Capita selecta - juli 2010
Ontstaan, indicatoren en behandeling van een persoonlijkheidsstoornis
door Piet van der Ploeg - CCGT - Zoetermeer
Index
Biologische factoren - Psychologische factoren - Sociale factoren
- Definitie P.S.
P.S. indicatoren - Beschrijvende psychodiagnostiek - Persoonlijkheidsonderzoek
Antwoord op het ontstaan van een PS is niet eenvoudig te geven. Er zijn ongelooflijk veel boeken over geschreven, en er zal nog vele jaren
onderzoek naar gedaan worden. Hier proberen we de belangrijkste zaken over persoon- Mensen verschillen in aanleg en in temperament. De een wordt sneller angstig, de ander eerder somber een ander
is weer gevoeliger.
De een is erg gesloten, de ander juist extravert. Ons temperament krijgen we bij de geboorte mee. Ook kun je denken aan aanleg voor
psychiatrische symptomen zoals een stemmingstoornis, ADHD, seksuele disfuncties en verslavingen. Maar ook een meer of mindere
biologische match met de moeder kan een rol spelen.
Welke ervaringen doet iemand op, hoe werken deze door in iemands beleving van zichzelf, zijn directe opvoeders en zijn omgeving. Hoe
is er door belangrijke anderen omgegaan met zijn 'eigenaardigheden', emoties en temperament, en hoe heeft de persoon in kwestie daar
weer op gereageerd. Ook hierbij kan dus meer of mindere matching tussen kind en ouders een belangrijke rol spelen.
Zoals sociaal-culturele omstandigheden, de inbedding van het gezin in de omgeving en de relatie van de ouders en hun sociaal model,
levensstandaard van het gezin, gevolgen van emigratie en verschuivingen op de sociale ladder, enzovoort.
We spreken van een persoonlijkheidsstoornis wanneer bij een persoon sprake is van een duurzaam en star
patroon van disfunctionele denk-, belevings- en gedragspatronen die tot uitdrukking komen in een groot aantal persoonlijke en sociale situaties en
die duidelijk afwijken van de verwachtingen binnen de (sub)cultuur van de betrokkene.
We gaan hier in op wat we indicatoren kunnen noemen voor de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis.
Het betreft de vijf primitieve afweermechanismen zoals splitsen,
omnipotentie, loochening, projectieve identificatie en primitieve idealisatie.
Dit is het basisafweermechanisme bij mensen met een ernstige persoonlijkheidsstoornis. Tegenstrijdige
gevoelens ten aanzien van zichzelf of de ander kunnen door de persoon in kwestie niet geïntegreerd worden
tot een geheel, maar worden afwisselend beleefd.
Tijdens de vroegste levensfasen, met namen de fase van symbiotische eenheid worden anderen in de
buitenwereld als een uitbreiding van het zelf beleefd en narcistisch benut; ze worden als 'zelfobjecten'
geïntrojecteerd. Met de opbouw en stabilisering van een gezond (reactief) zelf kan het kind
steeds beter een onderscheid maken tussen zichzelf en anderen, maar wordt het tegelijkertijd geconfronteerd
met de grenzen van zijn illusoire almacht; zo begint het te onderkennen dat moeder in plaats van onder zijn
magische controle, auto- Hiermee wordt bedoeld dat de persoon onhanteerbare situaties zoals depressieve gevoelens, onschadelijk probeert te maken door
ontkenning van de gebeurtenis en de gevoelens die er mee samenhangen. Het verschil met liegen is dat dit laatste bewust gebeurt, terwijl bij
loochening er de werkelijke overtuiging is dat hetgeen geloochend wordt nooit gebeurd is.
De basis hierbij is splitsing: verboden gevoelens zoals woede, of seksuele gevoelens worden afgesplitst en geprojecteerd op de ander.
Het verwijst dus naar het verschijnsel dat tegen- Beschrijvende psychodiagnostiek is gericht op het classificeren van gedragskenmerken zoals deze tot uiting komen in klinisch observeerbare fenomenen.
