeg. Hoewel hij van verschillende uitgevers te horen kreeg dat de artikelen goed geschreven waren, durfden ze over het onderwerp niet te publiceren.

In die tijd betekende Ellis' theorie een breuk met de gangbare wijzen van psychotherapie, waardoor zijn ideeën met argwaan werden bekeken. Daarbij kan en kon Ellis vanuit zijn gedrevenheid cliënten optimaal te helpen, in het openbaar nogal eens uithalen naar andere, in zijn ogen minder efficiënte vormen van psychotherapie, waarmee hij de toch al bestaande weerstand tegen zijn opvattingen nog eens versterkte.

Ellis publiceerde zeer veel artikelen en boeken (en doet dat nog steeds) en na verloop van tijd vond zijn werk meer gehoor bij vakgenoten. Zijn pionierswerk groeide uit tot een Instituut met eigen opleidingsfaciliteiten. Vele psychologen hebben zich door Ellis laten beïnvloeden, bijvoorbeeld Lazarus, Mahoney, Meichenbaum en Beck. Ellis wordt zodoende ook wel de grootvader van de cognitieve gedragstherapie genoemd (American Psychologist, 1986). Gedragstherapeuten wilden aanvankelijk weinig weten van de cognitieve stroming binnen de psychotherapie. Het zijn Meichenbaums zelfinstructie-training en later Becks cognitieve therapie geweest, die vanwege de simpele weergave van de cognitieve principes wél gehoor vonden bij de gedragstherapeuten (Hawton e.a., 1989).

RET - Toepassingen en doelgroepen

Eenvoudig of complex?
Aan de methode van de RET ligt een algemene theorie over menselijk functioneren ten grondslag. Vanuit de RET-theorie over het psychisch functioneren worden hypothesen opgesteld over de cognitieve structuren van het individu. Er wordt uitgegaan van het idee dat meerdere 'irrationele kerngedachten' latent of manifest aanwezig zijn en dat die van invloed zijn op verschillende gebieden van het functioneren van de persoon. Er zijn meerdere benamingen in omloop waarmee verwezen wordt naar deze cognitieve structuren. Inmiddels zijn de begrippen 'cognitieve schema's' of 'scripts' gangbaar. Een script of cognitief schema is een soort intern werkmodel (een term uit de gehechtheidstheorie) dat informatie bevat over het zelf, de ander en de omringende wereld. Op basis van een combinatie van genetische aanleg en ervaringsleer bouwt iedereen scripts of schemata op over het geen te verwachten valt in de werkelijkheid. Deze scripts vormen de leidraad voor het handelen van het individu. Aan de hand van hypothesen over de inhoud van de basisideeën (of stelsel van basisideeën = script) kan men met behulp van het ABC-model de individueel geldende afgeleiden of inhouden op hun bruikbaarheid toetsen en veranderen.

De RET methode is zowel op eenvoudige problemen als op meer complexe problematieken van toepassing. Er wordt echter wel eens gedacht dat RET uitsluitend voor enkelvoudige en gemakkelijke problemen toepasbaar zou zijn. Het is niet precies te achterhalen hoe dit misverstand in de wereld is gekomen. Ook de gedragstherapie wordt wel van simplisme en symptoombestrijding beticht (Korrelboom & Kernkamp, 1993). Mogelijk geeft het ABC-model, de methode waarmee de theorie van de RET in de praktijk gebracht wordt op zichzelf aanleiding tot het idee dat er sprake is van een eenvoudige aanpak. Daarnaast zijn een aantal boekjes dat in Nederland is verschenen (mogelijk) debet aan dat imago, bijvoorbeeld: 'Ik kan denken, voelen wat ik wil' (Diekstra, 1976). Wellicht onbedoeld kunnen dergelijke boekjes aanleiding geven te denken dat RET zo eenvoudig is als het opzeggen van het ABC. Enkele collega's die ik in dit verband vroeg naar indicaties en contra-indicaties voor RET zeiden daarover dat hen, naarmate ze meer met RET werkten, RET bij uitstek geschikt blijkt voor meer complexe problematieken. Schoemaker (1991) rapporteert dat RET goed werkt bij de verwerking van seksuele trauma's omdat het de cliënten directe controle en zichtbare successen biedt. Cladder & De Waart (1997) passen de RET toe als onderdeel van een (semi)residentiële behandeling voor kinderen met emotionele stoornissen.

Diversiteit aan toepassingsgebieden

Albert Ellis heeft zijn theorie oorspronkelijk uitgewerkt met 'seksualiteit en relatieproblemen' als toepassingsgebied (bijvoorbeeld Ellis, 1952, 1954,1958, 1963). Uitbreidingen, verfijningen en andere specifieke toepassingen binnen dit thema vonden later plaats (bijvoorbeeld Broder, 1985; Ellis, 1989).

De RET werd door Janet Wolfe (Ellis' partner) bewerkt voor specifieke vrouwenproblematieken, die onder andere vanuit de vrouwenbeweging naar voren kwamen (Wolfe 1985, 1995). Zo schreef zij ook een zelfhulpboek voor vrouwen die meer behoefte aan seks hebben dan hun man (Wolfe, 1992).

Ellis pleit voor een brede toepassing van de RET op onderwijsgebied (1966, 1993). Pogingen hiertoe zijn eerder door hemzelf ondernomen, bijvoorbeeld door het opzetten van de 'School for Rational Living'. In Nederland kreeg voor het onderwijs met name het boekje Rationeel Emotieve Educatie (Diekstra e.a., 1982) bekendheid. Michael Bernard (o.a. 1984), Ann Vernon (1989), maar ook Ray DiGiuseppe (o.a. 1983, 1989) hebben in navolging van Ellis' belangstelling voor opvoeding en educatie veel werk verricht op het gebied van theorievorming, diagnostiek en methodiekontwikkeling voor kinderen en adolescenten. RET is goed toepasbaar bij ouderbegeleiding, maar daar is tot op heden relatief weinig over gepubliceerd (wel bijvoorbeeld Van Londen e.a., 1979 en een zelfhulpboek van Vernon & Al-Mabuk, 1995). Huber & Baruth (1989) integreerden de RET met Systeemtheorie.

Op het gebied van de sociaal medische gezondheidszorg zijn eveneens toepassingen ontwikkeld. Zo zijn er programma's gemaakt voor de verslavingszorg (Ellis e.a., 1988; Velten, 1986). En er zijn boeken en artikelen verschenen over hoe om te gaan met sterven en chronische ziekte (Johnson, 1981, Ellis & Abrams, 1994). Ook ter bevordering van algemene gezondheid en gewichtscontrole verschenen artikelen (Raitt, 1986). In Nederland zijn toepassingen bekend binnen de huisartspraktijk (Stapel & Jacobs, 1998) en de intramurale gezondheidszorg.

Twee andere belangrijke toepassingsgebieden die vooral de laatste jaren veel aandacht hebben gekregen, zijn stress en burnout (Vernon, 1995). In Nederland verschenen verschillende populaire boekjes op deze gebieden (bijvoorbeeld IJzermans & Dirkx, 1993) en bijvoorbeeld ook een handleiding voor trainers (IJzermans & DiMattia, 1993).

De opsomming van toepassingsgebieden is hiermee niet compleet. Naast bovengenoemde aandachtsgebieden vinden we toepassingen op het gebied van geloof, verschillende culturen, professionele sport en in het artistieke veld. Ook is het mogelijk om naar de toepassing van RET te kijken vanuit verschillende emotionele en gedragsproblematieken, zoals schuldgevoelens, rouwverwerking, angstklachten, kwaadheid en uitstelgedrag. Over sommige van deze gebieden zijn populair wetenschappelijke boekjes verschenen in het Engels en Nederlands.

