WillyvanderDuyn
Als we de vraag stellen wat psychoanalytici onder narcisme verstaan blijkt dat zo'n vraag
niet eenvoudig te beantwoor-
den is. Er is nauwelijks een begrip te bedenken dat grotere
moeilijkheden heeft opgeleverd dan 'narcisme'. Dat bleek eigenlijk al bij het begin,
tenminste wanneer we dat begin willen leggen bij Freuds artikel uit 1914, Zur Einführung
des Narzissmus. De vaak verwarrende uitspraken die Freud hier doet worden veelal verklaard
door het feit dat hij zich in een overgangsfase bevond in zijn theorievorming, tussen de eerste
en de tweede theorie in, te weten de tegenstelling tussen Ik-driften en seksuele driften en de
latere structu-
rele theorie.
Ondanks de grote betekenis die het begrip vanaf het begin heeft gehad voor de verdere theorievorming
is het steeds een bron gebleven voor onhelderheden. Zo zegt Burness E. Moore (1975): 'the concept
remains to this day ill-defined, confusing and as frustrating
to present analysts as it was to Freud himself'. De term 'narcistisch' wordt gebruikt voor een grote
diversiteit van verschijnselen, het is, een libidotype, een ontwikkelingsstadium, een bepaald type
van objectkeuze; het slaat op psychische processen en systemen, het kan een bepaalde levenshouding
zijn. Daarbij komt dat het een sterk pejoratieve (ongunstige) betekenis heeft gekregen, binnen de
psychoanalyse is het pathologische aspect meer naar voren getreden, daarbuiten is het zonder meer
een scheldwoord geworden, 'die narcist' is terechtgekomen in de rij van 'die hysterica' en
tegenwoordig ook 'die neuroot'.
Een belangrijke stap is vooral door Hartmann (1950) gezet, wanneer hij benadrukt dat narcisme niet
primair te maken heeft met het Ik, maar met het Zelf, waarbij Hartmann onder 'Zelf' de eigen persoon
verstaat. We moeten dus, zegt hij , een onderscheid maken tussen objectbezetting en bezetting van de
eigen persoon, van het Zelf, waarbij we in het midden laten of deze 'bezetting' in het Ik, het Es of
het Über-Ich is gelokaliseerd. Hartmann heeft ook de betekenis van het concept 'zelfrepresentatie'
onderstreept. Hieronder verstaat hij 'de onbewuste, voorbewuste en bewuste representatie van het lichamelijke
en psychische zelf in het systeem Ik'. Ondanks de veelheid van zelfrepresentaties moeten we wel bedenken dat
de totale vorm ervan ook tot het concept van een 'Zelf' leidt, en dit houdt een beleving in van een gedifferentieerde
maar ook georganiseerde eenheid, die gescheiden en onderscheiden is van de 'Umwelt', die als continuïteit
wordt beleefd en die de mogelijkheid heeft hetzelfde te blijven temidden van verandering in de 'Umwelt' (Jacobson, 1964).
Een voor mij zeer belangrijk artikel is dat van Sandler en Rosenblatt (1962) over 'the concept of the representational
world'. Zij zeggen hierin dat 'in order to know what is 'outside', the child has to create a representation of
that 'outside' as part of his representational world'.
In de loop van zijn ontwikkeling creëert het kind beelden van objecten die in de buitenwereld bestaan,
het kind creëert zo een binnenwereld waarin allerlei 'objecten' gerepresenteerd zijn, waarin vooral de subjectieve
beleving die het kind heeft van deze 'objecten' een belangrijke plaats inneemt.
Evenzo ontstaat er een representatie van het lichaam, en deze wordt uitgebreid tot een zelfrepresentatie.
Deze houdt alle aspecten in van de belevingen en activiteiten van het kind waarvan het later (bewust of onbewust)
vindt dat ze van hem of haar zijn. De zelforganisatie' is een perceptuele en conceptuele organisatie in de
representationele wereld.
Sandier en Rosenblatt vergelijken de representationele wereld met een toneel in een theater. De karakters op
het toneel zijn de verschillende objecten van het kind, maar het kind zelf speelt, uiteraard zou men zeggen,
de hoofdrol, is de held van het stuk. Dat deze hoofdrol er wel wat anders uitziet dan de rol die het kind
in een meer objectieve realiteit speelt behoeft geen betoog.
Keren we nu terug naar het begrip 'Zelf' dan blijkt dat er allerlei belevingen aan het zelf zijn verbonden.
We kunnen spreken over zelfliefde, zelfwaardering (een gevoel van eigenwaarde), zelfgevoel, we kunnen onszelf
minachten, voor onszelf opkomen, maar we kunnen onszelf ook op een enorme manier overschatten. Dit brengt ons,
wat het begrip narcisme betreft, onmiddellijk in moeilijkheden.
Immers, we zouden uit kunnen gaan van de gedachte
dat alles wat met het zelf, en dus met zelfbelevingen, heeft te maken, onder de noemer van het narcisme gebracht
moet worden. Dit wordt door vele psychoanalytische auteurs ook gedaan. Daarbij ontstaan echter problemen, omdat
dan zowel een normaal zelfgevoel als enorm opgeblazen grootheidsfantasieën narcistisch genoemd zouden moeten
worden. Willen we dit zo doen dan zijn we gedwongen een onderscheid te maken tussen normaal en pathologisch
narcisme en wordt het moeilijk een enigszins duidelijke grens tussen beide te trekken.