In tegenstelling tot dat wat de naam doet vermoeden levert de beschrijvende psychodiagnostiek aldus geen diagnose op maar een classificatie/beschrijving
van de karakter- en persoonlijkheids-
Testpsychologisch P.O. - Kohut en Kernberg over Narcisme
- Behandeling: Kohut Behandeling: Kernberg - Schematherapie - Dagklinische behandeling
Klinische behandeling - Dialectische gedragstherapie - Kortdurende Dyn.Psych. v. McCullough -
Links P.S.
Inleiding
lijkheidsstoornissen duidelijk te maken.
Op de eerste plaats is er geen eenduidige oorzaak voor een persoon-
lijkheidsstoornis. Steeds is sprake van een ingewikkeld samenspel
van complexe factoren.
Tegenwoordig kunnen we om te beginnen volgens het biopsychosociale model de volgende factoren bij een
persoonlijkheidsstoornis onder-
scheiden:
Biologische factoren
Psychologische factoren
Sociale factoren
Definitie
Wat is een persoonlijkheidsstoornis?
Dit duurzame, inflexibele patroon leidt tot omvangrijke beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren.
De persoon in kwestie voelt vaak niet meer de vrijheid om flexibel en creatief te reageren op de eisen van
alledag. Het denken en waarnemen kunnen daarbij sterk gekleurd zijn maar zijn wel egosyntoon (situaties of
voorstellingen zijn in harmonie met de subjectief ervaren inhoud van het eigen bestaan en in die zin
aanvaardbaar voor de persoon).
Zo kunnen vervormingen ontstaan in de wijze waarop iemand kijkt naar
zichzelf en zijn omgeving. De beleving en uiting van gevoelens kunnen eveneens verstoord zijn, zoals
bijvoorbeeld bij sterk wisselende of te intense emoties, reageren op stress, en het ervaren van
intimiteit met een partner.
Vaak gaan zulke verstoringen samen met terugkerende moeilijkheden in de beheersing van de eigen
impulsen zoals het omgaan met ruzie, ambivalentie in relaties. Nagenoeg alle mensen met een P.S.
ervaren wel moeilijkheden in het contact met anderen en lopen vaak vast
op verschillende terreinen van hun leven zoals met een partner maar ook met familie en collega's op
het werk. De oorzaak hiervan zijn de vroeg ontwikkelde schema's en de daaruit voortvloeiende manier
van denken, voelen en handelen.
Of anders deze VO-schema's, ook wel valkuilen of primaire afweermechanismen genoemd, zorgen ervoor
dat de levensruimte van een persoon met een P.S. sterk negatief wordt beïnvloed in de verschillende relaties
met andere personen.
De hulpvraag van mensen met een persoonlijkheidsstoornis kan zeer verschillend van aard zijn. Vaak komen persoonlijkheidsstoornissen en andere symptomen,
zoals bij voorbeeld een angststoornis, depressie, dwang, psychotische stoornis of verslaving gelijktijdig voor.
Aard en ernst van de persoonlijkheidsstoornis kunnen sterk verschillen. Zo kan een antisociale persoonlijkheidsstoornis de oorzaak vormen van ernstig
crimineel gedrag. Maar iemand met een ontwijkende of narcistische persoonlijkheidsstoornis kan zijn angsten of niet-ware-zelf soms zo goed verbergen
dat hij ogenschijnlijk heel normaal functioneert. Mede daarom heeft de hulpvraag in eerste instantie vaak niet zo zeer betrekking op de aanwezigheid
van de persoonlijkheidsstoornis, maar staan klachten voorkomend uit de symptomen op de voorgrond (DSM-IV As I).
In veel gevallen kan een
persoonlijkheidsstoornis beschouwd worden als een onderliggende stoornis die het optreden van andere symptomen juist of mede veroorzaakt.
Of er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis kan men pas concluderen na een gedegen diagnostisch onderzoek door een psychiater, psychotherapeut of psycholoog.
Persoonlijkheidsstoornissen worden soms wel 'ontwikkelingsstoornissen' genoemd. Hier-
mee wordt bedoeld dat in iemands ontwikkeling van jong kind tot puber,
adolescent en volwassene de persoonlijkheidsproblemen reeds aanwijsbaar zijn. Soms houden deze verband met duidelijke trauma's als vroege verlating,
seksueel misbruik of een ernstig emotioneel tekort.
