Capita selecta - januari 2007
Na twee fantastische zwangerschappen kwam de klap des te harder aan
door Froukje Bos
Interview met Anke op 29 september 2006. Tweede uit een serie persoonlijke verhalen
over postnatale depressie
In PandoraNieuws van juli 2006 las ik het interview over postnatale depressie
met Karina ( ‘De hoofdrol in het leven van m’n kindje’). Meestal lees je
niet dat mensen zo zwaar behandeld zijn bij een postnatale depressie, met
electroshockbehandeling en zware medicijnen. Ik was verbaasd hoe erg haar
verhaal op het mijne leek, hoewel het bij mij nu al een paar jaar geleden is.
Bij haar gebeurde het bij haar eerste kindje, bij mij bij m’n tweede. Onze
oudste, Robert, is nu zes en Mireille, de jongste net vier.
Geen rust meer in m’n leven, alles was een inspanning
Ik heb twee fantastische zwangerschappen gehad. Ook de tweede keer verliep alles
voorspoedig, een kerngezond kind. Misschien is de klap daarna des te harder als
het dan niet goed gaat, misschien onder invloed van de hormonen. Mireille werd
‘s nachts geboren, dus dat kost je wel je nachtrust. Direct na de geboorte
begon ik me slecht te voelen, heel zenuwachtig. Ik had een peuter van twee en
een baby, of de een of de ander huilde. Ik gaf geen borstvoeding. Dat was bij de
eerste mislukt, ik had niet genoeg melk en hij had honger. De verloskundige zei
toen: ‘het kan niet mislukken’. Dat zei iedereen: ‘dat kan niet’. Zelf
heb ik het bij de tweede radicaal niet gedaan. Maar ze wou ook geen speen en
niet duimen. Ze huilde veel en was onrustig. Op het moment dat het beter met
haar ging, toen ze in een ritme kwam en beter ging slapen, ging het bergafwaards
met mij.
Ik was doodmoe, alles was te veel, maar er werd niet naar gekeken, waar dat
vandaan kwam. Ik had een week een kraamhulp. Mijn moeder merkte dat ik niet goed
reageerde en zei: ‘volgens mij gaat het niet goed met m’n dochter.’ Maar
de kraamhulp vond het goed gaan en zei dat het er bij hoorde. Zelf merkte ik dat
ik achterdochtig werd, ik was bang dat de kraamhulp m’n kind wat aan zou doen
en durfde het niet over te geven. Ook Robert trok aan me: ‘mamma niet
slapen!’ Hij was niet goed handelbaar en ik was steeds op. Toen heb ik een
vriendin gebeld: hoe moet ’t nou? Die zei: je moet in bed liggen, met je
dochter. Ik had zelf de rust niet. Het bleef aanmodderen. Daniël, mijn man had
een week vrij genomen om de boel op poten te zetten. Daarna was hij hard aan het
werk. Hij deed wel veel als hij thuis was, maar ik kon geen ontspanning meer
vinden. Alles was een inspanning, niets was leuk. Het krijgen van een kind is
een stressfactor, er zijn veel veranderingen en we kregen twee bewerkelijke
temperamentvolle kinderen kort op elkaar. Dat heb ik onderschat. Ik had wel een
verloskundige en ouder-kind-hulp, maar iedereen zei wat anders. Ik
modderde maar wat aan.
Doodmoe en desperaat
Anderhalve maand later liep ik met de kinderen op straat en Robert moest naar de
wc. Een mevrouw zei dat hij wel bij haar thuis mocht, maar dat wilde hij niet.
M’n dochtertje begon ook te huilen en ik was desperaat: ‘Wat moet ik hier nu
mee? Is dat nu mijn leven?’ Vroeger als ik me wel eens depri voelde, kon ik
erop uit, wandelen, sporten, dingen doen. Nu zat ik vast in m’n gezin, er was
geen ontvluchten aan. Niet dat ik weg wou vluchten, maar ik had geen rust meer
in m’n leven. M’n kinderen konden niet een weekend weg, dat heb ik ook niet
gevraagd. M’n schoonfamilie woont in Frankrijk, m’n vader was overleden,
m’n moeder kon het alleen niet echt aan, m’n vriendinnen hadden zelf ook
kleine kinderen. Je zegt niet zo gauw: ‘wil je m’n kinderen een weekend
nemen want ik moet bijtanken?!’