Dit wordt des te moeilijker omdat er zo gemakkelijk moraliserende invloeden binnen-
sluipen. We komen dan al spoedig op begrippen als egoïsme
en altruïsme, waarbij het eerste als slecht en het laatste als goed wordt geclassificeerd. Er zijn vooral in de
laatste tijd dan ook andere auteurs die de term narcisme uitsluitend willen gebruiken wanneer er sprake is van stoornissen
in het zelfgevoel, die dan op niet adequate (maar wat is dan adequate?) wijze worden opgelost.
Er is nog een ander probleem en dat is het onderbrengen van 'zelfliefde' onder het narcisme. Zelfliefde, het houden van
jezelf, is toch al een moeilijk begrip.
Liefde heeft voor ons toch eigenlijk altijd te maken met anderen of met
één ander, met, om het in analytisch jargon te zeggen, objecten. Aan de andere kant wordt ook vaak
gesteld dat mensen eerst dan van een ander kunnen houden wanneer ze eerst van zich zelf houden. Daarbij komt dat
het voor velen iets minderwaardigs is zich zelf lief te hebben, ondanks het feit dat zelfs de christelijke moraal
ons dat toestaat, getuige het 'Heb Uw naaste lief gelijk U zelven!' Naar mijn idee werkt het
verwarrend om liefde en narcisme op één lijn te brengen. Ook Narcissus hield niet van zich zelf maar
van zijn spiegelbeeld, en misschien hield hij ook daar niet van maar bewonderde hij het.
Ik zou er het meest voor voelen om de term narcisme te beperken tot die psychische activiteiten die te maken hebben
met het handhaven van een wankel zelfgevoel, en mij aan te sluiten bij Stolorow (1975) die narcisme als iets
functioneels ziet. Het heeft, zegt hij, de functie de structurele samenhang van de zelfrepresentatie te handhaven
wanneer die bedreigd wordt of chronisch wankel is, waarbij dan wel aangetekend moet worden dat dit geschiedt met
regressieve middelen, met andere woorden met psychische activiteiten die hun functie wel hebben gehad maar deze in
harmonieus verlopende ontwikkelingen verloren hebben.
Met het noemen van Stolorow zijn we aangeland in de huidige tijd, en dit is er wat de psychoanalyse betreft een
van een ongekend grote interesse in alles wat met narcisme heeft te maken. Deze interesse wordt veelal verklaard
doordat zich steeds meer mensen tot analytici wenden die niet meer onder zijn te brengen in de oude vertrouwde
neurotische categorieën, maar vaak lijken te behoren tot wat men 'borderlines' is gaan noemen of tot de
zogenaamde narcistische persoonlijkheden. Dit laatste zou dus moeten slaan op mensen waarbij narcistische problematiek
op de voorgrond staat. Ik zeg dit met nadruk, omdat in de psychoanalytische wereld een ontwikkeling op gang is gekomen
die in een naar mijn mening onwetenschappelijke richting gaat.
Hierbij wordt namelijk gesteld dat er mensen bestaan
die uitsluitend een narcistische problematiek hebben, bij wie met andere woorden oedipale problemen geen rol
zouden spelen in het geheel van hun problematiek. Het is voor mij en veel van mijn collega's enigszins onthutsend
dat een dergelijk parsprototo denken telkens opnieuw in de psychoanalyse opduikt, maar het feit ligt er.
Aangezien het in deze nieuwe stromingen vooral gaat om de vroege ontwikkeling van het kind, waarbij de moeder
de grootste rol speelt, en niet meer om latere fasen, vragen velen van ons zich verbijsterd af; 'waar blijft
in vredesnaam de vader'!
Ik wil daar straks graag op terugkomen, maar eerst wil ik iets zeggen over hetgeen de nieuwere ideeën over
narcisme inhouden. Degene die de meeste bekendheid heeft gekregen is Kohut (1971, 1972, 1977). Kohut gaat er van
uit dat het kind objecten nodig heeft om een 'Zelf' tot stand te brengen. In zijn terminologie zijn dit objecten
die narcistisch bezet worden en die hij 'Zelf-objecten' noemt. Hij blijft zelf wat vaag in zijn definiëring
van deze Zelf-objecten. We moeten bedenken dat het hier gaat om subjectieve belevingen van het kind, dat vooral de
moeder als deel van zichzelf beleeft. Kohut onderscheidt twee soorten relaties, te weten een relatie met een
omnipotent Zelf-object, waarmee het kind zich door versmelting één kan voelen, en de relatie met
een grandioos exhibitionistisch Zelf, een Zelf-object, waarin deze almachtige grootheid weerspiegeld wordt.
Kohut gaat er eigenlijk van uit dat het ontstaan van een 'Zelf' altijd begint als een 'grandiose Self' dat pas later 'getemd' wordt.
Twee dingen worden naar mijn mening node gemist in Kohut's ideeën (die uiteindelijk resulteren in een, een aparte
plaats innemende, zelfpsychologie). In de eerste plaats is dit het voorbijgaan aan het begrip 'conflict', in de tweede
plaats, min of meer inherent daaraan, het geen rekening houden met de invloed die agressie heeft.
Wat ook opvalt bij Kohut is dat hij voorbij gaat aan hetgeen andere onderzoekers op het ingewikkelde terrein van het
narcisme gevonden hebben. Zo doet hij Margaret Mahlers (1975) belangrijke onderzoekingen over de ontwikkeling van het
kind af met enkele laatdunkende opmerkingen, terwijl naar veler idee deze onderzoekingen van het allergrootste belang
zijn. Uit zeer gedegen observaties komt Mahler tot een beschrijving over hetgeen zij de 'psychologische geboorte' van het kind noemt.
