Mensen met een manisch-depressieve stoornis zijn van tijd tot tijd extreem uitgelaten of neerslachtig; zij hebben last van sterk
wisse-
lende stemmingen. Andere mensen zijn ook wel eens somber gestemd of juist vrolijk, maar hun stemming kent geen grote schommelin-
gen.
Normaal gesproken is er een duidelijke aanleiding waardoor iemand vrolijk of neer-
slachtig is. Bij mensen met een manisch-depressieve
stoornis is geen sprake van een normale reactie op prettige of nare omstan-
digheden; hun stemming leidt als het ware een eigen leven.
Een periode waarin iemand extreem uitgelaten of opgewonden is heet manie; een periode waarin iemand zeer somber is, depressie.
Tussen 2 periodes is de stemming vaak normaal.
Er zijn verschillende benamingen voor de aandoening. De term bipolaire stoornis geeft aan dat de stemming naar twee kanten kan uitschieten.
In deze tekst spreken we van een manisch-depressieve stoornis, omdat deze term in de dagelijkse praktijk het meeste wordt gebruikt.
De een heeft meer last van depressies, de ander van manieën. De variatie in klachten is groot. Per persoon is meestal wel een vast, duidelijk herkenbaar patroon te ontdekken, maar dat blijkt pas na verloop van tijd. Bij sommige mensen doen depressieve en manische klachten zich tegelijkertijd voor. Dit wordt een gemengde periode genoemd.
De betrokkene is bijvoorbeeld opgewonden en prikkelbaar, maar ook somber.
De ernst van de klachten kan uiteenlopen van een lichte dip tot een zware depressie en van bijna normale opgewektheid tot een uitgelaten stemming. Zowel tijdens een manische als tijdens een depressieve periode kan iemand ook nog last hebben van psychoses en verward zijn.
Als een manische periode kort duurt en niet zo heftig is, heet dit een hypomanie. Iemand bruist van energie en voelt zich fantastisch, maar heeft nog wel controle over zijn gedachten en gedrag. Een hypomane stemming kan uitmonden in een manie, maar dat hoeft niet.
Niet alleen de verschijnselen van een manie of depressie, maar ook de duur van de periodes kan sterk van persoon tot persoon verschillen.
Bij sommige mensen volgt na elke depressie een manische periode. Anderen maken van tijd tot tijd een depressie door en slechts 1 of enkele malen een (hypo)manie. Soms volgen de periodes elkaar snel op: zogeheten rapid cyclers wisselen 4 maal per jaar of vaker van stemming.
Een manisch-depressieve stoornis heeft meestal een grote invloed op het leven van de persoon zelf en dat van direct betrokkenen. Niet alleen tijdens een depressie of manie, maar ook tijdens periodes met een normale stemming: al was het maar omdat niemand weet of en wanneer de klachten terugkomen. Gezien de verschillen in aard en ernst zal iedereen de ziekte anders ervaren en er anders mee omgaan.
De onzekerheid over een nieuwe depressie of manie legt een zware druk op het leven. Het is vaak moeilijk om de draad van het gewone leven weer op te pakken.
Tijdens een manische of depressieve periode kunnen relaties met anderen schade oplopen. Vrienden en familie worden geconfronteerd met iemand die anders is dan normaal.
Na hun manie kunnen mensen te maken krijgen met de gevolgen van ondoordachte initiatieven of risicovol gedrag.
Als gevolg van de problemen die een manische of depressieve periode met zich meebrengt, kan het zelfvertrouwen afnemen. Vaak ontstaan schuldgevoelens over wat er gebeurd is.
Mensen met een manisch-depressieve stoornis overlijden vaker dan anderen door zelfdoding. Het bespreekbaar maken van deze gedachten kan helpen voorkomen dat ze in daden worden omgezet. Doorgaans willen mensen niet zozeer dood, maar willen ze het leven van dat ogenblik laten ophouden.
Als iemand meerdere manische periodes heeft doorgemaakt, ontstaan soms problemen met het geheugen en de concentratie.
De 1e periode van een manisch-depressieve stoornis doet zich meestal voor tussen het 15e en 25e levensjaar. Een 1e periode kan depressief, hypomaan, manisch of gemengd zijn.