Ook kunnen er moeilijke gezinsomstandigheden zijn die hebben geleid tot onvoldoende veiligheid,
aandacht, begrenzing of begeleiding maar ook de invloed van broers en zussen kan van groot belang zijn zoals het moeten geven of juist ontvangen van
aandacht en liefde. De ouders, vooral de moeder, speelt bij het kwetsbare kind in de eerste vijf levensjaren een cruciale rol.
D.W. Winnicott (Engels kinderpsychiater) noemt de manier waarom de moeder als opvoeder voldoende heeft gefunctioneerd de 'good-enough mother'. Dat wil zeggen dat een moeder (of andere opvoeder) het op veel
verschillende manieren goed genoeg heeft gedaan als het gaat om te voldoen aan de belangrijkste voorwaarden voor het opvoeden van een
gezond emotioneel en autonoom kind, als basis voor een later gezonde volwassene.
Het gebeurt ook wel dat zulke duidelijk aanwijsbare redenen zoals hiervoor ontbreken, en dat mensen toch een sterke onvrede met zichzelf en/of anderen hebben.
Bij nader onder-
zoek blijkt dan bijvoorbeeld dat iemand zich zo sterk aan zijn omgeving heeft aangepast, dat hij vervreemd is geraakt van de eigen behoeften
en gevoelens. Met als negatieve gevolgen: een negatief gevoel over zichzelf, depressiviteit, moeite met intieme relaties, eenzaamheidsgevoelens en/of zich
gemakkelijk buitengesloten voelen.
Voor de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen is de (moeilijke) vraag naar de oorzaken niet van doorslaggevend belang. Belangrijker is duidelijkheid
te krijgen over de factoren die in het hier-en-nu de problemen in stand houden. Dat kunnen omstandighe-
den zijn, maar ook automatische reactiewijzen
voortvloeiend uit zogenaamde vroeg ontwikkelde schema's (J. Young, 1995).
Als we kijken hoe al zo'n 100 jaar wordt nagedacht over persoonlijkheidsproblemen en vooral ook het ontstaan en de gevolgen, dan verdient zeker hier aandacht
voor de psycho-
analytische theorieën zoals van Kernberg, Mahler, Kohut en Klein (zie ook elders op deze website).
Indicatoren voor een persoonlijkheidsstoornis
We geven hier een uitgebreide toelichting.
Splitsen
De persoon heeft het gevoel of helemaal slecht of helemaal goed te zijn. Dit gevoel van helemaal goed of
helemaal slecht geldt ook ten aanzien van de personen in zijn omgeving. Dit leidt tot sterk wisselend gedrag,
waarbij iemand die vandaag nog bovenmatig geïdealiseerd wordt (primitieve idealisatie) na
een overmijdelijk teleurstelling, morgen gezien kan worden als de slechtste mens op aarde (devaluatie).
De eerste ervaringen van onlust, en van een onvermijdelijk tekortschieten van het pri-
maire object
de behoeften van het kind direct te bevredigen, confronteren het kind met de 'onlustvolle'
kanten van de realiteit (het zogenaamde realiteitsprincipe). Dit zou volgens o.a.
Melanie Klein ertoe leiden dat de baby al tijdens de eerste levensmaanden zijn agres-
sieve
impulsen projecteert en zijn conflict tussen liefde- en haatgevoelens oplost door het primaire
object op te splitsen in een goed en slecht object, een goede en slechte moeder. Omdat het
kind nog niet kan onderscheiden tussen zichzelf en de objecten zou het door zijn eigen
boosheid te projecteren al angst ontwikkelen voor het afgesplitste 'slechte' object en
het als gevaarlijk beleven.
Ook zou het kind de moeder die vanwege zijn eigen woedeaanvallen als gevaarlijk werd
ervaren kunnen veranderen in een goede moeder door zelf een 'goed' kind te worden. Aldus,
volgens deze emotionele logica, zouden de basispatronen voor noties van goed en kwaad,
de inhouden van het geweten, al tijdens deze fase worden opgebouwd.