Deze geboorte vindt volgens haar plaats in fasen.
Na de autistische fase komt de symbiotische, en na deze onderscheidt zij:
de subfase van de differentiatie, de oefenperiode (practicing), de rapprochementsubfase en uiteindelijk de laatste subfase,
waarin 'libidinal objectconstancy' en consolidatie van de individualiteit min of meer worden bereikt.
De subfasen gezamenlijk
noemt zij het separatieindividuatieproces. Waar de oefenfase gekenmerkt wordt door een duidelijke zelfoverschatting ('the world
is his oyster') is de rapprochement-subfase de periode waarin teruggekeerd wordt tot moeder, het kind haalt de moeder nu weer
overal bij. Tegelijkertijd treedt in deze fase een duidelijke ambivalente instelling ten opzichte van de moeder naar voren. Deze
ambivalentie wordt mede bepaald doordat de 'symbiotische almacht' uit vorige fasen nu opgegeven moet worden, maar dit gaat slechts
met grote moeite.
Het kind wordt woedend omdat het uitgaat van de gedachte dat moeder de gewenste almacht wel zou kunden overbrengen, maar dat
ze weigert dit te doen. De eigen almachts-
belevingen worden in de confrontatie met de realiteit steeds meer afgebroken, en
ook dit geeft weer aanleiding tot een versterking van de wens naar symbiotische grootheid. Wanneer de agressie tegen moeder
te groot wordt, met andere woorden wanneer de ambivalentie niet verdragen
wordt, kan om aan dit conflict te ontkomen splijting optreden, hetgeen inhoudt dat er een goed en een slecht object (de moeder)
los van elkaar gaan bestaan. Ook in de zelfrepresentatie treedt dan splijting op, er ontstaat een goed en een slecht Zelf.
Zowel Mahler als ook Kernberg (1975), in wiens beschouwingen splijting een zeer grote plaats inneemt, gaan er vanuit dat dit
afweermechanisme gedurende de rapprochement-subfase als normaal gezien kan worden, maar menen ook dat om een duidelijk object-
en zelfconstantie te verkrijgen splijting als afweer verlaten moet worden om vervangen te worden door verdringing.
Wat gebeurt er nu wanneer de ontwikkeling niet zo harmonieus verloopt?
We zullen ons allereerst af moeten vragen wat we bij splijting moeten verstaan onder 'goed' en 'slecht'. We zouden daarbij kunnen
denken aan liefde en haat, maar wanneer we in overweging nemen dat het kind behoefte heeft aan omnipotentie komt er een andere
polariteit in het spel, namelijk almacht en onmacht, waarbij aan de laatste grote woede gebonden kan zijn.
Deze woede is niet alleen de 'narcistische woede' die Kohut beschrijft en die volgens hem optreedt wanneer niet voldaan wordt
aan de behoefte aan een spiegelend-bewonderend zelf-object, maar zal vaak eerder bepaald zijn door de ontdekking van de eigen
grenzen, eerder dus door het 'je neus stoten' dan door 'op de tenen getrapt zijn'. In Nederland is het vooral Le Coultre (1966)
geweest die gewezen heeft op het belang van splijting. Hij ziet splijting, en dan bedoelt hij splijting van het Ik, als een
centraal neuroseverschijnsel.
Hij maakt aan de hand van enkele gevalsbeschrijvingen duidelijk dat bij een splijting een loochening van de realiteit een conditio
sine qua non is. Hierbij heeft hij vooral het Ik-ideaal op het oog, waarvan hij zegt dat dit normaliter een min of meer benaderbaar
voorbeeld is, maar in pathologische gevallen tot een gefantaseerde 'realiteit' wordt, een reeds gerealiseerde volmaaktheid. Het gaat
hem dus duidelijk om dingen die met narcisme te maken hebben.
Ik heb zelf herhaaldelijk gewezen op het belang van splijting, en wel in het volgende verband (Groen, 1980). Het kleine kind is
in het algemeen gesproken niet in staat de realiteit juist te interpreteren, maar tegelijkertijd verleent het er toch op enigerlei
wijze zijn eigen betekenis aan. We zouden kunnen zeggen dat het kind sprookjes creëert die voor hem realiteitswaarde hebben.
Er ontstaat zo een sprookjeswereld, die naast de reële wereld kan bestaan. In een harmonische ontwikkeling zullen beide
werelden elkaar kunnen beïnvloeden en zal er in ieder geval een duidelijk onderscheid tot stand komen in belevingen uit de
ene en uit de andere wereld. Er kan echter ook hier splijting optreden, mogelijk tengevolge van te angstaanjagende dingen in de
buitenwereld. Wordt er nu uitsluitend beleefd (dat lijkt hier beter dan 'geleefd') vanuit de sprookjeswereld, dan zal de beleving
van de realiteit schimmig worden, het wordt een 'ghost-reality' waarin anderen schimmen zijn. In zijn meest extreme vorm doet dit
denken aan hoe Schreber mensen beschrijft als 'flüchtig hingemachte Männer'.
Maar er is meer, en dit meer is voor ons onderwerp van het grootste belang. Tengevolge
van de splijting in een 'goed' en een 'slecht' zelf, waarvan ik heb aangenomen dat dit ook een splijting betekent in een almachtig en
een onmachtig zelf, huist in de sprookjeswereld een zelf dat op geen enkele manier in staat zal zijn grenzen die door de realiteit
gesteld worden aan te voelen, te beleven. Niet dat er geen weet is van deze grenzen, maar dit weten zal hetzelfde schimmige,
eigenlijk nietszeggende karakter hebben als de wijze waarop andere mensen
beleefd worden, mensen die overigens ook weer te maken hebben met de begrenzingen van de realiteit.