Uit onderzoek blijkt dat zowel een depressie als een manie binnen 2 tot 3 weken kan ontstaan. Het is moeilijk te zeggen hoe lang een manische of depressieve periode zal duren. Manieën duren over het algemeen korter dan depressies. Na afloop van een manische of depressieve periode is de stemming in veel gevallen weer normaal. Naarmate iemand meer periodes doormaakt, neemt de tijd ertussen vaak af. Een depressie kan direct overgaan in een manie, of omgekeerd.
Ongeveer 1 ŕ 2 van de 100 volwassenen in Nederland heeft last van een manisch-depres
-
sieve stoornis. De aandoening komt bij mannen even vaak voor als bij vrouwen. Er is geen onderscheid in afkomst of cultuur.
Mensen met een manisch-depressieve stoornis hebben een verhoogde kans om verslaafd te raken aan genotmiddelen. Erfelijkheid lijkt hierbij een rol te spelen, maar ook de verschijnselen van een manisch-depressieve stoornis kunnen leiden tot gebruik van genotmiddelen.
Tijdens een depressie kunnen mensen, om zich minder ellendig te voelen, hun toevlucht zoeken tot het gebruik van alcohol, tabak of drugs. Tijdens een manie kan verlies van controle over het eigen gedrag het gebruik van genotmiddelen in de hand werken. Maar ook tijdens periodes waarin de stemming normaal is, lijken mensen met een manisch-depressieve stoornis vaker genotmiddelen te gebruiken.
Genotmiddelen lijken soms een aantrekkelijke oplossing, maar ze kunnen de verschijnselen van de manisch-depressieve stoornis juist ook uitlokken of versterken. Bovendien kan gebruik leiden tot verslaving waardoor er een probleem bijkomt.
Er is nog veel onbekend over de oorzaken van manisch-depressieve stoornissen. Wel is duidelijk dat er sprake is van een erfelijke aanleg voor stemmingswisselingen; een kwetsbaarheid, die al bij de geboorte bestaat.
De hersenen van mensen met manisch-depressieve stoornissen verwerken prikkels op een andere manier. Hierdoor raakt de stemming eerder ontregeld dan bij anderen.
Aanleg alleen is echter niet voldoende. Persoonlijkheid en omstandigheden spelen ook een rol bij het ontstaan van klachten.
In sommige families komt de manisch-depressieve stoornis meer voor dan in andere.
Dit wijst erop dat erfelijke factoren een rol spelen. Het is nog niet bekend hoeveel en welke genen betrokken zijn bij de manisch-depressieve stoornis. Vermoedelijk gaat het om meerdere genen.
De kans dat iemand een manisch-depressieve stoornis zal krijgen is groter, als de aandoening in de familie voorkomt. Hoe groot die kans is, is echter moeilijk te zeggen. Er kunnen grote verschillen zijn tussen de aard en de ernst van de ziekte bij naaste familieleden. Dat maakt het ook lastig vragen te beantwoorden van mensen die kinderen willen.
Naast aanleg speelt de persoonlijkheidsontwikkeling een belangrijke rol. Wat heeft iemand in zijn leven meegemaakt en hoe heeft dat de persoon gevormd? Karaktereigenschappen zijn bepalend voor de manier waarop iemand in het leven staat en zijn van invloed op iemands vaardigheden. Iemand is minder kwetsbaar wanneer hij goed in staat is problemen op te lossen en gemakkelijk steun kan krijgen.
Bij mensen met een manisch-depressieve aanleg is stress een belangrijke omstandigheid in het ontstaan van manieën of depressies. Met name veel of langdurige stress kan een manie of depressie uitlokken, maar hierin bestaan grote persoonlijke verschillen. Hoe groter de kwetsbaarheid voor een manisch-depressieve stoornis, hoe minder stress nodig is om klachten te veroorzaken. Wat de één wel kan hebben, is voor de ander 'de druppel'.
Er is geen behandeling die genezend werkt en de aanleg voor een manisch-depressieve stoornis wegneemt. Wel zijn er mogelijkheden om de klachten weg te nemen of te verminderen en te voorkomen dat iemand opnieuw manisch of depressief wordt. De behandeling kan pas van start gaan als de juiste diagnose is gesteld.
Het kan zowel voor de persoon zelf als voor de (huis)arts lastig zijn om een manisch-depressieve stoornis te herkennen. Tijdens een manie voelt iemand zich over het algemeen prima en heeft hij niet het idee ziek te zijn. De verschijnselen kunnen ook zo mild zijn, dat de persoon zelf en direct betrokkenen niet in de gaten hebben dat er sprake is van een ziekte.
