Capita selecta - september 2004
door F. Kovács
Inleiding
Voor u ligt de inleiding in een model omtrent de relatie
tussen onze hersenen, onze persoonlijkheid en ons immuunsysteem. Het bestaat uit
5 korte hoofdstukken waarin een (vereenvoudigd) model van menselijke emoties,
gevoelens, gedachten en gedrag wordt uitgelegd. Het model is gebaseerd op nieuwe
wetenschappelijke inzichten over de werking van onze hersenen, de opbouw van ons
geheugen en ons zelf- en wereldbeeld.
Het model is holistisch: een verbinding tussen het centrale zenuwstelsel (onze
hersenen) en ons stress-afweersysteem (het immunologisch systeem) wordt
verondersteld. Hiermee kan het gezien worden als een psychoneuro-immunologisch
model.
Met het model kunnen allerlei chronische pijn-aandoeningen enigszins begrepen
worden, waarmee tegelijkertijd een behandelingsplan kan worden gesuggereerd. Dit
geldt met name voor Whiplash Associated Disorders (WAD), Repetitive Strain
Injury (RSI) en mogelijk ook voor Posttraumatische ReflexDystrofie (PD) en
Fibromyalgie.
In het eerste hoofdstuk wordt uitgelegd dat er bij de mens 4 basisemoties
bestaan en dat deze in balans moeten zijn zodat stress-afweersysteem zo optimaal
mogelijk kan functioneren. Het tweede hoofdstuk legt uit wat het verschil is
tussen de basisemoties en gevoelens. De relatie tussen gedachten (cognities) en
emoties wordt centraal gesteld waarmee cognitieve (gedrags)therapie tevens wordt
gepromoot. Hoofdstuk 3 gaat verder in op hoe in ons geheugen gedachten worden
opgeslagen: in een gelaagd associatief of connectionistisch netwerk. De
cognitieve rationale wordt verduidelijkt waarin 3 lagen in de persoonlijkheid
worden verondersteld. Hiermee wordt eenvoudig verklaard hoe ogenschijnlijk
kleine dagelijkse gebeurtenissen iemands gemoedstoestand (emoties) in grote mate
snel kunnen veranderen. Hierbij speelt het zelfbeeld een belangrijke rol.
Hoofdstuk 4, tot slot, bespreekt vooral de belangrijkste manieren om emotioneel
stabieler te worden c.q. om met stress om te gaan. De kern hiervan is het
ontwikkelen van een 'onderzoekende' en open instelling naar zichzelf toe waarbij
een sterk relativeringsvermogen vereist is.
Vier basisemoties
Alle emoties zijn in vier basisemoties op te delen. Het betreft de basisemoties:
woede, angst, verdriet en plezier. Deze basisemoties zijn in de loop van de
menselijke (en dierlijke) evolutie verankerd geraakt in onze genen en ons
lichaam. Hierbij nemen woede en angst een zeer fundamentele plaats in: ze zijn
zowel te vinden bij de mens als bij vele gewervelde diersoorten. Verdriet is een
basisemotie dat mogelijk evolutionair gezien later is ontwikkeld en alleen te
zien is bij de wat hogere gewervelde diersoorten. Plezier of lust neemt een hele
aparte plaats in: het is de enige basisemotie die inherent plezierig is.
De emoties woede en angst hebben één duidelijke hersenkern van waaruit ze
ontstaan: de amygdala of amandelkern. Evolutionair gezien ooit ontwikkeld om
heel snel het organisme in actie te brengen: vechten (woede) of vluchten
(angst). Voor deze cursus is het belangrijk te weten dat deze amandelkern niet
tegelijkertijd woede én angst kan veroorzaken; het is ofwel woede ofwel angst.
De omslag kan echter razendsnel gaan zodat het net lijkt alsof beide emoties
tegelijkertijd spelen.