Deze vroege symbiotische fase wordt ook wel de fase van het primaire narcisme
genoemd. De grenzen tussen het zelf en de objecten in de buitenwereld zijn nog vloeiend
en diffuus. In een illusoire beleving van 'omnipotente' fusie met de objecten wordt
het zelf opgebouwd middels mechanismen als introjectie, projectie, opsplitsing en
idealisering van zelf- en objectbeelden.
Deze emotionele mechanismen blijven in latere levensfasen een rol spelen in de gewetens-
vorming
en in narcistische disposities.
Omnipotentie en grootheidsfantasieën
noom en gescheiden van hem functioneert.
Als afweer tegen de onvermijdelijke ervaring van het verlies van de oorspronkelijke eenheid en de
grenzen die door de realiteit worden gesteld, projecteert het kind de vroegere volmaaktheid op
zichzelf en ontwikkelt het een grandioos, exhibitionistisch zelfbeeld ofwel Grössen-Selbst.
Ook kan het de vroegere volmaaktheid projecteren op een bewonderd, almacht ander: het geïdealiseerde
ouderimago. Vanwege de nauwe relatie tussen de ander en zelfbeelden tijdens de vroege individuatiefases, correspondeert
de idealisering van het zelf veelal met de idealisering van anderen. Gevoelens en voorstellingen van
grandiositeit en omnipo-
tentie hebben dus hun oorsprong in vroegere ervaringen met en voorstellingen van
zelf-ander-eenheid. De idealisering van de ouders komt dus in wezen voort uit de afhankelijk-
heid van het kind.
In een gezonde ontwikkeling zijn met de consolidatie van het reactieve zelf, zelfobjecten minder nodig en
neemt de scheidingsangst af. Het kind kan duidelijker de grenzen tussen zichzelf en anderen onderscheiden;
het kan ze realistischer inschatten en duidelijke de kwalieteit én onvolkomenheden van de ouders
her- en erkennen. Een realistischer aan-
vaarding van de ander alsook van de eigen persoon wordt dan mogelijk.
Grandioos geïdealiseerde zelfbeelden worden stapsgewijs vervangen door realistischer zelfbeelden
en het Grössen-Selbst kan worden omgevormd tot een consistent gevoel van eigenwaarde.
Op latere leeftijd blijkt het Grössen-Selbst als compensatiemechanisme opnieuw in wer-
king te kunnen treden. Zowel
fantasieën die belevingspatronen uit de vroege kindertijd volgen. Ze kunnen fungeren als afweer
tegen scheidings- of verlatingsangsten of tegen een zwak zelfgevoel. Ze kunnen daarom als narcistische fantasieën worden aangemerkt.
Loochening
Projectieve identificatie
gestelde affecten niet te verdragen zijn in het individu.
Daarbij is het gedrag zo dat onbewust in de ander de verdrongen gevoelens worden opgeroepen en deze zich ook werke-
lijk boos, seksueel
geprikkeld voelt.
Met deze gevoelens kan men zich vervolgens wel identificeren. De ander wordt nu beleefd als bovenmatig boos of
erotiserend waarover de persoon met een persoonlijkheidsstoornis zich gekwetst en beledigd kan voelen.
Zo zal bijvoorbeeld de narcistsiche persoonlijkheid zijn gevoelens van inferioriteit en schaamte projecteren op anderen.
Schizoïde persoon-
lijkheden echter projecteren hun optimistische
gevoelens en gezonde delen in anderen. Daarmee mobiliseren zij bij anderen gevoelens van hoop en reddersfantasieën.
Beschrijvende psychodiagnostiek
kenmerken. Hiertoe wordt in de psychiatrie en klinische psychologie nagenoeg altijd gebruik gemaakt van de DSM IV
(Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) en in mindere mate de ICD 10 (International Classification of Diseases).
Volgens deze systemen worden stoornissen onderverdeeld in meerdere dimensies, die in de DSM assen worden genoemd.