Vaak wordt de diagnose uiteindelijk gesteld in een crisissituatie; tijdens een manische periode. Een psychiater kan aan de hand van de verschijnselen vaststellen of, en in welke mate iemand manisch is. Naast een psychiatrisch onderzoek vindt altijd lichamelijk en bloedonderzoek plaats om eventuele lichamelijke oorzaken uit te sluiten.
Het verhaal van de partner en naaste familie is belangrijk om het beeld compleet te maken, ook om vast te stellen of de stoornis in de familie voorkomt.
De verschijnselen van een manisch-depressieve stoornis kunnen zich ook voordoen bij andere aandoeningen. Stemmingswisselingen komen bijvoorbeeld ook voor bij mensen met een psychose, een borderline- of angststoornis. Maar ook bij mensen die alcohol en drugs misbruiken.
Hoewel een zelf gestelde diagnose juist kan zijn, is het niet verstandig alleen op eigen inzicht te vertrouwen. De diagnose kan het beste worden gesteld door een psychiater die ervaring heeft met manisch-depressieve stoornissen.
Als iemand voor als nog alleen depressieve klachten heeft, kan pas na een 1e manische of hypomane periode blijken dat er sprake is van een manisch-depressieve stoornis. Het is mogelijk dat er sprake is van een combinatie van de manisch-depressieve stoornis met andere stoornissen.
Tijdens een manische of depressieve periode is de behandeling gericht op het zo snel mogelijk wegnemen of verminderen van depressieve of manische verschijnselen. Door medicijnen te gebruiken en voldoende rust en structuur in te bouwen nemen de depressieve of manische verschijnselen meestal snel af.
Het van groot belang dat iemand kennis opbouwt over de verschijnselen van een manisch-depressieve stoornis en die bij zichzelf leert herkennen. Psycho-educatie, zelfzorg (ook wel selfmanagement genoemd), psychotherapie en andere therapieën hebben tot doel dat iemand leert leven met de aandoening en zo min mogelijk kans loopt opnieuw manisch of depressief te worden. Hulp en steun van anderen zijn daarbij onontbeerlijk.
Elke cliënt heeft volgens de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO) recht op een behandelplan. In het behandelplan maken cliënt en behandelaar afspraken over de behandeling. De doelstellingen van de behandeling en de werkwijze worden besproken en op papier gezet. De resultaten van de behandeling worden regelmatig doorgesproken. Zo nodig wordt het behandelplan bijgesteld.
Medicijnen zijn een belangrijke pijler in de behandeling van de manisch-depressieve stoornis. Ze kunnen een manisch-depressieve aanleg niet genezen, maar de verschijnselen van een manie of depressie wel verminderen of zelfs wegnemen.
Het is mogelijk het ontstaan van manische of depressieve periodes tot op zekere hoogte onder controle te krijgen. Dat is belangrijk, want hoe kleiner het aantal stemmingswisse-
lingen, des te groter de kans om langdurig stabiel te blijven.
Een depressie of manie komt de 1e keren zelden of nooit uit het niets; meestal gaat er iets aan een stemmingswisseling vooraf. Latere periodes kunnen soms zonder aanwijsbare aanleiding ontstaan.
Het is mogelijk de voortekenen te leren herkennen. Dat maakt vroeg ingrijpen mogelijk, waardoor een manische of depressieve periode milder zal verlopen of in de kiem kan worden gesmoord. Deze voortekenen kunnen zich 1 tot 4 weken van tevoren voordoen. Hoe en wanneer verschilt van persoon tot persoon. Soms gaat het om milde verschijnselen van een manie of depressie, bijvoorbeeld slecht slapen, vroeg wakker worden of prikkel-
baar zijn. Het kan ook gaan om typisch gedrag dat normaal gesproken niet bij de persoon past. Bijvoorbeeld: iemand gaat zich opvallend kleden.
Bij psychotherapie staat het praten over psychische problemen en verwerken van ervaringen centraal, bijvoorbeeld over wat iemand tijdens een manische of depressieve periode heeft meegemaakt. Andere onderwerpen die aan de orde kunnen komen: wel/niet kunnen accepteren van de manisch-depressieve stoornis en gevolgen voor relaties en vriendschappen.