Een ander essentieel punt om te onthouden is dat iedere basisemotie in feite
niets anders is dan een patroon van communicerende zenuwcellen, hormonale
uitscheidingen en spierspanningsveranderingen. Bijvoorbeeld bij woede hoort
onder meer de afscheiding van het hormoon adrenaline, dat jaagt de hartslag
omhoog, doet de bloeddruk opjagen, de bloedvaten vernauwen en de ademhaling
verhogen. Ook angst kent in hoofdlijnen dezelfde lichamelijke veranderingen.
Dergelijke lichamelijke veranderingen, die onderdeel zijn van wat de
basisemoties genoemd worden, worden vanuit hersenkernen gestart en via het
onbewuste, autonome of vegetatieve zenuwstelsel op een razendsnelle manier in
werking gezet. Het andere systeem dat deze veranderingen veroorzaakt is het
hormonale of endocriene systeem. De uitscheiding van bepaalde hormonen gaat
weliswaar erg snel maar het duurt enige uren tot weken voordat de 'hormonale'
rust is weergekeerd in het lichaam.
Een derde belangrijk punt is dat elk van de basisemoties op ieder moment in het
lichaam actief is. De intensiteit van elke emotie kan echter verschillen en het
'mengsel' van alle 4 basisemoties is ook continu verschillend. Men kan het
vergelijken met een equalizer zoals bij een stereo-installatie: elk schuifje
staat voor één basisemotie. De schaal waarop geschoven kan worden is van 1 tot
en met 10. Men kan zich zodoende voorstellen dat op een gegeven moment de
equalizer met de 4 schuifjes een bepaalde stand heeft. Zo heeft woede
bijvoorbeeld de waarde 4, angst de waarde 3, verdriet de waarde 1 en plezier de
waarde ½. Bij deze stand horen een bepaalde mate van vegetatieve arousal (=
'onrust' van het autonome zenuwstelsel), van hormonale onrust (met de
afscheiding van allerlei hormonen) en van spierspanningsveranderingen (die
kunnen leiden tot veranderingen in gelaatsuitdrukkingen, houding en bewegingen).
Een andere stand leidt vanzelfsprekend tot weer een andere mate van
bovengenoemde lichaamsveranderingen. Wanneer iemand emotioneel in balans is, is
de 'equalizer'-stand laag en is het schuifje van plezier mogelijk iets hoger dan
de andere schuifjes.
Maar emotioneel in balans betekent veel meer dan een bepaalde, lagere
intensiteit van de basisemoties. Het betekent ook dat de schuifjes van de
equalizer niet té snel alle kanten kunnen opvliegen. Met andere woorden, de
basisemoties kunnen niet plotseling van het ene uiterste naar de andere
springen. Men kan dan niet zo maar razendsnel heel kwaad zijn en ook heel
angstig of verdrietig.
Emoties, gevoelens en gedachten
Emoties zijn de fundamentele lichaamsveranderingen die vooral op een onbewuste,
autonome manier worden geregeld door het autonome zenuwstelsel. Er is echter nóg
een verandering die iets later ontstaat en gekoppeld is aan de basisemoties: de
cognitieve veranderingen. Cognitie = gedachtengangen, zowel bewust als onbewust,
de informatieverwerkende stromen in de hogere hersendelen.
Gevoelens zijn dan een mengeling van de 4 basisemoties waarbij specifieke
cognities/gedachten gevoegd zijn. Een voorbeeld kan dit wellicht verduidelijken:
het zien van een loslopende Siberische tijger op het terrein van Burgers
dierenpark roept weliswaar angst op maar deze angst is anders dan wanneer de
loslopende tijger gezien wordt op een boswandeling ergens in Nederland. Dat komt
omdat de cognities (verwachtingen, gedachten) bij Burgers dierenpark anders zijn
dan die tijdens een boswandeling. Eén verschil is natuurlijk dat de verwachting
van het zien van een tijger binnen de dierentuin veel groter is dan die bij een
boswandeling. Hierbij hoort dan ook de gedachtengang dat er vast wel een bewaker
in de buurt is in de dierentuin, die b.v. met het dier is gaan wandelen. Het
gevoel dat hiermee ontstaat noemen we weliswaar 'bang' maar de intensiteit is
niet die van paniek.