Van moeder heb ik wel eens een oxazepammetje gehad, maar dat hielp niet. Mijn
man zag het wel, maar wilde er niet aan. Hij was veel weg, ik alleen thuis, hij
had er onvoldoende oog op. Ik ben pas na een week of vijf naar de huisarts
gegaan. Ik wilde niet falen. Dat kon ook niet met twee kleine kinderen, je bent
verantwoordelijk. Ik probeerde te slapen, maar het lukte niet. Ik wilde naar de
huisarts, maar wist niet goed wat ie kon doen. Ik was bang voor wat er met m’n
kinderen zou gebeuren. Worden m’n kinderen van me afgenomen? Word ik
opgenomen? Ik was nog nooit opgenomen geweest, maar de ex-vrouw van m’n man
was ex-psychiatrische patiënt, zij had meerdere opnames achter de rug. Dat
wilde ik hem niet aan doen, ik wilde het zelf ook niet. Ik kreeg hele erge
paniekaanvallen, het ging niet goed met me. Daar wilde ik wat aan doen op een
gegeven moment.
Medicijnen werken verkeerd, op de wachtlijst voor psychologische hulp
Toen ben ik naar de huisarts gegaan. Ik was argwanend. Ik vertelde dat ik dacht
dat ik een postnatale depressie had. Je praat even en dan komt het medicijnblok.
Meer kunnen ze ook niet doen, het zijn geen tovenaars. Ik kreeg Seroxat
voorgeschreven, dat maakte me angstiger. Achteraf gezien was ik toen al
psychotisch en het werkte verkeerd. Toen ik het ingenomen had, kreeg ik stemmen
in m’n hoofd. Een paar uur na inname van zo’n pil voelde ik m’n hoofd
helemaal tollen. Dat kwam ook doordat ik bijna niet sliep. Vóór de Seroxat had
ik nog nooit stemmen gehad. Ze zeiden dat ik een slechte moeder was, dat ik er
niks van bakte en beter m’n best moest doen. Dat was zeer beangstigend. Die
medicijnen heb ik vier dagen geslikt, ik durfde ze niet langer te nemen. Toen
ben ik terug gegaan naar de huisarts: ‘dit gaat niet.’ Ik wou wel geholpen
worden, er moest wat gebeuren. De huisarts heeft me slaaptabletten gegeven, die
hielpen mondjesmaat, en naar een psychologische praktijk verwezen. Daar werd ik
niet direct geplaatst, er zijn twee weken overheen gegaan vanwege de wachtlijst.
Ik heb geen Seroxat meer geslikt. Ik bleef doormodderen tot ik terecht kon. Daar
heb ik weer m’n verhaal verteld. Die psychologe zei: ‘ik denk dat het je
allemaal te veel is geworden.’ Dat was een understatement. Ze vroeg: ‘red je
het wel?’ Wat moest ik zeggen, ik was bang dat m’n kinderen werden
afgenomen, dus ik zei: ‘we zien wel.’ Er zou in ieder geval huishoudelijke
hulp geregeld worden. Daar kwam ik ook voor op de wachtlijst.
Ik had me ziek gemeld bij m’n werk en zat in de ziektewet. Ik was bij de
bedrijfsarts geweest en had uitgelegd dat het niet goed ging, dat ik niet in
staat was te werken. Dat accepteerden ze, ik kreeg een afspraak voor over vier
weken.
Vreselijk bang, wanen nemen toe na bezoek psychiater en aanrijding
De buurvrouw heeft me bijgestaan: ‘we gaan veel met je wandelen’. Ik was
veel op straat, liep vaak doelloos rond met de kinderen. Ik was nog nooit
psychotisch geweest, ik herkende dat niet. Ik had het niet in de gaten, mijn
waarheid was de waarheid. Het ging slechter, maar ik kon het ook nog wel
ophouden als ik met iemand sprak. Na een paar dagen ben ik weer naar de
psychologe geweest. Zij heeft niet direct gezegd dat zij het ook slechter vond
gaan, maar woensdagochtend belde ze me om één uur op: ‘Ik vind toch dat je
de psychiater moet zien, die is toevallig hier vanmiddag.’ Die psychiater was
aan de praktijk verbonden. Ik was bang dat ze me een hak wilden zetten, maar ben
er toch ‘smiddags met m’n man naar toe gegaan. Toen die psychiater het
gebouw in kwam, zag hij ons niet in de wachtkamer zitten en liep door naar de
secretaresse, die was verbaasd hem te zien: ‘wat doe jij hier?’, ‘Ik heb
een bijzonder geval.’ Toen werd ik echt heel bang, dat hij me op ging nemen.