Bij de DSM classificatie worden vijf assen onderscheiden:
Persoonlijkheidsonderzoek
Het persoonlijkheidsonderzoek is gericht op het, middels meetinstrumenten en interviews, nader in kaart brengen van persoonlijkheidseigenschappen,
-stoornissen en -structuur. Dit onderzoek vindt dan ook vaak later in een diagnostisch proces plaats. Binnen dit domein van psychodiagnostiek wordt
een onderscheid gemaakt tussen structurele (psychodynamische) persoonlijkheidsdiagnostiek en testpsychologisch persoonlijkheids-
onderzoek.
Tegenwoordig is de Young Schema Questionaire een veel gebruikte test om vroeg ontwikkelde schema's in kaart te brengen.
Structurele diagnostiek
Hier gaat het om het in kaart brengen van de persoonlijkheidsstructuur. Deze structurele benadering is
gebaseerd op het idee dat de persoonlijkheid uit een stabiele, intrapsychi-
sche structuur bestaat die
de basis vormt voor alle gedragingen. Deze structuur ontstaat door een combinatie van genetische,
familiale en psychosociale factoren. Er worden, op basis van verschillen in realiteitstoetsing,
identiteitsintegratie en afweermechanismen, drie persoonlijkheidsstructuren onderscheiden. Deze
zijn de neurotische, borderline en psychotische persoonlijkheidsstructuur.
Het structurele interview
Dit niet gestructureerde interview (de vragen en volgorde zijn niet letterlijk bepaald) is gericht op
de differentiatie tussen een neurotische, borderline en psychotische persoon-
lijkheidsstructuur.
Identiteitsontwikkeling, afgrenzing tussen ik en ander, realiteits-
toetsing, en de wijze waarop angsten,
wensen en impulsen worden afgeweerd nemen een centrale rol in tijdens dit interview. Het interview
brengt in kaart hoe iemand bij oplo-
pende stress en spanning kan reageren en brengt tevens dieperliggende
kwetsbaarheden of stoornissen aan het licht.
Het ontwikkelingsprofiel
Dit semi-gestructureerde interview is gericht op het verkrijgen van informatie over de huidige gedragspatronen die al dan niet gepast zijn in de huidige fase van psychologische ontwikkeling. Op basis van dit interview wordt een ontwikkelingsprofiel samengesteld dat naast de pathologische en minder ontwikkelde persoonlijkheidsaspecten ook de sterke en rijpe persoonlijkheidsaspecten in kaart brengt. Tegelijkertijd ontstaat een beeld van de wijze waarop iemand al of niet verschillende ontwikkelingsstadia heeft doorlopen.
Testpsychologisch persoonlijkheidsonderzoek
Hiermee brengt men persoonlijkheidskenmerken in kaart die, in tegenstelling tot de persoonlijkheidsstructuur,
vaak eerder aan de oppervlakte waarneembaar zijn. Hiertoe zijn in de psychologie meetinstrumenten ontwikkeld waarvan de
MMPI-II (Minnesota Multiphasic Personality Inventory - 2e versie), NVM (Nederlandse Persoonlijkheids-Vragenlijst), UCL
(Utrechtse Coping Lijst), en de NPV (Nederlandse Persoonlijkheids-Vragenlijst) veelvuldig worden gebruikt.
De meetinstrumenten verschaffen informatie over hoe snel iemand bijvoorbeeld angstig en gespannen raakt, hoezeer
iemand introvert/extravert is, hoeveel frustratie iemand kan tolereren en in welke mate iemand zelf verantwoordelijkheid ervaart
voor zijn problemen. Vermeld moet worden dat ook deze meetinstrumenten de laatste jaren steeds vaker worden gebruikt als structurele
(psychodynamische) diagnostiekinstrumenten.
Kohut en Kernberg over narcisme
Er zijn twee belangrijke modellen over de psychodynamiek en de behandeling van pathologisch narcisme,
te weten de theorieën van Kohut en van Kernberg.
Gefragmenteerde zelfbeeld
Volgens Kohut zijn mensen met narcistische problemen gestagneerd in een ontwikkelings-
niveau waarin
ze specifieke reacties nodig hebben van mensen in hun omgeving om een samenhangend zelfbeeld te behouden.