Zoals al eerder beweerd zijn emoties er altijd eerder dan cognities, in die zin
dat de actieve cognities opgeroepen worden nadat de amygdala gevuurd heeft. Dat
neemt niet weg dat cognities niet in sterke mate kunnen sturen wélke mix van
basisemoties opgeroepen wordt. In het voorbeeld van de dierentuin is het zo dat
iemand normaliter niet direct in paniek raakt als er een loslopende tijger te
zien is. Dat komt omdat de gedachten in een dierentuin horen tijgers,
ik zal straks wel een tijger ergens te zien krijgen
redelijk geactiveerd zijn. Weliswaar is tevens de gedachte subactief
dat een tijger in een dierentuin meestal achter tralies zit
, waardoor natuurlijk angst ontstaat (immers, er wordt afgeweken van de normale gang van
zaken), maar vooralsnog overheersen angst-reducerende cognities.
Vanwege het feit dat we met cognities in sterke mate de intensiteit van de
basisemoties kunnen regelen, is de cognitieve therapie ontwikkeld. Deze therapie
richt zich in sterke mate op het trainen van realistische, functionele of
constructieve gedachtenpatronen. Indien dit goed getraind wordt, is het mogelijk
de basisemoties in voldoende mate te reguleren of zo u wilt: te controleren. Op
deze manier kan ook het gedrag geregeld worden. Er zijn duidelijke aanwijzingen
dat indien men vanaf de vroege jeugd leert emoties op een verantwoorde manier te
reguleren, in gezonde relatie tot de realiteit, een dergelijke training als een
automatisme in de hersenen 'gebrand' wordt. Technischer gezegd: de verbindingen
tussen de frontale (voorste) delen van de hersenen waar het bewustzijn zetelt en
de amygdala zijn sterker bij dergelijk 'goed gecontroleerde' mensen dan bij
minder gecontroleerde mensen. Een duidelijk voorbeeld van hoezeer de ratio de
meer 'primaire' basisemoties altijd reguleert is te zien bij ernstige
hersenbeschadigingen. Indien na een auto-ongeluk de frontaalkwabben van een
jongeman ernstig beschadigd zijn kan het zijn dat hij wild en agressief (sexueel)
gedrag vertoont. Gedrag dat niet meer gestuurd wordt door (aangeleerde) sociale
regels.
Een volledige misvatting van de menselijke natuur is de nog altijd opgeld doende
ideeën van Sigmund Freud, een neuroloog en psychiater binnen vorige eeuw. Hij
suggereerde dat mensen altijd grote moeite moesten doen om hun primaire
instincten zoals sex en agressie te 'beteugelen' als een
ridder op een wild paard.
Weliswaar zijn alle cognities uiteindelijk gebouwd op de
basisemoties maar er zijn nooit aanwijzingen gevonden dat onze geest, onze
hersenen, grote moeite moeten doen om schadelijke impulsen vanuit onze lust- of
agressie-behoeften constant te beheersen. Alsof de amygdala constant ingesteld
staat op woede (aanvallen) of de hypothalamus (waar lust wordt geregeld)
constant 'sex' als boodschap schreeuwt. Deze metafoor berust vooral op de ideeën
rondom de stoommachine die in de tijd van Freud overal aanwezig was. Alsof
emotie-impulsen constant als hete stoom aan de oppervlakte dreigen te komen en
dreigen te ontsnappen. De mensfilosofie achter Freud's ideeën (hij heeft nooit
enige bewijzen kunnen aanvoeren voor zijn ideeën) is inherent negatief:
uitgaande van de verdorven mens. Daarmee lijkt zijn filosofie zeer veel op het
joods-christelijke geloof.
De cognitieve rationale gaat van een compleet ander en positiever mensbeeld uit.
