Capita selecta - juni 2006
Wetenschap en psychiatrie volgens Prof. Antoine Mooij
door Piet van der Ploeg
Inleiding
Het heeft me al jaren verbaasd dat zo veel psychiaters in Nederland, ook in deze tijd
nog een bijna paradigmatische waarde hechten aan de psychoanalyse. Het medisch beroep van specialist,
dus ook dat van een psychiater, is sterk onderhevig aan snelle veranderingen van nieuwe
medische ontwikkelingen, welke mede door geavanceerde technische apparatuur mogelijk is
geworden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de bevindingen van de biologische psychiatrie zoals
de het effect-onderzoek van psychotrope medicatie, de neuropsychiatrie zoals de werking van de
hersenen via de fMRI. Hierdoor wordt het mogelijk bij patiënten met (ernstige) psychische
aandoeningen hiervan de biologische reactie op medicatie en de stofwisselingprocessen te
bestuderen en bijvoorbeeld te vergelijken met personen zonder deze aandoeningen.
Of de al vele jaren bestaande Assertive Community Treatment (ACT)-behandeling en de
behandeling van psychotische stoornissen met Cognitieve therapie. Beide psychiatrische
behandelingen waarbij naast medicatie gekozen wordt voor een sterk sociaal-psychiatrische of
psychologische aanpak.
Bij al deze vormen van GGZ-onderzoek is het Randomized Clinical Trial (RCT)-onderzoek
standaard, omdat dit een onderzoeksmethode is die het meest wetenschappelijk
antwoord geeft op onderzoeksvragen en hypothesen.
Het paradigma van de psychoanalyse
Waarschijnlijk wordt dit paradigma van de psychoanalyse binnen de psychiatrie in stand
gehouden door een veelheid aan factoren zoals genoten opleiding, status, ontkenning van het belang van
wetenschappelijk onderzoek, misvatting, cognitieve dissonantie, persoonlijke voorkeur,
onbegrip, consensus met vakgenoten, conservatieve instelling, enzovoorts.
Er zijn kennelijk nog heel wat hoogleraren psychiatrie of psychiaters in Nederland, die in 2006
(naast eventuele medicatie) patiënten voor therapie behandelen met of een voorkeur hebben voor
de Freudiaanse psychoanalyse.
Reactie op dit paradigma
De psychoanalytisch opgeleide psychologen en psychotherapeuten, zoals Aaron Beck (CT) en Albert
Ellis (REBT) zagen vanaf 1960 steeds meer in dat de psychoanalyse niet de effectieve manier was om
verschillende psychische problemen bij patiënten aan te pakken.
De reden hiervan was volgens Aaron Beck bijvoorbeeld dat de psychoanalyse onvoldoende rekening
hield met het disfunctioneel of irrationeel denken, bij bijvoorbeeld depressieve patiënten wat
volgens hem zorgde voor de instand-
houding van de jarenlange depressieve stemming bij hen.
Dit en later werk van Aaron Beck werd de inspiratie voor honderden wetenschappelijk psychotherapie
effect-onderzoeken in vooral de Verenigde Staten en Engeland. Deze onderzoeken hebben overtuigend
aangetoond dat binnen de psychotherapie Cognitieve Gedragstherapie (CGT) de enige psychotherapie is
die men wetenschappelijk of evidence-based mag noemen. De psychoanalyse komt bij veel onderzoeken
niet veel verder dan een placebo behandeling. Eén uitzondering van een effectieve
psychotherapie bij depressie is Interpersonal Psychotherapy of Depression (IPT), een afgeleide therapie
van de psychoanalyse van oorspronkelijk H.S. Sullivan (Amerikaans psychiater).
Verder gebeurde er voor en na 1960 nog heel veel op het gebied van de psychotherapie. Zoals de
kritische houding van Eysenck, het gedragsonderzoek van de behaviouristische school van Pavlov,
Watson, Skinner tot Titchener en gedragstherapeutische interventies door Wolpe en vele anderen
maakte steeds meer duidelijk dat cognities en gedrag twee niet zo maar los van elkaar te
onderscheiden fenomenen zijn en die beide van belang zijn voor de
studie binnen de empirisch klinische psychologie en psychotherapie.