Als deze reacties niet komen in deze ontwikkelings-
fase dan is de kans groot dat er een gefragmenteerd
zelfbeeld ontstaat. Volgens Kohut ontstaat dit doordat ouders falen in empathisch vermogen.
Meer specifiek: de ouders reageerden op fase-adequaat exhibitionistisch gedrag van hun kind niet met
goedkeuring en bewondering, ze boden geen spiegel-ervaring en konden geen
goed model bieden voor idealisatie. Dit is de kern van de zelf psychologie theorie van Kohut.
Ontkennen van afhankelijkheid en kwetsbaarheid
Kernberg ziet meer overeenkomsten tussen de NPS en de borderline persoonlijkheidsstoor-
nis. Volgens zijn visie is het zelf bij de NPS
dan wel geïntegreerd (dit is bij de borderline niet het geval) maar niet op een gezonde manier. Het zelf als structuur bestaat uit
een samensmelting van het ideaal-zelf, het ideaal-object en het reële zelf. Mensen met een NPS zouden zich volgens hem identificeren
met hun geïdealiseerde zelfbeeld om hun afhankelijkheid van anderen en van het innerlijk beeld hiervan (de ideaal objecten) te negeren.
Tegelijkertijd zouden ze de onacceptabele eigenschappen van hun reële zelf ontkennen door ze op anderen te projecteren. Het feit dat
het zelf wel geïntegreerd is maakt de NPS sterker overkomend dan de BPS. Het functioneren is over het algemeen goed.
Agressie
Echter er is een subgroep die wel problemen ervaart met de impulscontrole en een slechte angsttolerantie heeft. Bij deze groep komen ook crisisopnames voor. Een ander verschil in visie is de rol die agressie speelt. In tegenstelling tot Kohut ziet Kernberg agressie als een primaire factor bij de NPS. Een zeer hoog agressieniveau, aangeboren of veroorzaakt door de omgeving, maakt de NPS cliënt destructief naar anderen. Dit uit zich in het zich voortdurend vergelijken met anderen en chronisch jaloers zijn op anderen, met daarbij de wens om het goede van anderen kapot te willen maken.
Idealisering: voedingsbron of afweer?
Ook over de idealisatie is er verschil van mening. Volgens Kohut is de idealisatie (zoals die
zich kan voordoen in therapie) nodig om het zelfobject aan te vullen. Hij ziet het als een
helende factor in het therapieproces, zodat de cliënt de stagnatie in zijn ontwikkeling
kan opheffen. Kernberg ziet de idealisatie als een afweermechanisme tegen diverse niet te
verdragen negatieve gevoelens zoals: woede, jaloezie, verachting en devaluatie. Een reden voor
de verschillen in visie tussen Kohut en Kernberg is dat de eerste een ambulante groep
cliënten onderzocht en de laatste een groep opgenomen cliënten, die dus slechter
functioneerden. Verder lijkt het er op dat Kohut meer de 'sensitieve, geremde' narcist
beschrijft en Kernberg meer de 'openlijke' narcist.
Behandeling: Kohut
Zowel Kohut als Kernberg zien psychoanalytische psychotherapie als de geijkte behande-
ling voor de
NPS. Beiden hebben echter hun eigen accenten in de therapie. Voor Kohut is empathie (het inleven in
de cliënt) de hoeksteen van de behandeling. Dit houdt in dat de therapeut begrijpt dat de
cliënt het nodig heeft om bevestigd te worden (spiegeloverdracht), de therapeut te
idealiseren (idealiserende overdracht) of om net als de therapeut te zijn (tweelingoverdracht).
Naast het begrijpen is het met name van belang dat de therapeut het benoemt en interpreteert
en de kind-ervaringen van de cliënt serieus neeemt. Het doel van de behandeling is het
vinden van een beter zelfbeeld.
Behandeling: Kernberg
De aanpak van Kernberg is veel confronterender. De therapeut moet volgens hem focussen
op de jaloezie en hoe dit de cliënt verhindert om hulp te vragen en te krijgen.
Hij legt meer nadruk op het cognitieve aspect van de interpretatie. Een belangrijk doel
van de behandeling is voor hem het ontwikkelen van schuldgevoelens en interesse in anderen.