Ook in een harmonisch verlopende ontwikkeling staat het kind voor de moeilijke opgave de beide realiteiten (sprookjeswereld
en werke-
lijkheid) met elkaar te verzoenen.
Het is vooral Winnicott (1971) geweest die over dit probleem hoogst interessante ideeën
heeft ontwikkeld. Uitgaande van beschouwingen over wat hij een 'transitional object' noemt (dat zijn de bekende zakdoekjes, dekentjes en
andere soortgelijke voorwerpen die kinderen vaak tot op vrij gevorderde leeftijd met zich meedragen) komt hij tot een beschrijving van transitionele
fenomenen, die hij situeert in een ruimte
tussen 'inner and outer reality'. Dit is een derde ruimte, die intermediair is en waaraan zowel innerlijke als uiterlijke realiteit bijdragen.
Het is een ruimte die essentieel is voor de ontwikkeling omdat 'it shall exist as a resting place for the individual engaged in the perpetual
human task of keeping inner and outer reality separated yet interrelated'.
Volgens Winnicott speelt deze ruimte ook een grote rol in alles
wat met spel en met creativiteit te maken heeft. Het tot stand komen van deze ruimte wordt volgens hem voor een groot deel bepaald door de
moeder, door het gegeven of de moeder al dan niet 'good-enough' is. Het gaat om de mogelijkheid die een moeder heeft zich aan de behoefte van
haar kind aan te passen, en wel aan de behoefte aan illusie van het kind, een illusie die inhoudt dat het de borst naar believen kan creëren.
Maar, en dit lijkt nog belangrijker, het is ook de taak van de moeder het kind geleidelijk te desillusioneren,
hetgeen betekent dat illusie en realiteit niet steeds meer met elkaar in overeenstemming worden gebracht. Winnicott meent dat door dit
desillusioneren de intermediaire ruimte ontstaat die ligt tussen de primaire creativiteit en de objectieve waarneming die gebaseerd is
op 'reality-testing'. Nu is het zo dat ten gevolge van de door mij genoemde splijting op zijn best een zeer gebrekkige intermediaire ruimte tot
stand zal komen. Dit heeft ernstige consequenties.
In de eerste plaats voor wat betreft de mogelijkheid tot spel en creativiteit, maar ook voor de relatie van het individu tot de realiteit. De
intermediaire ruimte zouden we immers niet alleen
kunnen zien als een ruimte waar twee realiteiten met elkaar worden verzoend, maar ook als een soort filter tussen de beide realiteiten.
We moeten ons de splijting niet voorstellen als iets dat totaal is in die zin dat niets van de ene realiteit in de andere doordringt. Dit
geschiedt dan echter zonder 'filter'. Zo zullen gegevens uit de buitenwereld in de sprookjeswereld ongemitigeerd 'vertaald' worden in
sprookjesterminologie, en zullen omgekeerd sprookjesrealiteiten gehecht worden aan dingen (en mensen) in de buitenwereld.
Wat het eerste betreft kunnen we denken aan de moeilijkheid die mensen nogal eens hebben met gesloten spoorbomen en stoplichten. Een gesloten
spoorboom betekent dan niet dat er een trein gaat passeren en dat met het oog op de veiligheid de spoorbomen gesloten worden, neen, het krijgt
de betekenis van een hindernis die onbekende machten hebben opgericht, die grote woede opwekt en de neiging doet ontstaan die hindernis uit de
weg te ruimen. Het is dit gebeuren dat bij veel mensen resulteert in het negeren van verkeerslichten die op rood staan.
Brodey (1965) heeft naar aanleiding van een onderzoek van een groot aantal gezinnen waarin een schizofrene patiënt voorkwam zeer interessante
beschouwingen gewijd aan de wijze waarop narcistische mensen met de realiteit omgaan. Hij gaat daarbij uit van de Narcissusmythe en stelt dat de
relatie van Narcissus met zijn spiegelbeeld niet de relatie met een ander is, maar met een 'als-of-ander'. Wat waargenomen wordt als realiteit is
zo een 'als-of-realiteit', het is een projectie van het zelf.
Dit maakt het mogelijk, zegt Brodey, een manier van leven op te bouwen die gebaseerd is op relaties met ongescheiden aspecten van het zelf, die
distantie van het zelf hebben omdat ze geprojecteerd zijn op de werkelijkheid. Brodey noemt dit externalisatie en meent dat deze mogelijk wordt
door projectie te combineren met een manipulatie van de realiteit waardoor deze projectie geverifieerd wordt. Realiteit die niet kan worden
gebruikt voor projectie wordt niet waargenomen. Misschien is dit laatste toch wat te verstrekkend en zouden we eerder moeten zeggen dat met
die aspecten van de realiteit geen rekening wordt gehouden.
Nu is het zo dat niet alleen de splijting tussen de beide realiteiten een grote rol speelt, maar dat het ook zeer belangrijk is hoe de sprookjeswereld
eruit ziet, wat zich daarin afspeelt, welke figuren het toneel bevolken. Dat zijn het goede en het slechte zelf en de goede en slechte objecten,
welk laatste afgeleid zijn van hoe de moeder beleefd is. Ook hier is dus splijting aanwezig, erontstaan geen representaties met zowel goede als
slechte eigenschappen, het is het één of het ander. Om deze splijting, die als elk afweermecha-
nisme vrijwel nooit geheel volledig is
en zeker niet volkomen stabiel, te kunnen hand-
haven zal externalisatie vaak tot een noodzaak worden.