Cliëntenpopulatie

De cliëntenpopulatie waarvoor RET geschikt is, werd al omschreven aan de hand van de in de vorige paragraaf genoemde probleemgebieden. In feite kunnen alle mensen die in meer of mindere mate disfunctioneel gedrag vertonen of problemen hebben met de emotieregulatie, baat vinden bij de RET. Wellicht wordt de doelgroep het beste omschreven aan de hand van voorbeelden:

  • mensen die slecht met druk vanuit de omgeving kunnen omgaan (stress);
  • mensen met klachten zoals depressiviteit, paniekaanvallen, situatie-specifieke angsten, slaapproblemen of hyperventilatie;
  • mensen met woedeproblemen;
  • mensen die problemen hebben met intimiteit, afhankelijkheid, seksualiteit; met het aangaan, handhaven en verbreken van relaties (zowel op het werk als in de privé sfeer); of met rouwverwerking;
  • mensen die traumatiserende gebeurtenissen hebben meegemaakt en er moeite mee hebben deze ervaringen adequaat te verwerken;
  • werknemers die niet adequaat functioneren op de werkplek (bijvoorbeeld na een reorganisatie);
  • werknemers die geen prioriteiten kunnen stellen, belangrijke klussen uitstellen en minder relevante zaken voorrang geven;
  • mensen die beneden hun niveau presteren of die last hebben van faalangst;
  • leden van een team of een gezin die steeds weer op ogenschijnlijk onoplosbare conflicten stuiten;
  • mensen die moeite hebben met het accepteren van een medische aandoening of handicap.

    De RET kan individueel of in groepen toegepast worden. De RET kan geleerd worden aan professionals en aan leken. Het meest gangbaar zijn de curatieve toepassingen van de RET. Daarnaast kan de RET preventief worden toegepast. Zo zijn er curricula ontwikkeld binnen het onderwijs en het management.

    Voor de indicatiestelling in het geval van curatieve toepassing wordt, behalve van de diagnostiek op basis van het ABC-model ook gebruik gemaakt van internationaal gangbare diagnostische methoden, zoals het DSM-IV-classificatiesysteem (1994). In DSM-IV termen is de RET zowel bruikbaar bij As-I als bij As-II-problematiek.

    Tot slot een cliënt op wie de RET van toepassing is en die gemakkelijk zou kunnen worden vergeten: de therapeut zelf! Ellis schreef hierover een nuttig hoofdstuk met als titel: 'How to deal with the resistance of your most difficult client: YOU', vrij vertaald: 'Uw moeilijkste cliënt: dat bent u zelf!'. Het is belangrijk dat de RET-therapeut de RET-principes op zichzelf leert toepassen. De therapeut kan de methode op zijn eigen alledaagse problemen toepassen en leren zichzelf daar discipline in op te leggen. Er kan geoefend worden met collega's in intervisie. Het is bijvoorbeeld uiterst leerzaam voor de therapeut om blootgesteld te worden aan dezelfde huiswerkoefeningen die hij in de toekomst aan zijn cliënten zal geven. De RET grondig en frequent op uzelf leren toepassen is een belangrijk hulpmiddel bij het goed leren toepassen van de methode in de therapeutische praktijk.

    RET - Beperkingen

    Uiteraard zijn er beperkingen in de toepassingsmogelijkheden van de RET aan te geven, zoals bij iedere theorie en methode het geval is. In meer algemene zin wordt aangenomen dat er meer beperkingen aan de methode zijn, naarmate de psychosociale problematiek van de cliënt complexer in elkaar steekt. Er is ook een verband met de duur van de problematiek en de hardnekkigheid (inflexibiliteit) ervan. De RET werkt, net als andere methoden, sneller en effectiever bij mensen met een hoger intelligentieniveau die verbaal goed functioneren, reeds over een zekere mate van introspectieve capaciteiten beschikken en bijvoorbeeld al zelfhulpboeken hebben gelezen. De RET is echter ook goed bruikbaar bij mensen die intellectueel gezien minder begaafd zijn, verbaal niet zo sterk zijn en weinig probleeminzicht hebben. Het veranderingsproces zal dan wellicht anders verlopen en het vergt wellicht een meer creatieve en flexibele aanpak van de therapeut.

    Andere factoren waarvan bekend is dat ze een grote rol spelen in de mogelijke effectiviteit van een therapie zijn onder andere: de bereidwilligheid van de cliënt om zich in te spannen voor verandering (motivatie) en de 'match' tussen therapeut en cliënt.

    Er zijn voor zover ons bekend uit de literatuur, geen specifieke contra-indicaties voor de toepassing van RET bij neurotische klachtenpatronen. Wel is een juiste timing en dosering van interventies van groot belang bij meer complexe problematiek. Daarbij is het van belang dat er een duidelijk diagnostisch beeld verkregen wordt van de individuele problemen en/of de gezinsproblematiek, van waaruit de marges van de (veranderings)mogelijkheden van de cliënt ingeschat kunnen worden. Naar aanleiding van de diagnostiek kunnen doelstellingen voor behandeling of begeleiding met behulp van de RET bepaald worden.

    Wessler vindt de RET meer geschikt voor de neurotische populatie en bij persoonlijkheidsstoornissen gecontra-indiceerd. Voor deze specifieke doelgroep ontwikkelde hij de 'Cognitive Appraisal Therapy' (1993). Anderen (bijvoorbeeld Linehan, 1996; Bögels & Arntz, 1996) ontwikkelden echter op basis van de bestaande cognitieve gedragstherapeutische methoden protocollen ten behoeve van bijvoorbeeld borderlineproblematiek.

    Het is bekend dat ingeval van ernstige psychiatrische problematiek de beperkingen ten aanzien van verandering groot kunnen zijn. Dit is mede afhankelijk van de medicamenteuze mogelijkheden en de therapietrouw. De bruikbaarheid van de RET is hierbij vooral gelegen in het bieden van hulp bij de acceptatie van de problematiek. Mensen kunnen in principe met hun (chronische) handicaps leren leven, of die nu op het psychische vlak, op het sociale vlak, op het cognitieve vlak (bijvoorbeeld een beperkte mate van intelligentie) of op het lichamelijke vlak (bijvoorbeeld het moeten missen van bepaalde ledematen) liggen. Een cliënt die vanwege een psychiatrisch ziektebeeld weinig spanning kan hebben, zal 'verkeerde' banen kiezen wanneer hij de stoornis onvoldoende onderkent of accepteert. Het gevolg is dat hij de baan na verloop van tijd niet aan zal kunnen en (opnieuw) een faalervaring opdoet. Het is echter niet altijd mogelijk (maar wel wenselijk) om mensen te helpen hun handicap te leren accepteren. Hoewel cognitieve methoden in de psychiatrie nog geen gemeengoed zijn, wint de cognitieve therapie ook daar aan terrein. Voor geïnteresseerden wordt verwezen naar Olevitch, 1995 (zie CGT literatuur).

    Ten slotte volgt een casus van Albert Ellis (1992), die in dit verband leerzaam en vermakelijk is. Het voorbeeld geeft zowel de beperking als de reikwijdte van de toepasbaarheid van de RET goed weer.

    Ellis werd geconsulteerd door een 79-jarige man, die dacht dat de FBI zijn omgeving de opdracht had gegeven hem te boycotten, omdat hij zich ooit kritisch over de FBI had uitgelaten. De man had eerder een psychiater geconsulteerd, die de diagnose 'paranoia' had gesteld. De man was daar zeer verontwaardigd over en wilde geen medicatie gebruiken. De man wilde dat de FBI zou stoppen hem het leven zuur te maken en vroeg Ellis om hulp. Ellis constateerde dat de man geen gevaar voor zijn omgeving betekende, goed voor zichzelf zorgde, en een redelijk sociaal netwerk had. Hij koos ervoor de man als volgt te benaderen. Hij liet de weerstand van de man tegen de diagnose, die onherroepelijk juist was, links liggen. Hij kwam samen met de man tot de conclusie, dat er geen enkele weg was om de FBI te doen stoppen. Ellis zei de man, dat hij in feite de FBI beloonde en het FBI-plan bekrachtigde door hen te laten zien dat hij zich er zo door liet beïnvloeden en er bang voor was. Dit argument sprak de man aan. Ellis stelde voor om hem te helpen minder bang te zijn voor de achtervolgingen en de vervelende trucs die de FBI met hem uithaalde. De man stemde daarmee in en leerde de voor hem nare `realiteit` te accepteren.