De meeste mensen met een manisch-depressieve stoornis gebruiken voor langere tijd medicijnen om hun stemming stabiel te houden en een nieuwe depressie of manie te voorkomen. Wie een lichte vorm van de stoornis heeft en een regelmatig leven leidt, kan soms zonder medicatie. Afhankelijk van de klachten kunnen verschillende middelen worden voorgeschreven.
Lithium is een stemmingsstabilisator die pieken en dalen in de stemming vermindert. Omdat het al tientallen jaren bekend is als middel tegen stemmingswisselingen, is er relatief veel onderzoek naar gedaan. Lithium werkt goed bij een groot deel van de mensen met een manisch-depressieve stoornis. Het duurt enkele weken voor het anti-depressieve of anti-manische effect merkbaar is en de juiste dosering is bepaald. Dit wordt gecontro-
leerd door regelmatig de concentratie in het bloed te bepalen. Of lithium de stemming daadwerkelijk stabiliseert, blijkt pas na verloop van tijd.
Een veel voorkomende bijwer-
king is dorst en een droge mond. Daardoor gaan veel mensen extra drinken en kan het gewicht toenemen. Bij sommige mensen leidt gebruik van lithium tot problemen met de schildklier of huidafwijkingen. De bijwerkingen zijn meestal goed te behandelen.
Sommige mensen verdragen lithium niet goed. In dat geval, of als lithium niet voldoende resultaat heeft, wordt een andere stemmingsstabilisator voorgeschreven: bijvoorbeeld carbamazepine of valproaat. Deze middelen hebben een ander werkingsmechanisme en bijwerkingen dan lithium. Regelmatige controle van het bloed is noodzakelijk, maar gebeurt minder vaak dan bij gebruik van lithium.
Zowel een manische als een depressieve periode kan gepaard gaan met slaapproblemen. Vooral tijdens een (beginnende) manie is het van groot belang dat iemand voldoende slaap krijgt. Slaapmiddelen kunnen slapeloosheid doorbreken en helpen iemand een normaal dag/nachtritme aan te houden. Kalmeringsmiddelen kunnen angst en onrust verminderen. Vanwege het risico van verslaving is zorgvuldig gebruik in overleg met de behandelaar van groot belang.
Bij sommige mensen werkt een stemmingsstabilisator onvoldoende op de depressieve stemming en is het nodig daarnaast tijdelijk een antidepressivum te gebruiken. Voorzichtigheid is wel geboden, omdat het gebruik van antidepressiva bij sommige, daarvoor gevoelige mensen een hypomanie of zelfs rapid cycling kan uitlokken. Na 2 tot 4 weken blijkt of het anti-depressieve medicijn voldoende effect heeft. Zowel de werking als de bijwerkingen kunnen van persoon tot persoon sterk uiteenlopen. Soms is het nodig meerdere antidepressiva uit te proberen voor een goed werkend middel is gevonden.
Als iemand tijdens een manische periode in de war is, worden tijdelijk antipsychotica voorgeschreven. Antipsychotica worden ook wel gebruikt om te voorkomen dat een beginnende manie uit de hand loopt. De manie wordt als het ware afgeremd. Door de medicatie verminderen of verdwijnen eventuele waandenkbeelden of hallucinaties; het contact met de realiteit wordt hersteld. Een nadeel van antipsychotica is dat ze vervelende bijwerkingen hebben.
Om nieuwe manieën of depressies te voorkomen is het nodig om zeer langdurig, soms levenslang medicijnen te gebruiken. Met name als een manische of depressieve periode voorbij is, kan stoppen verleidelijk zijn. Hinderlijke bijwerkingen kunnen ervoor zorgen dat iemand niet langer gemotiveerd is om medicijnen te gebruiken. Juist dan is voort-
zetting van de medicatie echter noodzakelijk om een nieuwe manie of depressie te voor-
komen. Stoppen met medicatie leidt vrijwel altijd binnen afzienbare tijd tot terugkeer van de klachten.
Wie last heeft van bijwerkingen en overweegt te stoppen, kan dit bespreken met de behandelaar. Sommige bijwerkingen kunnen worden beperkt door de dosering aan te passen of een ander middel voor te schrijven.
Veel mensen met een manisch-depressieve stoornis gebruiken verschillende soorten medicijnen.
Het is belangrijk goed te blijven letten op wisselwerkingen tussen de middelen.
* Bron: Trimbos instituut (www.trimbos.nl) en BTSG innovatie in de ouderenzorg