Maar ook: het integreren van idealisatie en vertrouwen met woede en minachting. In de
behan-
deling zal de cliënt worstelen met gevoelens van jaloezie naar de therapeut
en zal mechanismen als devaluatie en almachtsgevoelens gebruiken om deze gevoelens op
een afstand te houden. Aan de therapeut de taak om de cliënt hiermee te confronteren.
De meeste therapeuten die mensen met een NPS behandelen zullen niet geheel volgens de ene
of de andere methode werken maar uit beiden elementen gebruiken, net wat nodig is.
Behandelsettingen
Poliklinische behandeling
Voor een individuele of groepsgewijze ambulante behandeling kan men terecht bij de polikliniek
van een GGZ-instelling of een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis (PAAZ) maar
ook bij zelfstandig gevestigde psychotherapeuten. Na een diagnostisch onderzoek krijgt u een
behandeladvies. U krijgt dan een behandelaar toegewezen die samen met u een behandelplan opstelt.
In de behandeling van persoonlijkheidsproblematiek is een belangrijk aspect het aangaan van een
warme en steunende, niet veroordelende therapeutische relatie. Deze maakt het mogelijk voor
cliënten om bepaalde (starre en niet functionele) denkbeelden over zichzelf te corrigeren
en nieuwe ervaringen op te doen in het omgaan met anderen en met conflictsituaties. Dit kan
leiden tot een toename van de emotionele regulatie en competentie en een toename van het vermogen
te reflecteren op zichzelf. In de praktijk wordt meestal niet strikt volgens één model
gewerkt. Vaak hanteert men een combinatie van verschillende inzichten en methodieken.
Dagklinische behandeling
Hier gaat het om vormen van deeltijd- of dagbehandeling, waarbij een therapieprogram-
ma gevolgd
wordt van 1 tot 5 dagen in de week. Sommige deeltijdbehandelingen zijn gespecialiseerd in de
(psychotherapeutische) behandeling van persoonlijkheidsstoornis-
sen, andere richten zich op
andere doelgroepen.
Wanneer sprake is van gespecialiseerde behandeling van persoonlijkheidsstoornissen, gelden
in de meeste gevallen de volgende kenmerken:
- voornamelijk groepsgewijze behandeling, waarbij leef- en werkmilieu deel uitmaken van de behandeling (principes van de klinische psychotherapie).
- multi-disciplinair behandelaanbod, met o.a. sociotherapie, psychotherapie, verschillende nonverbale therapieën, farmacotherapie.
- gebruikmaking van zowel psychodynamisch, systemisch als cogitief-gedragstherapeutisch referentiekader.
- behandeling richt zich op een breed terrein van functioneren: zelfbeeld, omgaan met emoties, interpersoonlijke effectiviteit, invloed traumatische ervaringen, zelfstandigheid en autonomie.
Klinische behandeling
Sommige mensen met persoonlijkheidsstoornissen ervaren zo weinig stabiliteit en structuur in de
eigen woonomgeving dat behandeling pas mogelijk is wanneer een opname gerealiseerd is.
Redenen daarvoor kunnen zijn:
- heel moeilijk alleen kunnen zijn.
- grote moeite met vasthouden van dagstructuur, zelfzorg.
- leefsituatie die, bijvoorbeeld door systeemproblematiek, verandering onmogelijk maakt.
- sociaal isolement: gebrek aan ondersteunende sociale of familiecontacten voor de tijd buiten therapie.
Voor de meeste klinische behandelvormen voor persoonlijkheidsstoornissen gelden de kenmerken van gespecialiseerde dagbehandeling van persoonlijkheidsstoornissen.
Crisisinterventie
Soms raakt iemand met een persoonlijkheidsstoornis zodanig in paniek of in de war dat acuut hulp of opvang nodig is. Dat kan bijvoorbeeld nodig zijn bij ernstige suïcidaliteit, een (rand)psychotisch toestandsbeeld, crisis of gevaar in de gezinssituatie.