Toen we met hem spraken had hij formulieren op tafel, waar hij mee zat te
friemelen. Ik dacht dat het om een in bewaringstelling (RM) ging. Hij zei
vriendelijk: ‘als je nú niet aan de Remeron gaat, gaat het over twee weken
helemaal niet goed.’ Ik kreeg een recept mee voor Remeron. Dat ben ik niet
direct gaan halen, ik durfde de straat niet op: ‘dan komt de ambulance, dan
grijpen ze me in de kraag en ben ik m’n kinderen kwijt.’ Tegen m’n man zei
ik: ‘ik ga het morgen halen.’ Dat heb ik pas na drie dagen gedaan.
Ik reed nog auto. Ik kreeg een aanrijding, met de kinderen achterin,
levensgevaarlijk. Die vrouw stapte uit de auto en greep naar haar nek. Ik dacht:
‘o jé, straks gaat ze voorwenden dat ze een whiplash heeft en gaan ze m’n
kinderen weghalen.’ Na de aanrijding en na het bezoek aan de psychiater zijn
de wanen toegenomen. Ik had geen gesprekken meer met de psycholoog, dat was door
de psychiater overgenomen. Bij hem zou ik na twee weken weer terugkomen. Die had
niet in de gaten dat ik dusdanig in de war was dat het niet meer verantwoord
was. De psychologe had wel gezegd dat ik haar altijd mocht bellen, maar dat deed
ik niet. Ik was heel verward en constant bang dat ze m’n kinderen weg zouden
halen. Ik zat hier op de bank. Als er mensen op straat voorbij liepen, dacht ik:
die zijn mij aan het spotten. Ik voelde me bedreigd. Misschien, als ik toen op
de antipsychotica was gezet in plaats van de antidepressiva, was het misschien
heel anders afgelopen. Toen ik de Remeron in huis had, durfde ik het eerst niet
te gaan slikken. Ik was bang dat ik stemmen in m’n hoofd zou krijgen. Ik had
niet tegen de psychiater gezegd dat ik dat door de Seroxat had gekregen. Met de
huisarts had ik geen contact meer, want hij had me doorverwezen.
Dit gaat de verkeerde kant uit
M’n man praatte veel met me. Hij probeerde me te kalmeren. Thuis was het
eigenlijk niet meer te handhaven. M’n man voelde niet voor opname, omdat
hij dat met z’n ex al een aantal keren had mee gemaakt. Daar had hij weinig
vertrouwen in: ‘we kunnen het zelf wel.’ Moeder had het wel in de gaten. De
buurvrouw ook, maar die zei: ‘we slepen je er wel doorheen, het gaat wel
lukken.’ Iedereen was van goede wil. M’n moeder heeft veel voor me in huis
gedaan en gekookt. Dat deed ik niet meer. Ze heeft met Daniël in de auto
gepraat: ‘dit gaat de verkeerde kant uit, het gaat niet goed.’ Ik heb de
crisisdienst hier gehad in een weekend, die hebben we zelf gebeld. Toen ze
kwamen, zat ik Mireille een flesje te geven. Ze dachten dat het nog wel
zou gaan met dit gezin. Ik kon me voor een gesprek toch nog opladen, het leek
dat het nog mee viel. Ze raadden me aan contact op te nemen met de psychiater.
Ik had misschien eerlijker moeten zeggen dat ik in de war was, maar jouw waan is
echt, je realiseert het je zelf niet. Ik had toch hulp gezocht, ik liep bij
hulpverleners en was net begonnen met de Remeron.
Een week later ben ik toch opgenomen. Het is een grote waas voor me, veel
dingen ben ik kwijt. Sommige momenten en situaties kan ik me heel helder voor de
geest halen, andere momenten zijn weg. De wanen en hallucinaties gingen dag en
nacht door. Dan lag m’n man boven te slapen en ik zat hier beneden, ik wou hem
niet wakker maken. Toen sliepen de kinderen goed door. Ik kon niet slapen. M’n
man wist het ook niet meer, hij zat met z’n handen in ’t haar. Op een
gegeven moment was ik zo ver heen dat ik een eind aan m’n leven wilde maken.
Ik zei dat ik een stukje om ging lopen en wilde naar de brug, naar het water.
Toen kwam ik de buurvrouw tegen en vertelde haar toch dat ik dat wilde gaan
doen: ‘vaarwel Mieke, ik ga nu.’ Zij had gezien dat het de afgelopen weken
niet goed ging en heeft me weer mee naar binnen genomen en de huisarts gebeld.