    RET - Theorie en filosofie

    Theorie
    De samenhang tussen gevoel, gedrag en gedachte
    In de jaren tachtig was een levendige discussie gaande of de RET als een theorie gezien moest worden die de prioriteit legt bij de cognitieve aspecten van het menselijk functioneren (lineair verband tussen cognitie en emotie), of dat er sprake was van een interactionele visie op persoonlijkheid (zie bijvoorbeeld Mahoney e.a., 1989). Ellis zelf stelt dat zijn theorie van een interactioneel model uitgaat. In zijn eerste boek over de theorie en filosofie van de RET, stelt hij dat denken en voelen geen verschillende processen zijn, maar dat deze processen elkaar overlappen en sterker nog, in essentie gelijk zijn. Het gevoel en het denken beïnvloeden zowel elkaar als het gedrag en zijn ook met situationele factoren in interactie (Ellis, 1962; 1977a). Smith nuanceert deze bewering van Ellis: voelen en denken beïnvloeden elkaar weliswaar wederkerig, maar zijn in feite verschillende entiteiten. Hij ondersteunt dit met empirisch onderzoek naar de samenhang tussen emotioneel beleven en cognities (Smith, 1989). Mensen kunnen meerdere gevoelens ervaren bij een gebeurtenis. Iemand kan zich bijvoorbeeld naar aanleiding van ontslag van het werk zowel kwaad maken als zich schuldig voelen. De cognitie die gepaard gaat met kwaadheid bijvoorbeeld, is: 'Ze hadden me dit ontslag niet zo abrupt mogen geven'. De cognitie die samengaat met schuldgevoel is bijvoorbeeld: 'Ik had die stomme fout niet mogen maken; ik ben een onprofessionele oen'.

    In het schema dat Ellis ontwikkelde en dat binnen de RET-methode wordt gebruikt bij de aanpak van emotionele en gedragsproblemen (het ABC-model) worden situatie, gevoel, gedrag en gedachten duidelijk onderscheiden. Dit heeft onder andere te maken met de manier waarop geïntervenieerd wordt in de problematiek van de cliënt. Al deze vier ingangen (situatie, gevoel, gedrag en gedachten) kunnen onderzocht worden op hun toegankelijkheid voor verandering. Als start voor de interventies wordt vaak gekozen voor de ingang die klinisch gezien het meest relevant lijkt en die het meest te maken heeft met het psychisch functioneren van de cliënt (dus: gevoel, gedrag of gedachten). Vanuit de interactionele visie maakt het weinig verschil voor welke ingang wordt gekozen. Immers, verandert een gevoel, dan zullen in principe ook het denken en doen beïnvloed worden; verandert het gedrag, dan zullen ook het denken en gevoel veranderen.
    Deze dynamiek en samenhang zijn zichtbaar gemaakt in onderstaande figuur.
    CCGT







    Dit interactionele principe wordt hier 'de driehoek' genoemd. Teneinde verandering te bewerkstelligen bij de cliënt worden in de RET dan ook zowel cognitieve als emotieve en gedragsmatige interventiemethoden gebruikt.

    Het kan zijn dat een van de drie componenten bij een persoon het meest in het oog springt; men noemt zichzelf 'een gevoelsmens' 'een doe-mens' of een 'denker'. Welk aspect het sterkst naar voren komt, is vaak mede afhankelijk van de situatie. Bij een overlijden komt het gevoel het sterkst naar voren, maar als er een auto-ongeluk plaatsvindt, staat accuraat handelen veelal voorop. Bij overleg over moeilijke kwesties in een organisatie valt vooral de denkactiviteit op.

    Als iemand zegt: 'Ik ben een gevoelsmens', wil dat niet zeggen dat hij zijn verstand niet gebruikt. Hij concentreert zich waarschijnlijk in zijn beleving het meest op zijn emotionele en fysieke reacties tijdens gebeurtenissen. Voor de 'denkers' en de 'doeners' geldt hetzelfde: ze zijn meer bekend met die component van hun functioneren. Wanneer de denkactiviteit overmatig is geworden, vraagt de 'denker' zich af: 'Kom ik ooit van dat getob af?' Hij zal minder gauw over zichzelf spreken als angstig of depressief. De 'doeners' zijn geneigd om gemakkelijk over gevoelens heen te stappen onder het motto: 'Je moet niet zeuren', of 'Je moet daar niet te lang bij stilstaan'.

    Mensen kunnen meerdere gevoelens ervaren naar aanleiding van één gebeurtenis. Adequate gevoelens en gedragingen en inadequate gevoelens en gedragingen kunnen zich tegelijkertijd aandienen. Er zijn dan in feite meerdere driehoeken tegelijkertijd actief.

    Een voorbeeld: een cliënt belt de huisarts op. Ze wil medicijnen voorgeschreven krijgen voor haar paniekaanvallen en vermeldt welk middel ze daar eerder voor heeft gebruikt. De huisarts legt een recept klaar, maar dit blijkt een ander middel te zijn. De cliënt ontsteekt ter plekke in woede en wil onmiddellijk een afspraak maken bij de assistente om de huisarts van katoen te geven. Tegelijkertijd realiseert ze zich dat woede haar niet dichter bij haar doel brengt en ze besluit naar huis te gaan. Ondertussen blijft de woede actief en ze besluit een borrel te drinken om te kalmeren.

    In dit voorbeeld zijn zowel een 'inadequate driehoek' als een 'adequate driehoek' werkzaam. Het gevoel in de inadequate driehoek is evident: woede. Dit gaat gepaard met de neiging om de huisarts van katoen te geven (gedrag). De cognitie die hiermee samengaat, is: 'Hij moet mij geven waar ik om vraag en niet zonder overleg tot iets anders beslissen, de zak'.

    De adequate driehoek ziet er als volgt uit. Gedrag: ze gaat naar huis. Cognitie: 'woedend worden brengt mij mogelijk niet dichter bij mijn doel'. De bijpassende emotie kan zijn: diepe teleurstelling of ergernis. De cliënt zal zich deze emotie echter nauwelijks gewaar worden, doordat woede zo'n overheersend gevoel is. Het adequate gedrag biedt derhalve nog geen garantie dat de woede ook verdwijnt. Hoewel we eerder aangaven dat, wanneer gedrag verandert, ook gedachten en gevoel mee-veranderen, voegden we daar met opzet het 'in principe' aan toe. Sommige cognities zijn zo krachtig dat ze niet automatisch weggewerkt worden door het juiste gedrag te vertonen. Deze moeten apart bewerkt worden.

    De RET-therapeut onderzoekt of er in een situatie sprake is van verschillende driehoeken. De wijze waarop de verschillende inadequate en adequate gevoelens elkaar ondersteunen of tegenwerken kan van belang zijn voor de interventies die worden toegepast.

    De interactie met de situatie en de persoonlijke doelen
    In een belangwekkend artikel van Ellis uit 1991, genaamd The revised ABC's of RET, wordt bovenstaande interactionele visie verder uiteengezet. Behalve de interactie tussen gevoel, gedrag en gedachten, is er tevens sprake van een voortdurende samenwerking van deze drie elementen met de persoonlijke doelen van de cliënt en met aspecten uit zijn persoonlijke situatie.

    De doelen (Ellis noemt ze G's, van 'goals') omvatten onmiskenbaar cognitieve, emotieve, gedragsmatige en fysiologische elementen en de persoonlijke doelen van de cliënt creëren ook verschillende situaties (A's), gedachten (B's) en gevoel en gedrag (C's). Als voorbeeld gebruikt Ellis het doel 'overleven'. Iemand die hongerlijdt, ziet bijvoorbeeld meer dingen voor eten aan dan iemand die geen honger heeft en zal specifiek zoekgedrag vertonen.

    De relatie tussen de situatie enerzijds en het gevoel, het gedrag en de gedachten anderzijds, ziet Ellis eveneens als interactief en wederkerig. De situatie (A) waarin iemand zich bevindt omvat cognitieve, emotieve, gedragsmatige en fysieke componenten en de situatie zelf draagt ook bij aan wat iemand denkt, voelt of doet. Ook de frequentie, duur en intensiteit van A kunnen van invloed zijn op hoe iemand zich voelt of wat hij denkt. Ellis gebruikt een voorbeeld van kritiek krijgen. Bij voortdurende en ernstige kritiek kan iemand, die oorspronkelijk niet specifiek overgevoelig is voor kritiek, toch de gedachte krijgen dat hij niet tegen deze (hoeveelheid) kritiek kan.