Behandelvormen
Schematherapie
Dialectische gedragstherapie
Kortdurende dynamische psychotherapie volgens McCullough
KDP is een evidence-based, integratief psychotherapiemodel voor karakterneurotische en persoonlijkheidsproblemen. Het model is helder beschreven en goed overdraagbaar. Leren lastige gevoelens als angst, schaamte, pijn en schuld niet meer te vermijden en zo ruimte te maken voor verborgen, adaptieve gevoelens is het kerndoel van de behandeling.
Behandelprogramma Mentalization-Based Treatment (MBT)
Bij de MBT wordt uitgegaan van het principe dat een borderline persoonlijkheidsstoornis een stoornis is in de hechting en in het mentaliseringsvermogen. Mentaliseren houdt in dat mensen het doen en laten van zichzelf en anderen waarnemen en begrijpen in termen van gevoelens, gedachten, bedoelingen, verlangens. Patiënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis hebben vaak problemen op dit gebied.
Medicatie bij de borderlinepersoonlijkheidsstoornis
Medicijnen kunnen behulpzaam zijn in de behandeling van mensen met een borderline persoon-
lijkheidsstoornis (BPS). Ze kunnen de ernst van sommige verschijnselen verminderen. Er zijn echter geen medicijnen die de stoornis kunnen genezen. Voor uiteenlopende klachten en gedragingen kunnen verschillende medicijnen worden gebruikt (naar het model van Ingenhoven en Rinne 2007, opgenomen in de Multidisciplinaire Richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen 2008). Indien, naast een BPS een andere psychische stoornis aanwezig is, dient die eerst waar mogelijk met medicatie behandeld te worden.
Groepspsychotherapie bij persoonlijkheidsstoornissen
Groepspsychotherapie is psychotherapie, die plaatsvindt in een groep. Juist voor mensen met persoonlijkheidsstoornissen kan groepstherapie veel opleveren. Zij lopen vaak tegen problemen aan in de interactie met anderen. En juist een groep biedt dan een goede mogelijkheid om hiermee aan de slag te gaan. Want in een groep word je geconfronteerd met wat je gedrag met anderen doet, zonder dat mensen je zullen laten vallen of in de steek zullen laten.
Links Persoonlijkheidsstoornissen
- Schema Therapie
- Stg. Korrelatie Links
- GGz PS
- Narcisme.nl
- Moeilijke Mensen
- Psychiatrienet
- Stichting Borderline
- Triade Borderline
- Stg. Zelfbeschadiging
- Automutilatie
- Maiself
- PS.Punt
Literatuur bronnen
- Brandt-Dominicus, J.C. & J.M. Hilgersom (Red.) - Multidisciplinaire Richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen (2008) - Trimbos-instituut, Utrecht
- Genderen. H. van & Arnoud Arntz - Schemagerichte cognitieve therapie bij borderline-persoonlijkheidsstoornis - (2005) - Nieuwezijds, Amsterdam
- Young, Jeffrey E., Janet S. Klosko & Weishaar M.E. (2005) - Schemagerichte therapie: Handboek voor therapeuten - Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem.
- Young, Jeffrey E. & Hans Pijnaker (2002) - Cognitieve therapie voor persoonlijkheidsstoornissen : een schemagerichte benadering - Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem.
- Arntz A & Bögels, S.M. (2000) - Schemagerichte cognitieve therapie voor persoonlijkheidsstoornissen - Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem.
- Young, Jeffrey E. & Janet S. Klosko (1999) - Leven in je leven. Leer de valkuilen in je leven kennen - Swets & Zeitlinger, Lisse.
- Young, Jeffrey E. (1999) - Cognitieve Therapy for Personality Disorders: A Schema-Focused Approach - Professional Resource Exchange, Inc., Sarasota/USA
- Lowen, Alexander (1995) - Narcisme - De ontkenning van het ware zelf - Servire Uitgevers B.V., Cothen
- Derksen, J.J.L. (1993) - Handboekpersoonlijkheidsstoornissen - De Tijdstroom, Utrecht
- Bögels, S.M. & Oppen, P. van (1999) - Cognitieve therapie: theorie en praktijk - Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem.
- Kernberg, Otto (1985) - Borderline Conditions and Pathological Narcissism - Jason Aronson, Northvale