Uitbarstingen van emotioneel gedrag, of dat nu agressie of angst is, worden
simpelweg verklaard door te stellen dat de intensiteit van de basisemoties dan
te hoog is en daarmee minder goed gecontroleerd kan worden door de
frontaalkwabben (de rationele gedeelten van ons bewustzijn). Inderdaad is uit
dierproeven en ervaringen met mensen onder invloed van opwekkende drugs,
gebleken dat wanneer de amygdala zeer actief is er weinig controle over het
eigen gedrag meer mogelijk is. Deze meer zakelijke en wetenschappelijke manier
van het beschrijven van emoties, gedachten en gevoelens levert uiteindelijk meer
effectieve modellen en behandelingen op dan de metaforische, niet op bewijzen
gestoelde, freudiaanse ideeën.
Zelfbeeld, associatief geheugen en onze persoonlijkheid
Onze cognities zijn opgeslagen in een groot, nagenoeg oneindig, associatief
geheugennetwerk waar alle informatie-eenheden met elkaar samenhangen. Dit
betekent dat in de hersenen alle mogelijke gedachten- en lichaamsveranderingen
zijn opgeslagen. Als iemand denkt aan een ervaring met het eten van een vies
gerecht dan worden daar onmiddellijk beelden van die gebeurtenis geactiveerd in
het bewustzijn. Bij deze beelden worden echter ook zintuigelijke ervaringen
geactiveerd zoals bijvoorbeeld de kleur van het gerecht, de reuk, de smaak, het
geluid van de ruimte waarin gegeten werd, maar tevens alle lichaamsveranderingen
op dat moment. Zo kan eenvoudig dezelfde misselijkheid opgeroepen worden als
destijds werd gevoeld. Dezelfde hormonale veranderingen en autonome
zenuwstelsel-veranderingen als destijds kunnen ook geactiveerd worden. Met
andere woorden: gedachten, basisemoties, lichaamsveranderingen en zelfs gedrag
zijn in ons geheugennetwerk aan elkaar gekoppeld.
Om enige ordening aan te brengen in dit grote associatieve netwerk, worden
ordeningsprincipes gehanteerd die men in de loop van de opvoeding leert.
Geleidelijkaan ontstaan zo basisschema's: geordende bundelingen van informatie
die op hun beurt de informatie-opname en verwerking sturen. Een voorbeeld: een
klein kind dat voor het eerst in de dierentuin een wolf ziet zal denken dat dit
een hond is. Immers, de ervaring die het al heeft gehad thuis en elders is met
honden. Zo is een begrip ontstaan - een schema - betreffende 'hond'. Hierin zit
kennis over hoe het dier eruit ziet (b.v. 4 poten, harig, snuit en staart), welk
geluid het maakt, hoe het kan lopen (b.v. springt het of huppelt het),
enzovoorts. Vanuit dit schema denkt en doet het kind ook. Zeker als het opnieuw
een dier tegenkomt dat eruit ziet als een hond, ook al is het een wolf.
Dergelijke schema's worden natuurlijk constant gevormd door het verzamelen van
kennis en ervaringen om ons heen. Zo zijn er schema's omtrent dieren maar dus
ook omtrent mensen. Binnen de ontwikkeling van iemand's persoonlijkheid gaat het
vooral om het ontwikkelen van schema's over iemand's zelfbeeld, over de andere
mensen om iemand heen en over de wereld en het leven in het algemeen. Dit noemt
men de basisschema's omdat deze bepalen hoe mensen kijken naar de realiteit, de
wereld om zich heen. Vanuit deze basisschema's denkt, voelt en doet men iets. Je
zou kunnen zeggen dat men dan een bepaalde 'instelling' of 'persoonlijkheid'
krijgt.
Op grond van de opvoeding en eigen initiatieven ontwikkelt iemand geleidelijkaan
deze basisschema's tot steeds complexere schema's. Op grond van allerlei
cognitief onderzoek is duidelijk geworden dat ze in lagen worden opgebouwd. Dat
moet ook wel wil men alle ervaringen in het geheugen goed opslaan en terug
kunnen vinden. Zo ontwikkelt zich een pyramide van ervaringen waarbij slechts
enkele fundamentele basisgedachten over zichzelf, de ander en de wereld de basis
vormen, de kern van iemand's persoonlijkheid.