    Ten slotte zijn ook de persoonlijke doelen (G) en de situatie (A) met elkaar in interactie. Indien iemand het doel heeft beroemd te worden, zal hij proberen bepaalde situaties te creëren. Indien iemand vervolgens constateert dat de gecreërde situaties niet tot het gewenste doel leiden, verandert hij mogelijk zijn doel.

    CCGT


    RET - Beïnvloeding van het denken

    Van oudsher wordt in de RET veel aandacht besteed aan het beïnvloeden van het denksysteem van de cliënt. Smith (1989) verwijst hiervoor naar een historische verklaring van Ellis zelf, namelijk dat zijn theorie met name het verschil (het cognitieve aspect) met de gangbare theorieën van die tijd wilde benadrukken. Mahoney e.a. (1989) verwijzen naar een uitspraak van Dryden en Ellis, waarin zij stellen dat een interactief model niet noodzakelijkerwijs betekent dat de drie aspecten evenveel van de variatie in het psychologische disfunctioneren verklaren. Aan de cognities wordt binnen dit model een centrale rol toegekend.

    Een andere reden om cognities een centrale plaats te geven is dat het denken van de cliënt doorgaans relatief gemakkelijk toegankelijk is. We kunnen iemand letterlijk vragen naar zijn gedachten. Doorvragen naar onduidelijkheden levert meestal meer informatie op. Daarbij zijn mensen gewend om via het gesprek hun ideeën over zichzelf en de wereld te uiten. Het beïnvloeden van het denken via de taal is een logische aanpak, daar taal en denken nauw met elkaar samenhangen.

    Een volgende reden voor de nadruk op de cognities, is dat generaliserende effecten worden verwacht wanneer belangrijke opvattingen van de cliënt wijzigingen ondergaan. Een opvatting is immers doorgaans geen losstaande bouwsteen, maar maakt deel uit van een groter stelsel van opvattingen. Wanneer de kwaliteit van bepaalde bouwstenen verandert, beïnvloedt dat (mogelijk) de omliggende bouwstenen. Als een cliënt bijvoorbeeld aanvankelijk vindt dat hij alles perfect moet doen en gedurende de therapie leert dat hij fouten mag maken, kan dit mede het effect hebben dat hij meer risico's durft te nemen of zichzelf minder controleert.

    In de RET wordt in feite, zonder afbreuk te doen aan het belang van de samenhang tussen gevoel, gedachten en gedrag, als eerste ingang tot verandering gefocust op het beïnvloeden van de denkprocessen van de cliënt.

    De RET veronderstelt dat het vooral de opvattingen van de cliënt zelf zijn over de situatie waarin hij verkeert, waarmee hij het zichzelf moeilijk kan maken. Immers, een situatie kan op zichzelf moeilijk, lastig of ingewikkeld zijn, maar dat hoeft nog niet per definitie te leiden tot disfunctioneren. Hoe goed of slecht mensen onder een moeilijke situatie functioneren hangt onder andere af van hoe zij de situatie interpreteren, wat ze willen in de gegeven situatie of hoe ze vinden dat het moet zijn. Wensen, eisen, verlangens, idealen, ideeën, beschouwingen en opvattingen zijn allemaal cognitieve aspecten van ons functioneren. Een deel van de opvattingen zijn mensen zich bewust, maar van een deel van de opvattingen zijn mensen zich minder of helemaal niet bewust. Zonder zich bepaalde opvattingen te realiseren, kan men zich daar echter wel naar gedragen. In de RET wordt zowel met de bewuste als met de minder bewuste denkprocessen gewerkt. Deze minder bewuste processen kunnen doorgaans met behulp van eenvoudige middelen in het bewuste worden gebracht, waarmee ze toegankelijk worden voor bewerking.

    Het aanspreken van het denksysteem van de cliënt, begint bij de RET al in de eerste bijeenkomst. Immers, eerst moet de cliënt het met de therapeut eens zijn dát er veranderd moet worden, om vervolgens overeenstemming te bereiken ten aanzien van wát er veranderd moet worden. Hiervoor zijn een aantal belangrijke logische operaties nodig. Ellis en Harper (1975) spreken in dit verband over drie typen inzicht.

  • Het eerste is dat de cliënt onderkent dat er een bepaald probleem bestaat, waar bepaalde oorzaken voor aan te wijzen zijn.
  • Het tweede is dat we irrationele ideeën hebben die verantwoordelijk zijn voor de emotionele problematiek.
  • Het derde inzicht stelt dat het 'hard werken' is om deze ideeën te veranderen.

    De RET geeft daarom niet alleen inzicht aan de cliënt in waar de schoen wringt (probleemanalyse). Er wordt een doel gesteld en de RET-therapeut helpt de cliënt zijn doel te bereiken door middel van uitdagingsprocessen. Het cognitieve uitdagingsproces neemt hierbij een belangrijke plaats in: de cliënt wordt door middel van (soms heftige) discussies over zijn opvattingen uitgedaagd, om anders te gaan denken. Als de cliënt zijn irrationele opvattingen niet grondig aanpakt, vindt er geen integratie van het nieuwe gedrag plaats. Daarmee blijft de kans op herhaling van disfunctioneel gedrag tamelijk groot. Immers, de cliënt heeft zichzelf een truc aangeleerd, waarmee hij zich in bepaalde situaties kan redden, maar die in andere situaties mogelijk niet werkt. In de RET wordt echter geprobeerd blijvende gedragsverandering te bewerkstelligen via een fundamentele wijziging in het denken/de filosofie van de cliënt.

    Ter verduidelijking sluiten we aan bij het voorbeeld eerder van de vrouw die woede op haar huisarts bleef voelen omdat zij niet die medicijnen voorgeschreven kreeg die ze wilde. De opvatting van deze cliënte was: 'Hij moet mij geven waar ik om vraag en niet zonder overleg tot iets anders beslissen, de zak'.

    Indien ze haar opvatting verandert in: 'Huisartsen zijn ook maar mensen, die kennelijk niet meteen begrijpen wat ik bedoel', zal de woede verdwijnen en zal ze vrijheid van keuze hebben ten aanzien van hoe ze wil handelen in die situatie. Ze kan bijvoorbeeld kiezen naar huis te gaan (in plaats van dit min of meer noodgedwongen te doen, zoals in het voorbeeld het geval was); of ze kan bij de assistente om een consult vragen; of ze kan besluiten een andere huisarts te nemen (als het een voorval in een reeks van 'mismatches' is). Een truc zou bijvoorbeeld zijn: tot tien tellen bij een woedeaanval. Een fundamentele wijziging in het denken is: 'ik hoef niet per se onmiddellijk te krijgen wat ik hebben wil'.

    Rationeel en irrationeel denken

    In veel situaties zijn mensen goed - in staat om, bewust en onbewust, hun eigen denkprocessen te sturen, zodat er een heleboel vanzelf goed gaat. RET komt doorgaans pas aan de orde wanneer er sprake is van een situatie waarin iemand naar zijn eigen idee of volgens de opvatting van anderen niet goed functioneert.

    De RET richt zich vooral op die denkwijzen, die van therapeutisch belang zijn. Anders gezegd, niet alles wat de cliënt vindt of denkt is relevant voor de therapie. De theorie maakt hiertoe onderscheid tussen twee vormen van denken, namelijk rationeel en irrationeel denken. Mensen beschikken over het algemeen over beide vormen van denken en sommige mensen zijn (al dan niet genetisch bepaald) meer met het een of het ander toegerust.

    De term rationeel is niet geheel gelukkig gekozen. Andere termen waarmee hetzelfde bedoeld wordt zijn: reëel, realistisch, bruikbaar, of gezond. Aan het gebruik van elk van deze termen zijn voor- en nadelen verbonden. We zullen hier met name de termen rationeel (vanuit historisch oogpunt) of reëel (vanuit kennistheoretisch oogpunt) gebruiken.