Kernberg (1975) bedoelt mogelijk iets dergelijks wanneer hij zegt: 'These splitting operations are maintained and reinforced by primitive forms of
projection, particularly projective identification, primitive and pathological idealisation, omnipotent control, narcissistic withdrawal and devaluation'.
Bij projectieve identificatie denken we dan aan een projectie van het goede of van het slechte zelf (de held en de schurk) op zich daartoe lenende figuren
uit de buitenwereld, bij idealisering aan een projectie van het goede object, en bij devaluatie aan een projectie van het slechte object. In extreme
gevallen wordt de buitenwereld zo bevolkt door een betrekkelijke grauwe massa en een aantal uitzonderingen, welke laatste dan toch ook op geen enkele
wijze gezien worden als reële, onafhankelijke individuen, maar uitsluitend dienen als mogelijkheden tot projectie vanuit de eigen binnenwereld.
In hoeverre deze 'objecten' zich nu dekken met de 'zelf-objecten' van Kohut en zijn school is nog maar de vraag, een vraag overigens die mij terugbrengt
naar wat ik al eerder heb gesignaleerd, de merkwaardige toestand namelijk die er is ontstaan rond het vraagstuk van het narcisme. De schrik slaat mij om
het hart wanneer ik denk aan de mogelijkheid dat het bezig zijn met narcisme zoveel narcisme in analytici mobiliseert dat in de pogingen het probleem
wetenschappelijk te benaderen allerlei narcistische problematiek zich uit kan leven. Het is een feit dat zowel Kohut als Kernberg scholen vormen die
elkaar fel bestrijden en weinig oor hebben voor elkaars argumenten. Wat Kohut en de zijnen betreft lijkt dit duidelijk zo te zijn, maar ook over de
grote aanhang die Kernberg heeft gaan binnen de psychoanalyse al verontruste geluiden op (Calef en Weinshel, 1979)
Na mijn, toch ook min of meer speculatieve uitweidingen over hoe we ons een ingewikkeld begrip als splijting enigszins zouden moeten voorstellen lijkt
het mij zinnig terug te keren naar Mahler en het door haar beschreven separatie-individuatieproces; de 'psychologische
geboorte' van het kind, of, anders gezegd, het ontstaan van een harmonisch zelf. Wanneer de bovengenoemde dingen gebeuren zal het kind niet voldoende tot
separatie en indivi-
duatie komen, en een gestoorde relatie met de realiteit hebben.
Dat een moeder die niet 'good-enough' is en zelf duidelijke narcistische
trekken vertoont hieraan belangrijk kan bijdragen lijkt mij voor de hand te liggen. Het zou echter een simplificatie zijn om de oorzaak geheel
bij de moeder te leggen, als zou een kind een onbeschreven blad zijn dat naar believen door een moeder kan worden ingevuld. Het zou echter evenzeer een
simplificatie zijn wanneer we de rol van de moeder niet in ogen-
schouw zouden nemen, en vervolgens af zouden zien van de rol die de vader, broertjes en
zusjes, het gezin als geheel en de invloed van de realiteit spelen in de totstandkoming van een 'psychisch individu'. Een factor die nogal eens vergeten
lijkt te worden is dat kinderen ook met verschillende aanleg geboren worden, en dat bij voorbeeld de mate waarin zij agressief kunnen reageren wel
eens erfelijk bepaald zou kunnen zijn, evenals de mate waarin bepaalde afweermechanismen (in dit geval dus splijting) gehanteerd zullen worden.
Met al deze factoren dient rekening gehouden te worden, evenals met het feit dat een kind (en
dus ook de kinderlijke psyche) toch zal groeien en rijpen, ook tegen alle verdrukking van een gestoorde ontwikkeling in. Zo zal het ondanks alles
terechtkomen in de oedipale fase (en dit wordt door de zelfpsychologen nogal eens over het hoofd gezien). Dit is voor ieder kind moeilijk, maar
wanneer de ontwikkeling al zo gestoord is als ik het, zij het in zijn extreme vorm, beschreven heb zal het des te moeilijker zijn.
Treurniet (1980) heeft in een belangrijke voordracht scherpe kritiek geleverd op de Kohut-school, onder andere wegens hun voorbijgaan aan de
oedipale problematiek. Hij noemt een aantal zaken waarmee het kind geconfronteerd wordt bij de intrede in de oedipale fase. Dat zijn vooral
een overduidelijk worden van het verschil tussen de generaties en het verschil tussen de geslachten, die beide sterk aan elkaar gecorreleerd
zijn. De confrontatie met deze feiten zal voor het kind (nogmaals) een sterke narcistische krenking inhouden, zal aldus de afwending van de
realiteit, de splijting tussen die realiteit en de narcistische sprookjeswereld waarin dit soort niet te verteren zaken niet voorkomen des
te groter maken. Dit hangt naar mijn idee echter wel af van de mate van de ontwikkelingsstoornis die tot dan is opgetreden. Is deze mate niet
zo groot dan zal althans ten dele het Oedipuscomplex min of meer verwerkt kunnen worden, zij het niet zonder blijvende stoornissen in het
psychisch functioneren.