Het aantal psychotherapie stromingen is voor en
na de Tweede Wereldoorlog ongekend gegroeid zoals o.a. de Client Centered Therapie, Gestalt-,
Systeem- en Hypnotherapie, EMDR, Gedragstherapie, Cognitieve therapie en diverse psychotherapieën die
afgeleid zijn van de psychoanalyse zoals IPT en de Lacaniaanse therapie.
Deze ontwikkeling ontstond niet zo maar. Men was zoekende. Welke symptomen van een patiënt
en welke technieken maken het mogelijk om op een juiste wijze te interveniëren met behulp van
psychotherapie. We weten het ook nu vaak niet altijd overtuigend. Maar wel dat dié therapiemethode,
dát model en dié interventie die uit een correct wetenschappelijk onderzoek naar voren komt, de
grootste kans maakt voor een specifieke patiënt op herstel. En daar gaat het immers om. De
grootste kans - door weten(schap) - dat we een patiënt in zijn situatie, met zijn wereldbeeld,
problemen en stoornissen optimaal kunnen helpen. Als dat efficiëntie is heb ik daar persoonlijk
geen enkel probleem mee.
Dat ditzelfde ook voor de GGZ geldt waar psychiaters, psychologen en psychotherapeuten als
behandelaars participeren mag duidelijk zijn.
Psychiatrie
Binnen de psychiatrie houden medisch specialisten zich o.a. bezig met het behandelen van patiënten
met psychische problemen en stoornissen. De laatste decennia zie je duidelijk een verschuiving dat
psychiaters in Nederland veel minder afwijzend omgaan met de bevindingen van de empirisch klinische
psychologie, neuropsychiatrie en psychotherapie (H. van Praag, 1998; H. Swildens, 1991; R. Kahn, 2003;
F. Bruinsma, 1991). Toch zie je dat in tegenspraak met wat 35 jaar wetenschappelijk onderzoek heeft
aangetoond sommige psychiaters zoals Professor Antoine Mooij, zich op een vreemde en conservatieve wijze
blijft vasthouden aan het paradigma van de psychoanalyse.
Ook in zijn meer recente boek uit 2002 "Psychoanalytisch gedachtegoed. Een modern
perspectief" waarin Prof. Mooij zich realistischer opstelt over de veranderde werkelijkheid binnen
de psychiatrie, doet hij uitgebreide pogingen om aan te tonen dat de psychiatrie niet zonder de
psychoanalyse kan en in die zin de psychiatrie verarmd is zonder zijn inziens noodzakelijke
hermeneutische psychoanalytische benadering.
Hoe Prof. A. Mooij (zie foto) denkt over psychiatrie en wetenschap kunnen
we bijvoorbeeld opmaken uit zijn in 1999 bij Boom gepubliceerd werk: "De psychische realiteit - Over psychiatrie als wetenschap". We geven hier een overzicht van verschillende citaten uit dit boek en geven hier commentaar op.
Prof. Dr. A.W. Mooij werkt bij het Willem Pompe Instituut en is bijzonder hoogleraar aan de Rijksuniversiteit in Groningen
Citaat 1
"De psychiatrie is te zien als wetenschap van de mens bij uitstek. Zij houdt zich bezig met afwijkend c.q. gestoord handelen en beleven en is vanwege de centrale positie van 'stoornissen' zeer geïnteresseerd in wat biologisch bezien de stoornis kan bewerkstelligen. Maar omdat zij zich ook met handelen en beleven bezighoudt interesseert zij zich voor het psychische, de psychische realiteit" (pag. 7)
Reactie
Uit het voorgaande valt op te maken dat de psychiatrie als wetenschap zich bezighoudt met de biologische achtergrond van stoornissen en omdat het hierbij ook gaat om handelen en beleven zich ook bezighoudt met de psychisch realiteit. Wat dit alles de psychiatrie tot een wetenschap maakt zou je in de rest van het boek verwachten uitgelegd te krijgen, zodat die psychische realiteit een verbinding krijgt met de psychiatrie als wetenschap. Helaas zoals uit de volgende citaten blijkt wordt deze verbinding niet gemaakt. Dat wil zeggen zoals wat in de laatste zo'n 35 jaar onder wetenschap wordt verstaan. Hier volgen andere citaten uit dit zelfde boek van Prof. Mooij.