    Het irrationele of irreële denken bevat die aspecten van het denken, die nadelig zijn voor de mens. Het is met name de categorie van irreële opvattingen die onderwerp van de RET zal zijn. Het irreële denken kan iemand in de moeilijkheden brengen, kan iemand belemmeren bij het bereiken van zijn doelen en levensgeluk. Het woordje 'kan' is steeds opzettelijk bijgevoegd. Immers, iemand kan irrationeel denken, zonder dat dit per se tot moeilijkheden leidt. Bijvoorbeeld als iemand denkt dat een getrouwde vrouw niet mag werken, komt hij daarmee niet in de problemen zolang hij ofwel niet getrouwd is, ofwel een vrouw heeft die deze opvatting deelt.

    Het rationele of reële denken betreft die gedachten, die overeenkomstig de werkelijkheid zijn, die mensen helpen bepaalde doelen te bereiken, die het levensgeluk helpen vergroten, die bruikbare handvatten geven voor het omgaan met de eisen die aan het dagelijks leven gesteld worden, enzovoorts. Het rationele denken levert dus een bruikbare en flexibele levensvisie en daaruit voortvloeiende levenshouding op, terwijl van een irrationele levensvisie een beperkende invloed uitgaat. Dat wil overigens niet zeggen dat mensen die uitsluitend rationeel denken (als dat al mogelijk zou zijn) niet in de moeilijkheden kunnen raken. Mensen met een rationele levenshouding krijgen ook tegenslagen te verduren. We stellen echter dat deze mensen beter bestand zijn tegen de tegenslagen vanwege hun 'gezondere' denkwijze waardoor zij beter kunnen omgaan met de moeilijke situatie. Het gaat om acceptatie van de werkelijkheid en probleemoplossend vermogen. Op deze plaats maken we duidelijk dat in het onderzoek naar het menselijk functioneren, de RET er sterk op gericht is de rationele en irrationele aspecten uit elkaar te halen en vooral het irrationele onder de loep te nemen, omdat daar de 'stichters van het kwaad' te vinden zijn.

    RET - Filosofie

    Epictetus
    Voor de basisassumptie van de RET, dat het in het bijzonder de opvattingen van de cliënt zelf zijn waarmee hij het zichzelf moeilijk kan maken, verwijst Albert Ellis naar de filosoof Epictetus (ca. 100 na Chr.). Epictetus wordt geplaatst in de school van de 'Nieuwe Stoa'. Het kernpunt van deze leer is dat de deugd, die op kennis berust, gelukkig maakt (Croon & Van Aken, 1979). De tegenslagen van het lot zijn niet van de wil afhankelijk en men moet zich daar 'ongevoelig' voor maken. Het Universum is geordend en ontwikkelt zich volgens de wetten der natuur, die in wezen goed is. Daarom moet de mens zich ontwikkelen overeenkomstig zijn eigen natuur. Praktisch toepasbare citaten van Epictetus zijn bijvoorbeeld (uit: Encheiridion, p. 15 en p. 19):

    'Van al het bestaande hebben wij sommige dingen in onze macht. Andere niet. In onze macht hebben wij onze meningen, ons streven, onze begeerte, onze afkeer. Al deze dingen kunnen we zelf bewerkstelligen.'

    Het meest veelvuldig wordt gebruikt:

    'Het zijn niet de dingen zelf die de mensen in verwarring brengen, maar hun herinneringen omtrent die dingen.'

    Informatief daarbij is de volgende uitspraak:

    'Laten wij daarom, wanneer wij gehinderd, in verwarring of gekwetst worden, nooit iets of iemand anders de schuld geven dan onszelf, dat wil zeggen onze eigen meningen.'

    Er zijn echter belangrijke verschillen tussen de RET en de leer van Epictetus en de nieuwe Stoïcijnen. In de toepassing van de RET wordt niet geprobeerd om mensen 'ongevoelig' te maken voor de gebeurtenissen die hun overkomen. Bij nare situaties horen adequate nare gevoelens, zoals bezorgdheid of verdriet. Wel wordt gesteld dat mensen de invloed van hun denken op hun emotionele reacties vaak onderschatten en dat zij met behulp van hun denken, meer emotionele stabiliteit kunnen creëren.

    Een tweede verschil met de nieuwe Stoïcijnen is dat de RET er niet van uitgaat dat gevoelens totaal beheersbaar of stuurbaar zijn. Je kunt niet denken en voelen wat je wilt. In de eerste plaats is er wetenschappelijk gezien nog veel onderzoek nodig voordat met meer zekerheid uitspraken gedaan kunnen worden over de veranderbaarheid van emoties en over de invloed van gebeurtenissen op emoties. In de tweede plaats zou het van hoogmoed getuigen te menen dat ook de genetisch bepaalde constitutie van iemand (bijvoorbeeld de mate van irrationaliteit waarmee iemand geboren is, of het temperament) geheel overwonnen kan worden. In de RET wordt ervan uitgegaan dat mensen hun inadequate emoties minder vaak en minder heftig ervaren, wanneer zij zich inspannen om hun irrationele gedachten te veranderen. Ellis heeft echter altijd de hardnekkigheid van irrationele patronen onderstreept, hetgeen bescheidenheid impliceert ten aanzien van de beheersbaarheid van de emoties.

    Filosofische uitgangspunten

    Hierna wordt beknopt aangegeven van welke filosofische uitgangspunten de theorie en methode van de RET gebruik maakt.

    1. Daden kunnen worden beoordeeld, mensen niet
    Het is logisch gezien incorrect om mensen in hun geheel te beoordelen of veroordelen. Mensen kunnen nooit alleen maar goed of alleen maar slecht zijn. Hoeveel slechte dingen iemand ook gedaan heeft, hij zal ook wel meerdere dingen goed gedaan hebben, waardoor het oordeel 'een slecht mens', logisch gezien niet houdbaar is. Mensen kunnen wel beoordeeld worden op wat ze doen, maar niet op wat ze zijn. Iemand kan lopen of springen als een kangoeroe, maar daarmee is die persoon nog geen kangoeroe. Er wordt vaak te veel gegeneraliseerd ten aanzien van bepaalde eigenschappen van personen. Dit geldt zowel voor negatieve als voor positieve eigenschappen: als iemand iets goeds doet, is hij nog niet goed. Mensen die alleen maar goede dingen doen, bestaan niet.

    Een individu is niet gelijk aan de som van zijn daden. Wél is een individu verantwoordelijk voor zijn of haar daden en hij dient daar ook de consequenties van te aanvaarden. In geval van een ernstig delict kan dit bijvoorbeeld gevangenisstraf of een TBS impliceren. Iemands daden kunnen wel degelijk goed- of afgekeurd worden, maar de persoon als zodanig wordt/blijft geaccepteerd.

    2. Non-dogmatisme/non-absolutisme
    Mensen hebben vaak een heel arsenaal aan waarden en normen, die gericht zijn op:

  • zichzelf: wat ze van zichzelf willen; wat ze willen bereiken in het werk of in het persoonlijk leven;
  • anderen: hoe ze willen dat anderen zich ten opzichte van hen opstellen; wat ze willen dat vrienden en familie voor hen betekenen;
  • de wereld: hoe ze bijvoorbeeld willen dat landen zich tegenover elkaar opstellen of hoe ze willen dat er met het milieu en met spullen van de gemeenschap omgegaan wordt.

    Normen en waarden worden doorgaans geëxpliciteerd met behulp van een 'behoren'. Bijvoorbeeld: Mensen horen elkaar met respect te behandelen. Waarden en normen zijn gedragsregels, die individueel of gemeenschappelijk zijn bepaald en waarin een hoge mate van wenselijkheid besloten ligt. Wenselijkheid impliceert dat normen en waarden niet absolutistisch of omniverseel zijn. De RET staat een situationele ethiek voor: mensen kunnen hun individuele waarden en normen maar beter niet verheffen tot wetmatigheden in de zin van absolutismen. Dit heeft verschillende redenen.

  • Ten eerste heeft het geen zin normen tot eisen te verheffen, omdat mensen moeilijk verplicht kunnen worden zich aan de regels te houden. Ter verduidelijking: ook al heb ik de norm dat mensen elkaar met respect horen te behandelen, mijn buurman, mijn docent of mijn partner kunnen zonder enige moeite deze regel overtreden. Ook al heb ik de norm aan mezelf gesteld om niet kwaad te mogen worden, toch kan het voorkomen dat ik niet in staat blijk mijn gevoelens van boosheid te beteugelen.