Zoals ik al zei, de afloop hangt niet alleen van de ontwikkeling van het kind af. maar ook van het milieu waarin het opgroeit. In dit milieu
lijkt het van het grootste belang hoe de rol van de vader is, en dit heeft uiteraard ook weer te maken met hoe de vader zelf is. Het zal een
groot verschil uitmaken of de vader meer dan lijfelijk aanwezig is of alleen lijfelijk (en soms dit ook niet eens).
Ik signaleerde al het betreurenswaardige feit dat in vele beschouwingen over narcisme de rol van de vader vrijwel wordt ontkend. Gelukkig begint
daar de laatste tijd enige verandering in te komen. Abelin (1980) die bij Mahler werkt, kan hier zeker als een pionier genoemd worden. Van hem is
het begrip triangulatie, niet te verwarren met het Oedipuscomplex, waarvan het mogelijk wel een voorloper is. Met triangulatie bedoelt Abelin dat
er behalve de
relatie tussen moeder en kind ook een relatie is tussen vader en kind, en als laatste (en niet minste) een relatie tussen de beide ouders, die
voor het kind ook een speciale betekenis heeft.
Het is vooral in de raprochement-subfase dat de vader van het grootste belang is. Hij wordt daarbij zelden als een rivaal beleefd, maar meer als een
welkom alternatief object waar ambivalentie een minder grote rol speelt; we zouden kunnen zeggen dat hij minder 'besmet' is. De vader is bovendien
degene die bijdraagt aan het tegengaan van de neiging die kinderen ook in de rapprochementsubfase nog hebben terug te keren in de symbiose en dus
in de symbiotische almacht. Hij vertegenwoordigt, gemakkelijker dan de moeder dat kan, de realiteit, vertegenwoordigt ook gemakkelijker het
reële feit dat volwassenen meer kunnen dan kinderen, bevordert met andere woorden heel sterk het beleven van een generatieverschil.
Zeker voor jongens is hij belangrijk in het tot stand komen van een 'core-gender-identity' ; door middel van identificatie met de vader wordt
het jongetje weggetrokken uit de regressieve behoefte zich met de moeder te identificeren. Maar zowel voor jongens als voor meisjes is hij hoogst
belangrijk als middel om het geslachtsverschil te ontdekken, zoals er een moeder én een vader is, zo zijn er vrouwen én mannen.
De vader is ook belangrijk voor het functioneren van de moeder. Door het innige contact dat moeders met hun baby's hebben worden hij hen vaak
vroege conflicten over separatie-individuatie geactiveerd. Hierdoor wordt het voor moeders verleidelijk hun kind te beleven als een zelf-object,
zoals zij zelf als baby hun moeder hebben beleefd. De vader is dan degene die de moeder in staat stelt op een volwassen niveau te blijven functioneren,
omdat hij zelf niet zo sterk bloot staat aan de mogelijkheid tot regrediëren. Dit wordt vooral bepaald doordat hij zich minder intensief bezig zal
houden met het kind dan de moeder, althans in die gezinnen die nu vaak worden aangeduid als ouderwets. Deze gezinnen bieden echter wel duidelijke
voordelen, doordat moeder en vader verschillende rollen voor het kind hebben. Hierdoor wordt de individuatie bevorderd, bij de moeder kan het kind
ook nog regressieve behoeften
bevredigen, terwijl de vader veel meer vanaf het allereerste begin de realiteit ertegenwoordigt.
Nogmaals, dit geldt uitsluitend voor vaders die er vanaf het begin werkelijk zijn, niet voor diegenen die zich niets van het kind aantrekken en
het nauwelijks onder ogen krijgen, waardoor het kleine kind ook niets van hem te zien krijgt. De rol van de vader brengt mij op mijn volgend onderwerp,
te weten de rol van het Über-Ich bij narcistisch gestoorde ontwikkelingen.
Freud heeft gemeend dat het de vader is die in het ontstaan van het Über-Ich de grootste rol speelt. Latere beschouwingen hebben duidelijk gemaakt dat de
beide ouders van belang zijn.
Freud heeft altijd gesteld dat de uiteindelijke vorming van een Super-Ego pas na het verstrijken van de oedipale fase tot stand komt. Over het algemeen
wordt dit ook nu nog aangenomen, maar er wordt toch ook gedacht aan voorlopers van het Super-Ego die reeds zeer vroeg op kunnen treden. Deze voorlopers
doen bij overtreding van ouderlijke ver- en geboden geen schuldgevoel ontstaan, maar angst, angst vooral voor liefdesverlies. Schuldgevoel zou, zo gezien,
dus pas vrij laat optreden in de kinderlijke ontwikkeling. Het is vooral de kinderanalyse geweest die belangrijk heeft kunnen bijdragen aan een verheldering
van het begrip 'super-ikvoorlopers'.
Zo zegt Sandler (1960) dat het verschijnen van een innerlijk moreel besef nauw verbon-
den is met het ontstaan van objectrelaties in de allereerste levensjaren.
Het kind is in een normale ontwikkeling in staat te voorspellen welk gedrag goedkeuring van de ouders tot gevolg heeft en het richt zich daarop uit angst voor
liefdesverlies. Aangezien het kind slechts weet heeft van de realiteit in zoverre als deze door de ouders wordt gerepresenteerd zal dit zijn latere instelling
ten opzichte van die realiteit sterk beïnvloeden. Nu is het wel zo dat, wanneer de ontwikkeling niet in goede banen gaat, wanneer er bij voorbeeld een
splijting optreedt tussen de goede en de slechte ouders, deze 'voorspel-mogelijkheid' sterk gekleurd gaat worden door hoe subjectief de ideeën die het
kind over ouderlijk gedrag heeft zijn. We moeten daarbij bedenken dat primitieve agressie op de ouders geprojecteerd wordt, anders gezegd verplaatst het kind
agressieve en sadistische delen van het zelf naar het innerlijke model van de ouders.