M’n moeder had alle medicijnen afgepakt, die was daar al bang voor, anders had
ik het alsnog geprobeerd. Zij was hier ook in huis die zaterdag. Ik heb wel een
strip paracetamol genomen toen ik weer binnen was, de rest kon ik dus niet aan
komen:’ik ga nu liggen en slapen en nooit meer terug.’ Het was geen
weloverwogen beslissing, het was pure paniek: ‘ik kan dit niet meer aan. Zo
kan ik niet meer leven.’ Daniël was met de kinderen bezig. Toen kwam de
huisarts, ik kon niet meer thuis blijven, ik wou opgenomen worden. Toen wilde ik
wel, diep in m’n hart niet, maar thuis was het waarschijnlijk verkeerd
afgelopen.
Opgenomen op de Paaz; medicatie, isoleer, de wanen werden erger
Ik ben opgenomen op de Paaz, de psychiatrische afdeling van het
streekziekenhuis hier, gelukkig niet ver weg. M’n buurvrouw heeft me gebracht,
m’n man kon dat niet aan. Ik kreeg een intake bij een psychiater. Daar kan ik
me niet veel van herinneren wat ik heb gezegd. Ik zou blijven en op pillen gezet
worden, Nortrileen. Ik knapte daar niet op. De wanen werden erger. Ik had
allerlei betrekkingswanen, dat je alles op jezelf betrekt. Ik heb één nacht op
de open afdeling geslapen, daar heb ik wel een paar uurtjes geslapen. Toen ik de
volgende ochtend wakker werd, was ik helemaal in de war, angstig, out of
controll. Toen ben ik op de gesloten afdeling geplaatst en heb geprobeerd
zelfmoord te plegen in de douche. Ik heb geprobeerd de doucheslang om m’n nek
te trekken. Dat is bijna gelukt, de striemen stonden op m’n nek. Toen werd ik
in de isoleer geplaatst. Ik was als de dood voor de verpleging, alles was
angstig. Ik kreeg Tranxène ingespoten. Ik heb zoveel medicijnen gespoten
gekregen. Ik ben wel twee weken in de isoleer geweest. Daar zit je dan in je
scheurhemd en komt je man op bezoek. M’n moeder heb ik toen een week niet
gezien, die wou ik niet zien, die kon ik zo niet onder ogen komen, dat ze haar
dochter zo zou zien, nee! Toen had ik waarschijnlijk een heldere vlaag dat ik
haar dat niet wou aandoen. Voor m’n man was het al heel erg. Ik zat zwaar
onder de medicijnen. Ik dreigde constant met zelfmoord. Daarom moest ik in de
isoleer. Toen ik er na anderhalve week uit was, heb ik na twee dagen een tweede
zelfmoordpoging gedaan, ook weer onder de douche. Toen moest ik weer in de
isoleer. Sindsdien hebben ze me niet meer alleen laten douchen. De verpleging
wist ook niet wat ze met me aan moesten. Ik was een vreselijke patiënt voor ze.
Ik werd gek van hen en zij van mij. Ik ben heel veel kwijt van wat ik allemaal
heb gezegd en gedaan toen. Gelukkig maar, ik schaam me dood.
M’n vriendinnen hebben me later bezocht en toen schaamde ik me dat ik het
zover heb laten komen. Je kan beter in een gipscorset liggen dan dat ze je zo
meemaken. Maar ik reageerde niet op de medicijnen, ik werd niet beter. Ik kon
niet uit die psychose getrokken worden, dat bleef maar doorgaan. Toen had ik
inmiddels wel antipsychotica. Ik weet niet meer precies wat, maar ik heb in
ieder geval Haldol-injecties gekregen. Dat hebben ze wel tegen me gezegd, maar
het ging toch allemaal langs me heen. Ik heb heel veel met de psychiater
gesproken in het begin, maar daar kan ik me eigenlijk niets meer van herinneren.
Een hele zware depressie, uitgemond in een psychose
Ik heb dagen in de isoleercel gezeten, daar stond helemaal niks. Ik kan me een
schoolbord herinneren, aan de wand. Ik kalmeerde niet. Het was zo heftig, ik
reageerde helemaal nergens op, ik was compleet de weg kwijt. Alles had
betrekking op me, dat heb ik op ’t laatst nog wel met een vriendin besproken:
‘iedereen weet dat ik hier zit, de koningin weet dat ik hier ben, het is
allemaal één grote voorstelling.’ Er is toen veel op me in gepraat, maar er
zat geen enkel schot in. Sinds ik daar uit ben, heb ik dat ook niet meer gehad.
Zoals ik nu ben, kan ik me daar helemaal niets bij voorstellen. Er is
waarschijnlijk in m’n hersenen zo’n kortsluiting geweest, dat is bijna niet
meer te herstellen, dat weten de artsen volgens mij zelf ook niet. Het is,
hebben ze later tegen me gezegd, een hele zware depressie geweest die uitgemond
is in een psychose. Het is een drama, als je twee kleine kinderen hebt. Achteraf
gezien ben ik blij dat ze nog zo klein waren en dat ze er niks van mee hebben
gekregen. Op deze leeftijd, zoals ze nu zijn, snappen ze veel meer.