Citaat 2
"Zo wordt in de hippocratische geneeskunde het onderscheid tussen ervaring en theorie in hun onderlinge afhankelijkheid opgenomen, waardoor deze geneeskunde geen ervaringsgerichte ambachtelijkheid meer is en evenmin ongecontroleerde speculatie is, maar een wetenschappelijke activiteit wordt." (pag. 21)
Reactie
In het voorgaande stelt Mooij dus dat er bij Hippocrates (400 jaar v. Chr.) sprake was van een wetenschappelijke activiteit door het opnemen van theorie en ervaring. De fysiologie van Hippocrates was overtuigend fout. Toch is Hippocrates een beroemd arts, terwijl de diagnose, de therapie en de prognose op pertinente onjuistheden berusten. Het gezag van de geneeskunde is kennelijk niet gebaseerd op haar juiste inzichten, maar op het geloof in die inzichten. Hippocrates was dus de stichter van een nieuw geloof: het geloof in de wetenschap.
Is Prof. Mooij ook niet de vertegenwoordiger geworden van het psychoanalytisch geloof voor de psychiatrie?
Citaat 3
"De medische wetenschap is daarom onmiskenbaar gebaseerd op de uitsluiting van de subjectiviteit ofwel psychische realiteit, omdat uitsluiting van de subjectiviteit ofwel psychische realiteit, omdat die uitsluiting de keerzijde is van de transformatie van klacht tot symptoom. Grootheden als 'de subjectiviteit van de patiënt' of 'arts-patiënt-verhouding' hebben daarom - hoewel dat vreemd mag schijnen - wezenlijk geen plaats binnen de medische wetenschap" (pag. 25)
Reactie
Datgene wat een patiënt dus ervaart en beleefd is dus kennelijk niet van
belang (uitsluiting) voor de medische wetenschap zoals bijvoorbeeld de psychiatrie.
En dit wordt mogelijk doordat deze uitsluiting de keerzijde (minder aangename kant)
is van de omzetting (transformatie) van klacht tot symptoom. Kennelijk is zowel de
klacht als symptoom eenduidig en wetenschappelijk vast te stellen volgens
Prof. Mooij, anders blijft er niet veel over van die medische wetenschap.
Hij baseert zich o.a. op Clavreul 1978, die zich weer baseert zich op de discourstheorie van Lacan. Is dit medische wetenschap? Nee, maar het vertrouwde psychoanalytisch gedachtegoed van Prof. Mooij dat hij goed kent, maar verkeerd en onterecht gebruikt in een verbinding met de medische wetenschap.
Citaat 4
"Dit heeft tot de zware consequentie geleid dat de geneeskunde als samenstel van medische
wetenschappen en medische praktijk gebouwd is op een innerlijke tegenstrijdigheid die onophefbaar
lijkt: medische wetenschap en praktijk liggen niet in elkaars verlengde, maar er bestaat een
aanzienlijk spanning tussen beide."
(pag. 26)
Reactie
Als we dus weer uitgaan van de psychiatrie als geneeskunde en medische wetenschap is er
een spanningsveld tussen medische wetenschap en praktijk. Volgens mij kan je vanuit de praktijk,
zonder door bijvoorbeeld het doen van verantwoord wetenschappelijk onderzoek (m.b.v. RCT)
kan men helemaal niet praten over medische wetenschap. Kennelijk is zoals we later ook zullen zien,
de ware wetenschap van Prof. Mooij niet het wetenschappelijk onderzoek maar de hermeneutische
diagnose volgens de psychoanalyse en filosofie de ware wetenschap. We kunnen dit een manier van
denken noemen dat ver af staat van de huidige medische wetenschap en praktijk.