Voor het gemak stelt men binnen de cognitieve therapie dat gedachten in het
geheugen op 3 niveaus opgeslagen worden:
1. een oppervlakkige, automatische gedachten laag. Dat zijn de beelden en/of
gedachten die direct door iemand's hoofd flitsen bij een gebeurtenis.
2. een tussenlaag die niet onmiddellijk bewust is maar wel geactiveerd wordt in
het associatieve geheugen: de regels en de voorspellingen. In feite zijn dit de
waarden en normen van iemand: hoe iets zou behoren te lopen in de wereld.
3. een diepere laag die zeker niet bewust ervaren wordt maar die ook geactiveerd
wordt bij een gebeurtenis. Deze laag bevat de geactiveerde basisschema's: de
basisideeën/gedachten die men over zichzelf, de ander en de wereld heeft.
Cognitieve therapie probeert via speciale vraagtechnieken erachter te komen
welke waarden en normen en welke basisideeën actief zijn bij een ervaring van
iemand. Vaak blijkt dat er basisideeën actief zijn die niet helemaal
realistisch geformuleerd zijn. Hierbij horen dan ook vaak intense basisemoties
die, juist door hun intensiteit, blokkerend werken. Men vermoedt dat door de té
heftige, intense emoties, de gedachtenpatronen van iemand niet geheel
realistisch worden. Emotie stuurt dus de ratio, de cognities. Zolang deze
emoties te heftig zijn worden cognities niet constructief gestuurd. Denk maar
aan iemand die erg kwaad is en in onderhandelingen daarom net de verkeerde
dingen zegt. Als nu iemand zich hier bewust van wordt dan kunnen dergelijke
heftige gevoelens veranderd worden, inclusief de onderliggende gedachtengangen.
Daarom ook wordt binnen de cognitieve therapie de nadruk gelegd op hoe men
denkt, welke 'denkgewoonten' of 'denkfouten' men heeft. Een voorbeeld van een
veel voorkomende denkgewoonte is het 'zwart-wit denken': iets is ofwel zus ofwel
zo en er is geen genuanceerde middenweg. Dat is trouwens de kern van alle
denkfouten: de nuancering en relativering ontbreekt.
Uitdagen van disfunctionele gedachten
Cognitieve therapie benadrukt twee belangrijke zaken: zaken: allereerst het
leren herkennen van disfunctionele gedachten en ten tweede het veranderen van
deze disfunctionele gedachten. Dit zijn gedachten die niet geheel of zelfs
helemaal niet realistisch zijn en daarmee altijd blokkerend werken voor het
bereiken van iets. Een veel voorkomend voorbeeld van een disfunctionele
gedachtengang is: ik moet dit examen halen. Er is hier slechts 1
woord disfunctioneel, té absoluut gesteld, té extreem.
Met dat woord is het
ronduit alles of niets: het woordje 'moet'. Moet-denken is één van de meest
voorkomende denkfouten die mensen maken. In het leven zijn er slechts enkele
dingen die echt moeten, zoals regelmatig drinken en eten. Het woordje 'moeten'
kan verder meestal vervangen worden door 'graag willen'. Deze verandering geeft
wat meer lucht, meer mogelijkheid om af te wijken van hetgeen men graag wil.
Disfunctionele gedachten zijn dus te herkennen aan hun absolute en extreme
karakter. Het opsporen van extremen in de eigen denkbeelden vergt training,
oefening omdat men vaak blind is voor de eigen denkbeelden. Dat is logisch: het
jarenlang gebruiken van bepaalde woorden of bepaald gedrag leidt tot een
automatisme, een gewoonte en die zijn vrijwel altijd onbewust. Men is zich er
niet van bewust dat men bijvoorbeeld vaak 'eh, eh' zegt in een zin, of dat men
altijd één hand in de broekzak heeft als men met iemand staat te praten. Toch
is het mogelijk hier bewust van te worden en vervolgens de gewoonte aan te
passen, met veel training.