  • Ten tweede ontstaan intrapersoonlijke en interpersoonlijke problemen pas wanneer we er geen genoegen mee kunnen nemen dat de omgeving geen rekening houdt met onze normen. Zolang iemand als basishouding heeft: 'Ik ga alles in het werk stellen om wat ik wenselijk acht voor elkaar te krijgen, maar lukt het niet, dan zal ik me daar bij neerleggen', is er niks mis. Maar op het moment dat iemand vindt: 'Mijn norm is beter dan die van jou, en daarom moet jij doen wat ik wil', komt hij hoogstwaarschijnlijk in de problemen.
    Het gaat er dus niet om dat er geen betere en slechtere normen zouden zijn; daar valt wel degelijk over te twisten. Maar daarmee houdt de RET zich niet specifiek bezig. Dergelijke discussies liggen meer op het gebied van de filosofie. Mensen zijn vaak niet bereid te accepteren dát er betere en slechtere normen zijn en dat die naast elkaar (kunnen) bestaan; daarmee houdt de RET zich meer bezig.

    3. Frustraties horen bij het leven
    Mensen hebben vaak impliciet of expliciet een of ander doel waar ze naar streven. Mensen willen graag iets verwezenlijkt zien in hun leven, bijvoorbeeld kinderen grootbrengen, carrière maken of beide. Wanneer mensen proberen om hun doelen, hun ideeën te verwezenlijken, stuiten zij meestal op kleinere of grotere obstakels. We krijgen het in het leven immers meestal niet cadeau. Om te bereiken wat we graag willen bereiken, is vaak veel inspanning en doorzettingsvermogen nodig. We komen tegenslagen en tegenwerking op ons pad tegen en die moeten we zelfstandig te boven zien te komen. Mensen reageren verschillend op tegenslag. Dit komt mede voort uit de levenshouding of zienswijze die mensen erop na houden.
    Stel de man die zijn echtgenote op jonge leeftijd heeft verloren, houdt er de visie op na dat dit zijn gezin niet had mogen overkomen. Deze man zal veel moeite hebben het gebeuren te accepteren en daarmee te verwerken en indien hij vasthoudt aan zijn opvatting bestaat het risico dat hij pathologisch verdrag gaat vertonen. In het voorbeeld van een overlijden, betekent 'accepteren' de bevordering van een gezond rouwproces en het 'in de grond van je hart' kunnen erkennen dat de overledene nu eenmaal nooit meer in de werkelijkheid voor je beschikbaar zal zijn.
    Afhankelijk van het type tegenslag wil acceptatie nog niet zeggen dat men zich per definitie bij de frustratie neerlegt. Indien iemand bijvoorbeeld onterecht ontslag is aangezegd, kan hij dit op emotioneel niveau accepteren, wanneer hij vindt: 'het komt nu eenmaal voor dat mensen onterecht ontslag krijgen en nu ben ik helaas de klos; balen, maar waar'. Tegelijkertijd kan hij juridisch gezien het ontslag aanvechten en op deze wijze zonder emotioneel gezien de dupe te worden, zijn recht proberen te verkrijgen.

    4. De realiteit onder ogen zien
    De RET sluit wat betreft kennisleer (epistemologie) aan bij een empirische benadering van de werkelijkheid. Veronderstellingen over de werkelijkheid worden niet zonder meer voor waar aangenomen, maar er wordt gepoogd een theorie over de werkelijkheid op te bouwen, die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de 'kunst' van het logisch redeneren.
    Ook wordt bij de cliënt een bereidheid bevorderd om bepaalde ideeën aan een empirische toets te onderwerpen, met als doel een zo realistisch mogelijke levenshouding te creëren. Realiteitszin helpt om fijne en nare gebeurtenissen afzonderlijk te beschouwen en in het geheel der ervaringen een plaats te geven.
    De bereidheid om eigen ideeën aan de realiteit te toetsen, werkt zodoende een open en flexibele opstelling tegenover levenservaringen in de hand.

    5. Eigen verantwoordelijkheid
    Hoewel Ellis op basis van zijn meer empirische benadering van de werkelijkheid doorgaans als rationalist gezien wordt, zijn er duidelijke kenmerken van het constructivisme in Ellis theorie aanwezig. Ellis benadrukt de mogelijkheden van de mens om zijn eigen werkelijkheid te scheppen (zie ook Schippers, 1996), maar houdt het midden tussen determinisme en de 'vrije wil gedachte' (Woolfolk & Sass, 1989). Er is geen sprake van een vooropgesteld plan dat door, een godheid of natuurkracht is vastgesteld, waarnaar mensen moeten leven (determinisme), maar het is ook niet zo dat mensen volledig vrij zijn in hun doen en laten. Het gedrag van mensen wordt voor een deel bepaald door bijvoorbeeld biologische trekken en door historische ervaringen. Wel wordt in de RET sterk benadrukt dat de mens het vermogen heeft om eigen doelen te stellen en keuzes te maken. Er wordt veel verantwoordelijkheid gelegd bij het individu ten aanzien van het psychisch welzijn en het vergroten van de keuzemogelijkheden.

    6. Lange-termijnhedonisme
    Plezier maken en zoveel mogelijk genieten van het leven, wordt door de RET expliciet aangemoedigd. Uitgangspunt daarbij is dat mensen beter/prettiger leven wanneer ze rekening houden met de omgeving en met de daarin gangbare normen en opvattingen. Plezier ten koste van anderen wordt ontmoedigd, onder andere omdat dit op lange termijn het eigen welzijn en geluk in de weg kan staan.

    Er wordt derhalve onderscheid gemaakt tussen lange-termijndoelen en korte-termijndoelen. Het kan van belang zijn om behoeften van de korte termijn niet te bevredigen ten gunste van het bereiken van lange-termijndoelen. Het dagelijks eten van calorierijke lekkernijen is op korte termijn bijvoorbeeld een plezierige aangelegenheid. Op lange termijn kan het de gezondheid schaden en zal het 'lekkere' ervan afnemen. De manager die op korte termijn behoefte heeft aan een hoge omzet en onvoldoende rekening houdt met de menselijke vermogens van zijn medewerkers, zal hen veel laten overwerken. De gevolgen op lange termijn kunnen zijn dat de medewerkers zich zelf uitputten en zich ziek moeten melden, of zich tegen de manager gaan keren, wat tegen het belang van het bedrijf is en waardoor lange-termijndoelen onder druk komen te staan.

    In de RET wordt geleerd lange-termijnbelangen af te wegen tegen korte-termijnbelangen en met behulp van goede overwegingen daarin keuzes te leren maken (ook wel de hedonistische calculus genoemd). Het nastreven van lange-termijndoelen impliceert ook dat men zijn impulsen goed moet leren reguleren en frustraties moet leren verdragen.

    Bovenstaande uitgangspunten hangen deels met elkaar samen. Het verdragen van frustraties hangt bijvoorbeeld samen met lange-termijnhedonisme. Genoemde uitgangspunten heeft Ellis verwerkt in zijn theorie en therapie, waarmee hij zijn cliënten een pragmatische levenshouding voorhoudt. In de therapie wordt aangegeven dat de cliënt profijt kan hebben van een levensvisie die meer in overeenstemming is met bovenstaande uitgangspunten.

    Kenmerken van de RET

    Ellis zelf vindt dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen 'wetenschappelijke' therapieën en 'niet-wetenschappelijke' therapieën (Ellis, 1978). Gezien het feit dat de empirische onderbouwing ten aanzien van de efficiëntie van de verschillende psychotherapieën nog veel te wensen overlaat, zet Ellis de termen wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk in dit verband terecht tussen aanhalingstekens. Onder de wetenschappelijke therapieën noemt hij de RET, de gedragstherapie en (opvallend genoeg) de Rogeriaanse therapie. De overige therapieën, waaronder de psychoanalyse, vallen onder de niet-wetenschappelijke. Ellis zelf typeert in meerdere van zijn publicaties de RET als een revolutionaire humanistische benadering. Hij geeft aan dat de RET gebaseerd is op rationele inzichten, en informatief en argumentatief van aard is.