Citaat 5
"Griesinger schreef in 1845 : 'Geisteskrankheiten sind gehirnkrankheiten"
Volgens Prof. Mooij: "Hiermee is gezegd dat psychopathologische fenomenen te zien zijn als symptomen van een onderliggend somatisch gebeuren. De psychiatrie kan zich vervolgens, geheel conform het medisch discours, als symptomatologie constitueren."(pag. 31)
Reactie
Was het maar zo simpel. Op de eerste plaats zijn heel veel psychische aandoeningen, zelfs die
zeer waarschijnlijk duidelijk een biologische basis hebben in de hersenen zoals schizofrenie niet
altijd traceerbaar. Wel weten we dat er bij schizofrenie een complex samenspel is van
neurotransmitters, genetisch biologische aanleg, levenservaring zoals psychische trauma's,
stress en lichamelijke hersentrauma's enzovoort, die allemaal een rol kunnen spelen bij deze
ernstige psychische aandoening. De symptomatologie in de psychiatrie is dus alles behalve afhankelijk
van een 'somatisch gebeuren' (het woord alleen al) daar kan je alle kanten mee op. Kennelijk bedoelt
Prof. Mooij dat je een arts moet zijn om psychische aandoening te kunnen behandelen.
En dan natuurlijk wel een psychiater, die het psychoanalytisch gedachtegoed hanteert.
De praktijk heeft anders geleerd.
Hebben veel psychiaters een grote voorkeur voor het uitsluitend voorschrijven van een
psychotrope medicijn omdat het medisch discours van Griesinger nog erg dominant is? Prof Mooij
vindt van niet. De psychoanalyse is de juiste aanvulling (naast medicatie) voor de patiënt
z'n psychische realiteit als medisch wetenschap en discours. Waarop dit gebaseerd is heb ik nergens
terug kunnen vinden in dit boek.
Citaat 6
"Overigens is de Daseinsanalyse (Binswanger, 1946) niet de enige vorm van antropologie. De psychoanalyse kan ook zeer gemakkelijk overgaan in een antropologische discipline, en wel omdat een bepaalde antropologische conceptie aan haar ten grondslag ligt."(pag. 43).
Reactie
Deze conceptie blijkt vervolgens te zijn de Freudiaanse fasentheorie van de ontwikkeling,
Oedipus-complex en Narcistische ontwikkeling.
Prof. Mooij is kennelijk niet bekend met actuele psychologische fasentheorieën van
Piaget, Vygotsky en Erikson. Deze gaan ook over mensen en zijn dus antropologisch. En logischer
en niet gebaseerd op de mythische Freudiaanse fasentheorie. Echter deze namen van psychologen
komen waarschijnlijk niet voor in Prof. Mooij's gedachtegoed en literatuurlijst.
Het zijn
immers geen psychiaters uit het verleden, die de psychoanalyse aanhangen en zijn dus a priori
minder van belang of vallen buiten het denkkader van Prof. Mooij. Overigens was Erikson wel een
psychoanalyticus maar geen psychiater.
Citaat 7
"En omdat een klacht wordt opgevat als symptoom van een onderliggend proces, bedrijft het drift- of energie-ontladingsmodel tevens symptomatologie in de zin van het medisch discours."(pag. 43).
Reactie
Dit boek van Prof. Mooij staat vol met fysicalistische woorden zoals in dit citaat
'energie-ontladingsmodel'. Voorbeelden hiervan zijn: code, gesloten circuit, golven, frequentie,
verontreinigingen.
De voorgaande tekst is slechts één voorbeeld van de vele in dit boek. Waarschijnlijk
is dit in navolging van wat Sigmund Freud deed bij een tekort aan wetenschappelijk jargon: 'dit
compenseren door de mens voor te stellen als een stoommachine'. Hierdoor wordt kennelijk een
verbetering verkregen van een meer exacte weergave van verschijnselen, zoals we in de natuurkunde
gewend zijn.