Het zijn hier wederom onopgeloste conflicten rond de agressie die de moeilijkheden veroor-
zaken, en die maken dat in de ontwikkeling van super-ik-voorlopers
sterk archaïsche, sadistische elementen komen. Deze elementen kunnen bovendien, ten gevolge van de slecht tot stand gekomen zelf-constantie later
gemakkelijk in de buitenwereld worden geprojecteerd, zodat die (en de autoriteiten daarin) beleefd wordt als uitermate wreed en straffend. Dit wekt
dan nog grotere agressie, waardoor de cirkel gesloten is.
Het resultaat is dat er geen werkelijk Über-Ich tot stand komt, dat er geen duidelijke eigen
ethische en morele waarden ontstaan en dat er nauwelijks sprake zal zijn van schuldge-
voelens. Tegelijkertijd valt er ook een bron van bevrediging weg, die
ontstaat wanneer aan de eisen van het Über-Ich kan worden voldaan.
Narcistische stoornissen leiden er zo toe dat het Oedipuscomplex slechts ten dele kan worden opgelost en dat geen harmonisch Uber-Ich wordt gevormd. Dit kan
in het volwassen leven leiden tot een gering ontwikkeld normbesef en tot een ongeremd uiten van agressieve en seksuele neigingen, wat het laatste betreft ook
van die aspecten van de seksualiteit die in een harmonischer verlopende ontwikkeling niet meer aan bod komen. Doordat de Über-Ichvoorlopers wel effectief zijn zal
er op zeer gespannen voet worden geleefd met alles wat met autoriteit heeft te maken, of, in het geval van sterke identificatie met de agressor, sprake zijn van
eigen overdreven autoritair gedrag.
We zijn zo aangeland bij wat tegenwoordig als narcistische persoonlijkheid wordt aangeduid. Hierbij zou ik nogmaals willen aantekenen dat we niet in een
simplistische indeling moeten vervallen, als zou er een tweedeling mogelijk zijn in narcistische en nietnarcistische
persoonlijkheden. Integendeel, er is een glijdende schaal, waarbij het ene extreem, de narcistische persoonlijkheid, er ongeveer als volgt uit ziet.
Hij (of zij) beschouwt zich als het centrum van de wereld, alles draait om hem, hij is de grootste of bijna de grootste, in het laatste geval is er een
sterke afgunst op degenen die als nog groter worden ingeschat. Zijn relaties met anderen dienen voor het grootste deel de bewondering die die anderen voor hem
moeten hebben, mensen hebben geen andere betekenis dan spiegels waarin hij zich bewonderd kan voelen of zijn verlengstukken van het eigen zelf. Er is een
duidelijk gebrek aan invoelend en meelevend vermogen, de emoties zijn oppervlakkig en achter een vaak charmant uiterlijk is een leegte voelbaar. Hij wordt
snel kwaad, vooral bij krenkingen, en is niet in staat tot werkelijk verdriet of echte rouw. Depressieve stemmingen worden eigenlijk niet waargenomen, voor
zover ze lijken te bestaan blijkt dat vlak onder de oppervlakte enorme woede aanwezig is. Wraakzucht is een veel voorkomend iets. Soms worden perioden van
grandiositeit afgewisseld met sterke minderwaardigheidsgevoelens, het bestaan en tot uitdrukking komen van uiterst sterke tegenstrijdigheden in het zelfconcept
is vaak het eerste dat opvalt.
De narcistische persoonlijkheid lijkt vaak tot veel in staat en maakt soms de indruk uiterst creatief te zijn, maar in de loop van de tijd valt hij tegen. Hij
leeft in het heden, verleden en toekomst lijken geen betekenis voor hem tè hebben. Vooral de komende ouderdom wordt geloochend, hij voelt zich daardoor
onsterfelijk. Hij kent weinig ethische normen en is meedogenloos waar het zijn eigen voordeel betreft. Nogmaals, dit is een extreem beeld, in sterk afgezwakte
vormen zullen we echter bij veel mensen dergelijke dingen kunnen waarnemen, soms geheel afgesplitst van een volkomen ander karakter-
beeld.
Opvallend is dat de meeste schrijvers weinig aandacht besteden aan de relatie die narcistisch gestoorde mensen met de realiteit hebben. Toch is dit misschien
wel een van de meest opvallende kenmerken. Zij zien de wereld zoals zij die willen zien, beter gezegd: zij zien de
dingen (en de mensen) die hen van pas komen en nemen de dingen die hen niet uitkomen nauwelijks of niet in ogenschouw. Maar tegelijkertijd wordt de schimmige
realiteit, die ik al beschreven heb bij mijn beschouwingen over de kinderlijke ontwikkeling en die in een enkel geval ook op volwassen leeftijd voorkomt,
gebruikt als projectiescherm, zodat hij bevolkt wordt door irreële goede en slechte figuren. Vat het eigen zelf betreft zijn er nauwelijks reële
begrenzingen, een voorbeeld hiervan treffen we aan in de modieuze androgyne ideologie, waar het lijkt dat de mogelijkheid wordt aangenomen zowel man als
vrouw te zijn. Maar ook projecties van het goede en slechte object spelen een rol, heilbrengers en verfoeilijke duivels bevolken de wereld.