    Dolliver (1977) geeft een boeiende uiteenzetting over hoe de RET zich verhoudt tot andere psychotherapieën en persoonlijkheidstheorieën. Overeenkomsten en verschillen met andere psychotherapieën zijn velerlei. Opvallend bij de RET is dat ze in eerste instantie intrapersoonlijk werkt. Daarmee wordt bedoeld dat eerst gekeken wordt naar de opbouw van het individuele opvattingenstelsel van de cliënt, om pas in tweede instantie te kijken wat daarvan het effect is op de interpersoonlijke relatievorming.

    Ellis en Bernard (1985) noemen in hun boek, dat overigens een zeer goed overzicht geeft van de verschillende werkvelden van de RET, een aantal specifieke kenmerken waarin de RET zich onderscheidt van andere psychotherapieën. Een deel van deze kenmerken overlapt voorgaande paragrafen, een ander deel vormt een uitbreiding of specificatie.

  • De RET gaat (overigens net als de psychoanalyse) uit van biologisch bepaalde predisposities in het sociaal-emotioneel functioneren van mensen. RET benadrukt echter tegelijkertijd het menselijk vermogen om via de eigen wil keuzes te maken (humanistisch-existentiële visie) en zodoende een deel van die predispositie te beïnvloeden.
  • Het vaststellen van de irrationele gedachten van de cliënt is, naast gangbare diagnostische procedures, onderdeel van het diagnostisch proces.
  • RET streeft naar diepgaande filosofische verandering (intellectueel én emotioneel inzicht). Dit is te verwachten wanneer niet alleen onlogische gedachten, maar vooral ook de onderliggende irrationele kerncognities worden aangepakt. Verwacht wordt dat dit lange-termijneffecten bewerkstelligt.
  • Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen adequate en inadequate negatieve gevoelens, en er wordt geleerd welke gevoelens veranderd kunnen worden.
  • RET gaat ervan uit dat emotionele problemen hoofdzakelijk te herleiden zijn tot twee basisangsten: ego-angst en angst voor ongemak.
  • Mensen kunnen emoties hebben over hun emoties. Bijvoorbeeld, ze maken zichzelf kwaad over het feit dat ze neurotisch doen, of hebben 'angst voor de angst'. Dit verschijnsel wordt tveede-niveau-problematiek genoemd en is van groot belang bij zowel de diagnostiek als bij de strategie van de interventies.
  • RET werkt methodisch gezien eclectisch. Er wordt gebruik gemaakt van gevoels-, gedrags- en cognitieve oefeningen, die op actief-directieve wijze geïmplementeerd worden.
  • Om werkelijke gedragsverandering te bewerkstelligen is het noodzakelijk dat de cliënt hard werkt en veel oefeningen doet.
  • Onvoorwaardelijke acceptatie van de cliënt (Carl Rogers) vormt een noodzakelijke voorwaarde voor therapie, maar is geen middel tot verandering.

    Aan deze lijst kunnen de volgende typeringen worden toegevoegd:
  • Er is sprake van een educatief model. De cliënt wordt (indien mogelijk) geleerd om met behulp van het ABC-model zijn eigen therapeut te worden. De RET-methode blijft zodoende niet het persoonlijk bezit van de therapeut, maar wordt actief overgedragen aan de cliënt, bijvoorbeeld via de vele zelfhulpboeken door RET-therapeuten geschreven.
  • Er wordt doorgaans meer aandacht besteed aan de problematiek in het hier en nu, dan aan de ontstaansgeschiedenis van de problematiek of aan het verleden van de cliënt. Dat wil niet zeggen dat bepaalde opvoedingspatronen, hetgeen aangeleerd is in het verleden, geen rol kunnen spelen in de behandeling. Dit is wel degelijk het geval, maar het accent blijft daarbij liggen op hoe de cliënt nu functioneert, waardoor hij zijn oude reactiepatronen ongewild in stand houdt.

    Als een vrouw bijvoorbeeld de neiging heeft 'verkeerde' partners te kiezen, die na verloop van tijd op haar gaan schelden, wordt haar eigen verklaring dat dit het gevolg is van het feit dat haar vader ook zo kon schelden, voor waar aangenomen. Deze verklaring hoeft niet noodzakelijkerwijs verder geëxploreerd te worden. Er wordt meer tijd besteed aan welk idee de cliënte nu heeft, waardoor ze steeds weer in dezelfde val loopt. Als de vrouw aanvankelijk dacht: 'ik moet alles doen om deze man bij me te houden', geeft ze zichzelf niet de kans om de minder positieve kanten van de man in een vroegtijdig stadium van de relatie te ontdekken.
    Wanneer er tijdens de behandeling van disfunctioneel gedrag van een cliënt herinneringen of gebeurtenissen uit het verleden interfereren, kan daaraan een RET-specifieke wijze aandacht worden besteed. Zo behandelde ik (Gidia Jacobs) een vrouw van middelbare leeftijd die last had van evenwichtsstoornissen en vliegangst. Bij het onderzoek naar de vliegangst, kwamen tijdens de verbeeldingsoefeningen bij de vrouw beelden naar boven waarin ze als klein kind ziek boven aan de trap om haar moeder had staan roepen. De cliënte had nooit veel liefde van haar moeder ervaren. In het beeld zag de cliënte zichzelf boven aan de trap staan. Moeder hoorde haar niet. Ze had geen beeld van hoe het indertijd was afgelopen, maar dacht misschien te zijn flauwgevallen. Het gevoel onbeschermd te zijn, maakte dat ze zich extreem kwetsbaar voelde. Het gevoel onbeschermd te zijn, speelde ook bij de vliegangst een grote rol en bleek samen te hangen met het idee, dat als zij in een moeilijke positie zou komen (ziek zijn, vliegen) ze bescherming nodig zou hebben van iemand anders. Er werd gewerkt aan het gegeven dat zij in staat geacht kon worden zichzelf in veel gevallen te beschermen. Ook werd er gewerkt aan de acceptatie van het feit dat er situaties zijn waarin het onmogelijk is (bijvoorbeeld in geval van een neerstortend vliegtuig) jezelf in veiligheid te brengen. De uiterste consequentie daarvan (de dood) moest de cliënte leren accepteren.

  • Er is constante training nodig om het emotionele functioneren gezond te houden. De cliënt moet niet alleen maar tijdens de therapie oefenen, maar in feite wordt er door middel van de therapie een begin gemaakt met een levenslange training, waarvoor de cliënt ook ná de therapie veel werk zal moeten blijven verrichten (logisch gevolg van de biologische predispositie tot neurotische reacties). De vergelijking wordt gemaakt met het onderhouden van de fysieke conditie of het spreken van een buitenlandse taal. Het profijt zal groter zijn naarmate men zich er langduriger en consequenter voor inspant. In de RET wordt gebruik gemaakt van krachtig en duidelijk taalgebruik. Moeilijke woorden worden over het algemeen vermeden. Er wordt aangesloten bij het taalgebruik dat de cliënt zelf hanteert, om zo dicht mogelijk bij de leefwereld van de cliënt te blijven. Heftige emoties gaan doorgaans gepaard met krachtige beelden en woorden. Cliënten ervaren het soms als een opluchting wanneer de therapeut krachttermen of scheldwoorden gebruikt en kunnen zich daardoor gelegitimeerd voelen zich eerlijk en ongeremd over de eigen beleving te uiten. Ook zijn er cliënten die geleerd hebben zodanig te relativeren dat zij weinig krachttermen kennen, waardoor het een wirwar van gedachten in hun hoofd geworden is. Ook dan kan krachtig taalgebruik helpen de cliënt weer in contact te brengen met de primaire gevoelens.

    Wetenschap

    Wetenschap heeft als basis: kennis, weten, of het geheel van menselijk kennis. Maar ook in hoeverre werkelijk over kennis gesproken kan en mag worden. Dus het is niet voldoende dat iets waar is, maar juist dat deze kennis een waarheid heeft die meer universeel, empirisch meetbaar en controleerbaard is (evidence-based) of algemeen aanvaard is bijvoorbeeld onder vakgenoten (consensus-based).