Citaat 8
"Bijgevolg is menselijk gedrag, psychisch activiteit, geen reactie op een prikkel - dat ware in strijd met het voorgaande - maar een antwoord op zin of betekenis" (pag. 50)
Reactie
Je hoeft het voorgaande niet te kennen om de betekenis van deze regel als onzin te beschouwen.
Kennelijk is Prof. Mooij bang dat mensen op basis van een prikkel, het woord stimulus durft hij
kennelijk niet aan, iets te doen zoals bijvoorbeeld bij verslavingen als gokken, drugs en drank.
Nee, volgens hem gaat het hierbij om de zin of betekenis. Kennelijk is hij erg bang voor het
behaviourisme.
Al heeft men in deze Amerikaanse psychologiestroming de stimulus-respons koppeling te eenvoudig
verondersteld, mensen als Watson, Pavlov, Tolman, Titchener en Skinner en ook onze eigen
Prof. Heymans hadden heel wat meer notie van hoe men wetenschappelijk onderzoek moet doen dan
enig psychoanalyst die ik ken
Citaat 9
"Dit houdt in dat wat in termen van substraat beschreven wordt, nooit en te nimmer de oorzaak kan zijn van wat in termen van handeling of zin beschreven is. In principe is de vraag naar de verhouding tussen het psychische en somatische nu opgelost" (pag. 56)
Reactie
Knap van Prof Mooij. Hij heeft toch maar : "de verhouding tussen het psychische en
somatische opgelost". Dus neuropsychiaters, neuropsychologen stop maar met bijvoorbeeld
wetenschappelijk fMRI hersenonderzoek. Dat heeft geen zin méér…. Prof. Mooij heeft
de relatie tussen het lichaam en het psychische al opgelost. Zonde van al dat geld dat we aan
wetenschappelijk onderzoek besteden: 'kijk in zijn boek en elk wetenschappelijk onderzoek
blijkt onnodig'.
Citaat 10
"Maar zo wordt nooit onderzocht hoe een substraatsverandering een handeling veroorzaakt of hoe psychische factoren inwerken op het substraat. Zulk een biopsychisch onderzoek is een niet levensvatbaar monster" (pag. 57).
Reactie
Nu weten al die neuropsychiaters en neuropsychologen aan welk monster ze bezig zijn. Goed
te weten toch. Verder geldt hier hetzelfde. Prof Mooij is hier tenminste consequent in zijn
onzin uitspraken.
Citaat 11
"Ieder kent wel de voorbeelden van de enuresis nocturna (het bedplassen) van de kleuter die verwikkeld is in een conflict wel of niet iets met de moeder te willen…" (pag. 61)
Reactie
Zou het ook een lage hormoonspiegel van vasopressine kunnen zijn, problemen met de blaas?
Of conflicten van een heel andere aard zoals ruzie en pesten op school?
Dit citaat is heden ten dage een mythologische mythe te noemen. Maar past wel in dit boek,
want Prof. Mooij heeft een sterke voorkeur voor oude Griekse filosofen als Plato en Aristoteles
want daar kan men immers alle kanten mee op net zoals het feit dat de psychoanalyse overal wel
een verklaring voor heeft. Karl Popper (komt zo waar voor in het boek, alhoewel erg bescheiden)
en heeft eens gezegd dat de psychoanalyse nooit een wetenschappelijke theorie kan zijn omdat het
voor hetzelfde menselijk gedragsfenomeen te veel verklaringen heeft.
In de wetenschap gaat het om riskante eenmalige uitspraken zoals bij Einstein. Karl Popper's
zijn stellingname is o.a. aangetoond met de uiteindelijke placebo-waarde van de psychoanalyse in
het wetenschappelijk psychotherapie effectonderzoek van de laatste 35 jaar.