Een andere manier om disfunctionele gedachten op het spoor te komen is via
zogenaamde zelfanalyse-formulieren, ook wel G-schema-formulieren genoemd. Als
men met de therapeut deze formulieren regelmatig invult leert men gedachten op
te sporen, welke gevoelens daar bij horen en welke zelfbeelden horen bij deze
gedachtenpatronen. Het zelfanalyse-formulier begint met het invullen van een
gebeurtenis, een anecdote waardoor men 'van streek' raakt. Vervolgens is de
tweede stap te leren welke basisemotie vooral daarbij hoort; voor de eenvoud
wordt altijd verondersteld dat er 1 basisemotie het meest actief/intens is. Een
derde stap is het vrijuit opschrijven van welke automatische gedachten bij die
gebeurtenis opkwamen. Enkele van deze automatische gedachten bevatten die
gedachten die met name de basisemotie zo intens hebben gemaakt. Het gaat
natuurlijk om het opsporen van die 'giftige' gedachten die het meest bijdragen
aan de intensiteit van de opgeroepen emoties. Een vierde stap is het
dooranalyseren van de automatische gedachten naar de diepste laag: de
basisgedachten over zichzelf. Deze basisgedachten worden meestal in
ik ben formuleringen uitgedrukt. Voorbeelden zijn: Ik ben stom, ik ben een
sukkel, ik ben machteloos, ik ben zwak/zielig. Een laatste stap is het aanvallen
van de opgespoorde basisgedachten omdat zij vrijwel altijd te onrealistisch
geformuleerd zijn. Daarmee geven ze onnodig veel verdriet, angst of woede en dat
werkt meestal blokkerend.
Het is van wezenlijk belang te beseffen dat de opgespoorde basisgedachten
meestal niet realistisch en waar zijn maar gesuggereerd worden door iemand's
eigen gedachten en gedrag. Het is dus in feite terug leren redeneren: als iemand
bepaald gedrag vertoont, wat zegt dat dan over die persoon? Bijvoorbeeld: een
spreker die plotseling kwaad wegloopt als hij teveel vragen niet meer blijkt te
kunnen beantwoorden? Een man die van zijn werk thuis komt en op een vriendelijke
vraag van zijn vrouw wil je even de vuilnisbak buiten zetten? zeer
bits en agressief reageert? Wat zegt dat over de op dat moment geactiveerde
instelling/houding van die mensen? Welke basisgedachten over zichzelf zijn dan
ineens actief? Als men dit leert beseft men beter waarom men zus of zo reageert
en kan men zichzelf leren minder emotioneel intens te reageren.
In essentie doet men dat door gedachten over zichzelf, de ander en de wereld te
herzien. Men leert ze te onderzoeken en deze onderzoekende instelling ten
opzichte van zichzelf is vaak ook verstandig ten opzichte van de omgeving. Men
ontdekt dat men door de opvoeding en eigen ervaringen, gedachtenpatronen heeft
ontwikkeld die vaak te extreem zijn, te onrealistisch, waardoor er altijd meer
stress met de omgeving ontstaat dan nodig is. En dat is zonde van de energie.
Teveel stress is immers schadelijk voor het lichaam en geeft meer pijn dan nodig
is. Ook verlopen lichamelijke herstelprocessen minder snel dan zou kunnen.
Daarom is het aanvallen van dergelijke schadelijke gedachtenpatronen (ook wel
denkgewoonten genoemd) essentieel. Dit 'aanvallen' is in feite niets anders dan
enige nuancering aan te brengen en de gedachten te verzwakken.
Aanbevolen literatuur:
- A.R. Damasio (1994). De vergissing van Descartes: gevoel, verstand en het menselijk brein. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
- A.R. Damasio (2000). Het zelfgevoel: lichaam en emoties bij de vorming van het bewustzijn. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
- J. LeDoux (1996). The emotional brain: the mysterious underpinnings of emotional life. New York: Touchstone.
- R. Webster (1996). Why Freud was wrong. Sin, science and psychoanalysis. Glasgow: Fontana Press.
- H. Israëls (1999). De Weense kwakzalver. Honderd jaar Freud en de freudianen. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker.
- J.S. Beck (1995). Cognitive Therapy: Basics and Beyond. New York: The Guilford Press.