    Deze kennis kan over stoffelijke materie of levende organismen gaan zoals we dat terugzien in de natuurkunde en de biologie. Het object van studie bij beide verschilt fundamenteel. Een belangrijk voorbeeld is bijvoorbeeld de 'interactie dynamiek met de omgeving'. Zo zullen de eigenschappen van water weinig verschillen in reactie op de omgeving afgezien van temperatuur, druk en volume - die overigens steeds een wetmatige relatie vertonen - terwijl men bij een boom in verschillende omgevingen ook een andere groei, ontwikkeling, etc. mag verwachten die al vaak moeilijk in een wetmatigheid is te vatten. Bij de lagere diersoorten, primaten en de mens wordt deze interactie dynamiek steeds gecompliceerder en moeilijker in wetmatigheden vast te leggen. Immers wetmatigheden zijn een basis voor een kennistheorie zoals wetenschap, zoals we dit zien in de klassieke wetenschappen als de astronomie en natuurkunde.

    - Wetenschap heeft wellicht ook te maken met de nieuwsgierigheid van de mens om dat te weten wat we misschien wel nooit precies zullen weten zoals onverklaarbare krachten als de gravitatie- en atoomkrachten, maar ook de aantrekkingskracht die bij liefde tussen twee mensen plaatsvindt.

    - Wetenschap heeft ook te maken met orde op zaken stellen. Iemand zegt dit nu wel maar waarop gebaseerd, wat zijn de criteria en in hoeverre is de ervaring objectief in plaats van subjectief bepaald. Objectief omdat het daardoor loskomt van de persoonlijke criteria die de geldigheid van het gebeuren marginaliseert of onjuist doet zijn.

    - Wetenschap heeft ook te maken met de menselijke onzekerheid of angstreductie. Als de wetenschap dit heeft aangetoond dan moet het toch wel waar zijn dus... 'mijn wetenschappelijk opgeleide psychiater die weet wel wat het beste is voor mijn psychische gezondheid!'

    - Wetenschap heeft ook te maken met conditioneren of leren in het algemeen. Immers als wij ervaren en leren dat iets 'waar' is (vaak vele jaren door ouders en leraren) dan moet het toch wel waar zijn, want anders is het wel erg cognitief dissonant met ons eigen denken en beleven. Vaak wordt het eerder geleerde voor vele jaren als het enig juiste gezien (de eigen wetenschap), zelfs als het tegendeel is aangetoond.

    - Wetenschap heeft ook te maken met tijdsgebonden en cultureel inzicht en kennis, hoe vreemd dit misschien ook lijkt. Dit komt vooral ook door het begrip consensus. Een bepaalde groep vakgenoten in een bepaalde tijd zijn het eens met een bepaalde theorie. Deze theorie werkt volgens hun. Zij zijn opgeleid, hebben kennis van deze theorie en status dus hun theorie is waar .. of wetenschappelijk verantwoord (Kuhn's paradigmatisch criterium).

    Samenvattend: In de wetenschap (of wetenschappelijke beroepsuitoefening) willen we iets zéker weten, nodig om het woord wetenschap in zijn juiste betekenis te kunnen gebruiken. Daarom willen en soms ook moeten we allerlei criteria stellen. Deze criteria zijn, alhoewel vaak van paradigmatische aard, van groot belang en hierdoor ontstaat overeenstemming (evidence of consensus-based) onder vakgenoten, van wat volgens hun wetenschappelijk (of wetenschappelijk verantwoord) is in hun beroepsuitoefening.

    Wetenschappelijke criteria

    Als we ervan uitgaan dat deze beroepsgroep psychotherapeuten zijn en ervan uitgaan dat deze professionals het als hun belangrijkste doel zien: 'het herstellen van de psychische en sociale problemen bij hun cliënten', dan is dat ook precies waar de kernvraag ligt. Of anders: hoe weten we (op empirisch wetenschappelijk basis) dat cliënten die bij psychotherapeuten voor hulp komen, na behandeling ook effectief hiervan profijt hebben of beter op het psychisch en sociaal vlak minder problemen ervaren.

    Er zijn - zoals uit onderzoek blijkt (zoals effectstudie) - nogal wat zaken die een rol spelen in het welslagen van psychotherapie. De meest opvallende zijn de kwaliteit van cliënt-therapeut relatie, motivatie cliënt, sociodemografische variabelen cliënt, compatibiliteit van cliënt en therapievorm en de ernst van de stoornis (Klinische psychologie, Smeets, G. e.a., 1999). In het kort kunnen we zeggen dat het meetobject (de cliënt) maar ook de therapeut als subject aan een grote diversiteit van biopsychosociale fenomenen en criteria onderhevig zijn, en van invloed op het slagen van de psychotherapie.

    We willen hier dus criteria proberen vast te stellen die de waarheid van een veronderstelling of uitspraak zoals "RET is een wetenschappelijke psychotherapie" proberen aan te tonen. Deze wetenschapscriteria zijn onder andere:

    - herhaalbaarheid, openbaarheid van gegevens, universele objectiveerbare controleerbaarheid, consensus onder vakgenoten, empirische relevantie, kennistheoretische onderbouwing, enzovoort.

    Als we het hebben over het feit of een psychotherapie voldoet aan wetenschappelijke criteria dan is het nodig om dit af te bakenen. Het voorstel (maar geen oplossing) is om dit als volgt te doen:

    Het ligt voor de hand, uitgaande van de functie die psychotherapie hoort te hebben voor een cliënt in behandeling, dat het meer wetenschappelijk zijn van een psychotherapie een positieve relatie heeft met het effectief zijn van een psychotherapeutische behandeling. De laatste twintig jaar zijn diverse psychotherapie effectstudies gedaan zoals (Smith M.L. e.a., 1980; Hollon S.D., 1992; Shea, Wigier & Klein, 1992; Dreessen & Arntz, 1998; Hollon S.D., 2002 ) waaruit de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie (zoals de RET dit is) opvallend vaak t.o.v. andere psychotherapieën, is aangetoond. Op dit punt zou men dus kunnen zeggen dat als Albert Ellis stelt: "RET is een wetenschappelijke therapie" hij gelijk heeft als het gaat om het meer effectief zijn van de RET als therapie t.o.v. andere beschikbare therapieën, maar uitgaande van de eerdere vooronderstellingen kan dit alleen maar duiden op het meer wetenschappelijk zijn in relatieve zin maar niet in absolute zin.
    Onze conclusie is dus: dat cognitieve gedragtherapie (dus ook de RET) een meer effectieve psychotherapie is dan andere psychotherapieën zoals blijkt uit diverse wetenschappelijk verantwoorde effectstudies op dit gebied.

    Dat wil dus zeggen het meer wetenschappelijk zijn is duidelijk wat anders dan (overigens met alle respect) door Albert Ellis spreken van een wetenschappelijke psychotherapie.

    Want volgens ons geldt ook voor de RET de uitspraak van Karl Popper (bekend wetenschapsfilosoof) uit "Wetenschap, gissingen en weerleggingen", waarin Popper namelijk een onderscheid ziet tussen de astrologie, Marx' theorie van de geschiedenis, Freuds psychoanalyse en Adlers individualpsychologie aan de ene kant en de relativiteitstheorie van Einstein aan de andere kant. Zijns inziens kunnen de eerste vier theorieën vooral teveel verklaren. Men kan zich zelfs bar weinig voorstellen dat deze theorieën niet kunnen verklaren. De relativiteitstheorie van Einstein doet juist riskante voorspellingen en is onverenigbaar met bepaalde denkbare waarnemingen. Het demarcatiecriterium van Popper stelt dat een theorie alleen wetenschappelijk kan worden genoemd indien ze in conflict kan komen met mogelijke, voorstelbare waarnemingen.'

    Stof tot nadenken

    Volgens de redactie van CCGT biedt dit alles voldoende stof tot nadenken.
    Als u wilt reageren dan kan dat natuurlijk: email: ccgt@casema.nl
    CCGT
    Bron: Rationeel-emotieve therapie (Jacobs, G., 1998),
    isbn: 9031326593, Bohn Stafleu Van Loghum

  • Copyright 2010 CCGT. Webdesign:   Oogopslag - webdesignbureau Den Haag.    Contact  CCGT.