Citaat 12
"De door deze auteurs ( Straus,1935 - Goldstein, 1934 - von Weizsäcker, 1940) - Zutt, 1938 - Plügge, 1962 - Buytendijk, 1948 en - Merleau-Ponty, 1945) veelal uitgeoefende kritiek op de reflexleer, is goed over te nemen, althans voor zover gesteld wordt dat de mens - op hermeneutisch toegankelijk niveau - niet reageert op prikkels maar op betekenissen."(pag. 61)
Reactie
Het is duidelijk dat Prof. Mooij niets moet hebben van de reflexleer. Komt dit wellicht omdat
menselijke reflexen niet hermeneutisch te benaderen zijn? Of zou het bestaan van niet lichamelijk
reflexen (dus psychische reflexen) de mens tot een dier degraderen, waardoor de psychoanalyse niet
meer toepasbaar wordt. We zien hier ook weer de antipathie en waarschijnlijk ook angst voor alles
wat neigt naar relaties met het behaviourisme en diens voorloper de reflexleer van Pavlov en Bekhterev.
Citaat 13
"Het eigen van een (psychiatrische) praktijkwetenschap is dat zij een situatie door in te grijpen in die situatie op wetenschappelijk wijze wil veranderen." (pag. 79)
Reactie
Ja dat klopt. Alleen Prof. Mooij denkt dit te bereiken door in te grijpen met een
niet-wetenschappelijke psychotherapie (wijze): de psychoanalyse en dit is dus in tegenspraak
met de voorgaande regel en stellingname. Prof. Mooij zegt het één en doet het andere.
Dit komt niet betrouwbaar over.
Citaat 14
"De vraag of er kennis mogelijk is van het individuele, is van kardinale betekenis voor de pretentie van de psychiatrie als praktijkwetenschap. Is het antwoord ontkennend dan zijn we immers uitgepraat". (pag. 81)
Reactie
Het woord kennis is zo abstract dat je daar alle kanten mee op kan. Maar stel voor dat
Prof. Mooij zou bedoelen dat dit het individuele, het subjectieve, de psychische realiteit is.
Dan betekent het dus dat een psychiater een patiënt met bijvoorbeeld een psychose en
hem niet kent, dus niet op de hoogte is (er geen kennis mogelijk is van het individuele of van
zijn psychische realiteit) uitgepraat is en dan dus de patiënt niet behandelt of zo?
Onzin dus. Als u wat anders bedoelt Prof. Mooij wat ik me bij dit citaat nog goed
kan voorstellen dan moet u het niet zo vaag formuleren. Vooral 'kennis mogelijk is' maakt het er
niet duidelijker op.
Citaat 15
"Op het terrein van de psychoanalyse heeft iemand als H. Kohut het belang van een grootheid als 'empathie' beklemtoond."(pag. 86)
Reactie
Vlak na de Tweede Wereldoorlog was het Carl Rogers die cursussen gaf aan honderden
psychiaters (in die tijd allemaal psychoanalytisch geschoold), om meer empathisch met
patiënten om te gaan en niet H. Kohut. Kennelijk past een vooraanstaand en overbekend
psycholoog als Carl Rogers (o.a. bedenker CCT en wetenschapper) niet in het kennisbestand van
Prof. Mooij. We kunnen dit een historische vertekening noemen van de werkelijkheid ten gunste
van de psychoanalyse en zijn volgelingen zoals Heinz Kohut.
Citaat 16
"Het onderscheid tussen rede of verstand enerzijds en gevoel, emotie, hartstocht, begeerte anderzijds biedt een duurzame tweedeling op het terrein van het psychische in de westerse cultuur, die ook in de hedendaagse psychiatrie diep is verankerd." (pag. 103)
Reactie
De hedendaags psychiatrie is helemaal niet verankerd met deze tweedeling. A.R. Damassio
(o.a. in "de vergissing van Descartes", 1995) en verschillende andere neuropsychiaters hebben de relatie
tussen denken en emoties mede via wetenschappelijk onderzoek aangetoond. Beide fenomenen kunnen
niet zonder elkaar. Dus er is geen denken zonder emoties en er zijn geen emoties zonder denken.