Opmerkelijk is ook dat narcistisch gestoorde mensen zo'n moeite hebben met regels. Dit heeft alles met de empirische werkelijkheid te maken, omdat we
kunnen stellen (zoals Mooy (1979) dit o.a. heeft gedaan in verband met zijn beschouwingen over de regels van de psychotherapie) dat het juist de regels zijn
die deze werkelijkheid vormen (vorm geven). De regels, zegt Mooy, constitueren de feiten. De regels gelden nooit voor mij alleen, maar zijn door een
grote groep mensen als zodanig verkozen. Zo kunnen we spreken van regelgeleid gedrag, en dat is heel iets anders dan het gehoorzamen aan bevelen met de
eventueel daaropvolgende protesterende overtredingen.
Ten slotte wil ik iets zeggen over de realiteit zoals die zich in toenemende mate aan ons voordoet.
We kunnen stellen dat we langzaam maar zeker in de
'Vaterlose Gesellschaft' waar Mitscherlich (1963) over spreekt zijn aangeland. Daarvoor in de plaats is echter geen 'Geschwister-Gesellschaft' ontstaan,
maar veeleer een 'Mutter-Gesellschaft' in de vorm van de verzorgingsstaat. Velen beleven de verzorgingsstaat als een almachtige moeder, die overal
en te allen tijde voor ons zorgt en die grote hoeveelheden ongecontroleerde agressie te verduren krijgt wanneer zij faalt.
Maar ook de toenemende ingewikkeldheid en ondoorzichtigheid van de maatschappelijke structuren maakt het steeds moeilijker een enigszins juist beeld te
krijgen van wat reali-
teit is, terwijl bovendien de snelle wisselingen een begrip als 'average expectable environment' zeer dubieus maken. Dagelijks worden
we bestookt door reclame die ons vertelt dat iedereen onbegrensde mogelijkheden heeft, dat het een eenvoudige zaak is om aan geld te komen (de
bank heeft immers genoeg) etcetera. Dit alles bevordert het ontstaan van narcistische stoornissen, omdat op allerlei fantasieën die tot het narcisme
gerekend moeten worden onvoldoende correctie mogelijk is.
Een van de meest angstaanjagende factoren lijkt mij de steeds toenemende bevolkings-
dichtheid, die het vrijwel onmogelijk maakt doorzichtige structuren te handhaven.
Binnen het raam van dit artikel kan ik op deze vraagstukken niet verder ingaan. Ik hoop wel te hebben bereikt dat enigszins duidelijk is geworden hoe
ingewikkeld het begrip 'narcisme' is. Die ingewikkeldheid veroorzaakt mogelijk mede het steeds lichtvaardiger wordend
gebruik dat ervan gemaakt wordt. Dat past toch wel in de toenemende 'taalver-
ruiming' (vervuiling?), maar is toch iets dat naar mijn mening te betreuren valt.
Literatuur
- Abelin, E., (1980), Triangulation, the role of the father and the origins of coregenderidentity during the rapprochement-subphase. In: R. L. Lax, S. Bach en
J. A. Burland (Ed.), Rapprochement. Jason Aronson Inc. New York.
- Brodey, W. M., (1965), On the dynamics of narcissism. I. Externalisation and early
ego-development. Psychoanal. Study Child 20, 165-194.
- Calef, V. en E. M. Weinshel, (1979), The new psychoanalysis and psychoanalytic
revisionism. Psychoanal. Quart. 48 -3, 470-491
- Coultre, R. le, (1966), Splijting van het Ik als centraal neuroseverschijnsel. In:
Psychoanalytische thema's en variaties. v. Loghum Slaterus, Deventer, 1972.
- Freud, S., (1914), Zur Einführung des Narzissmus. G.W.X. Imago, London.
- Groen, J. A., (1980), Achter spiegels en maskers. Psychoanalytische essays. Boom,
Meppel.
- Hartmann, H., (1950), Comments on the psychoanalytic theory of the ego. Psychoanal.
Study Child 5, 74-96.
- Jacobson, E., (1964), The self and the objectworld. Int. Univ. Press, New York.
- Kernberg, 0., (1975), Borderline conditions and pathological narcissism. Jason
Aronson Inc., New York.
- Kohut, H., (1971), The Analysis of the Self Int. Univ. Press, New York.
- Kohut, H., (1972), Thoughts on narcissism and narcissistic rage. Psychoanal. Study
Child. 27, 360-408.
- Kohut, H., (1977), The Restoration of the Self. Int. Univ. Press, New York.
- Mahler, M. S., T. Pine en A. Bergman, (1975), The psychological birth of the human
infant. Basic Books, New York.
- Mitscherlich, A., (1963), Auf dem Weg zur Vaterlosen Gesellschaft. R. Piper & Co.,
Munchen.
- Moore, B. E., (1975), Towards a Clarification of Narcissism. Psychoanal. Study
Child. 30. 243-276.
- Mooy, A. (1979), Over regels. In: Er zijn grenzen. Opstellen over de psychotherapeutische situatie. Bohn, Utrecht.
- Sandler, J., (1960), On the concept of super-ego. Psychoanal. Study Child. 15,
128-163.
- Sandler, J. en B. Rosenblatt (1962), The concept of the representational world
Psychoanal. Study Child. 17, 128-145.
- Stolorow, R. D., (1975), Towards a functional definition of narcissism. Int. J. Psych.
anal. 56, 179-187.
- Treurniet, N., (1980), Psychoanalysis and selfpsychology. A metapsychological critique with a case presentation.
- Winnicott, D. (1971), Playing and Reality. Basic Books, New York.