Maar dat is huidige wetenschap en lijkt wel een ver-van-mijn-bed-show voor Prof. Mooij.
Het getuigt ook van minachting voor de hedendaagse psychiatrie of ze nog
verankerd zitten in het "dualisme van Descartes", terwijl er al heel lang
"het gelijk van Spinoza" (A.R. Damassio, 2004) bestaat.
En zo kunnen we nog wel 80 pagina's verder gaan in dit boek om de overige inconsequente,
onwetenschappelijke filosofische en psychoanalytische citaten van Prof. Antoine Mooij verder van
commentaar te voorzien, maar dat heeft weinig zin want het voorgaande zegt volgens mij voldoende
om zijn denkwereld duidelijk te maken.
Conclusie
Na het lezen van dit boek van Prof. Antoine Mooij heb ik mij bedacht hoe
het komt dat iemand die slechts vier jaar ouder is als ikzelf, zo anders aankijkt
tegen wetenschap en zijn toepassingen. Ik denk dat daar verschillende verklaringen
voor zijn, maar die doen er eigenlijk helemaal niet toe.
Waar het om gaat is dat als je zoals Prof. Antoine Mooij dit doet door de
filosofie en psychoanalyse als basis te nemen voor zijn manier van denken en leven,
dan is dat honderd procent zijn goed recht. Ook dat hij alleen geïnteresseerd
is in het oude psychoanalytisch gedachtegoed is zijn goed recht.
Want de object-relatietheorie (zoals bij Melanie Klein, Donald Winnicott en
Margaret Mahler) wordt slechts zijdelings vermeld en de neo-Freudianen als Carl Jung, Alfred Adler,
Erik Erikson, Karin Horney, Victor Frankl komen in het geheel niet voor. Kennelijk zijn de laatste al
te modern, doordat zij de doctrine van S. Freud (neo-Freudiaans) niet volgden zoals door de
seksualiteit minder dominant te zien en o.a. iemand's sociale context te beschouwen.
Opvallend is verder dat Prof. Mooij erg put uit de filosofie van Husserl,
Heidegger, Brentano en Dilthey maar een oorspronkelijk filosoof/psychoanalyst als Erich Fromm niet
citeert of kennelijk weet van hem heeft. Dat maakt hem erg conservatief en
eenzijdig ook binnen het psychoanalytische gedachtegoed.
Verder zijn de werken van Karin Horney, Erich Fromm, Donald Winnicott en Harry Stack
Sullivan maar ook dat van Otto Kernberg, Helen Deutsch en Melanie Klein
en hun interpretatiekaders een perfecte brug tussen het oude
en het nieuwe denken en doen binnen de psychoanalyse (o.a. M.H.M. de Wolf, 2002).
Ik vind hier weinig of niets van terug in beide boeken van Prof. Mooij. Jammer is dat.
Iedereen heeft de keuzevrijheid die Prof. Mooij kennelijk maakt. Maar als
van een hoogleraar als Prof. A.W.M. Mooij, die in 2006 werkzaam is bij het
Willem Pompe Instituut en als bijzonder hoogleraar in Groningen werkt en
volgens het denken zoals in zijn boek wordt weergegeven werkt, lijkt
me dit onbegrijpelijk, onwetenschapelijk en zeker niet meer van deze tijd.
In Nederland vindt men dit kennelijk allemaal prima want ik heb over Prof. Mooij
nog nergens bezwaren binnen de psychiatrie of GGZ kunnen vinden.
Wel dat hij in 2004 een koninklijke onderscheiding heeft gekregen, maar dat zal
wel niet voor het schrijven over wetenschap en psychiatrie zijn geweest, dunkt mij.
Literatuur
- Mooij, A.W.M., De psychische realiteit Amsterdam: Boom, 1999
- Mooij, A.W.M., Psychoanalytisch gedachtegoed Amsterdam: Boom, 2002