Depressie zit mogelijk in de familie. Mijn vader was zwaar op de hand, hij leeft
niet meer, maar hij is nooit naar de dokter geweest daarvoor. Het is in ieder
geval nooit als zodanig gediagnostiseerd of behandeld. Hij was vaak somber. Ik
denk dat hij minstens één keer in z’n leven een depressie heeft gehad. Mijn
broer heeft een keer een psychose gehad, maar dat is onder invloed van heel veel
drugs geweest. Achteraf gezien ben ik zelf misschien al eerder depressief
geweest, enigszins bij de geboorte van de eerste. Robert was ook een huilbaby
waardoor ik een moeilijke start had na de bevalling. Toen we de tweede
verwachtten dachten we: ‘nu gaat alles beter, we hebben ervaring.’ Dat zei
iedereen. Vroeger ben ik wel eens overspannen geweest. Mogelijk is dat een vorm
van depressie geweest, maar dat is in ieder geval niet als zodanig
herkend. Ik heb toen veel kalmeringsmiddelen geslikt, geen antidepressiva. Ik
ben gevoelig voor stemmingswisselingen en stress, maar heb daar verder nooit
last van gehad.
Trouw bezoek, niemand heeft ons laten vallen
Toen ik opgenomen was, maakte de verpleging me heel onrustig op de een of
andere manier. Ik zat de hele dag te vragen, raar te doen, ze werden helemaal
niet goed van mij. Sommigen lieten dat ook merken, ze deden kattig. Ik had het
idee dat ze in een hoekje met elkaar zaten. Als ik niet in de isoleer was, liep
ik ‘snachts over de gangen. Ik had het idee dat ze om me lachten. Ik was nog
steeds bang dat m’n kinderen in een pleeggezin moesten, dat ik niet meer
competent zou zijn om hun moeder te zijn. Maar ze waren gewoon bij hun vader,
m’n man had zich ziek gemeld en heeft voor de kinderen gezorgd. Hij was zelf
ook overspannen. Hij kwam later elke dag met Mireille, dan had ie een flesje mee
en gaf ik haar het flesje. Robert kwam niet altijd mee. Daniël ging vaak met de
psychiater praten over mij, wat er aan de hand was. Ik heb een lieve trouwe man,
een moordvent. We hebben hele leuke en hele nare dingen meegemaakt met elkaar,
door dik en dun. Voor hem was het een afschuwelijke tijd.
De eerste twee weken kwamen alleen Daniël, m’n zwager en schoonzus, die uit
Frankrijk waren overgekomen om Daniël te helpen met de kinderen. Die hebben me
ook zo gezien, dat vind ik best heel erg, maar ik heb met iedereen nog goed
contact. Later kreeg ik ook elke dag bezoek van m’n vriendinnen. Niemand heeft
ons laten vallen. M’n vriendinnen woonden in de buurt en ik had geluk dat het
ziekenhuis zo vlak bij was. Van m’n werk zijn er ook mensen geweest,
collega’s van P&O, omdat de ziektewetformulieren ingevuld moesten worden.
Die hebben me ook zo gezien, dat vind ik naar. Dat blijft toch in hun gedachten
als ze me nu zien.
Toen ik zo ziek was, zijn er een aantal verpleegkundigen geweest die me altijd
mee naar buiten hebben genomen, om te wandelen. Dat vond ik wel heel goed. Dat
deden ze niet allemaal, sommigen, ik denk dat die dat zelf kozen, vonden dat dat
belangrijk voor me was. Dan gingen we echt over de dijk achter het ziekenhuis
een stuk lopen. In het begin keek ik alleen maar achterom, of ik niet beschoten
werd. Maar ik was toch buiten, dat deed me goed. Ik ben altijd een heel erg
buitenmens geweest. Met m’n man mocht ik niet wandelen, dat mocht alleen met
de verpleging. Het was in de winter, het had gesneeuwd.
Suïcidale gevoelens en electroshocks
Na drie weken denk ik, heb ik ECT behandelingen gekregen, negen keer
electroshocks. Daar knapte ik enorm van op. Toen ik daar de eerste keer naar toe
moest dacht ik dat ze me dood gingen maken. Voor de eerste behandeling heb ik
een deal met de verpleging gesloten: ‘als ik uit de ECT-behandeling zou komen,
dan zou ik zelfmoord plegen.’ De ECT’s waren voorgesteld omdat ik niet op de
medicijnen reageerde, ik werd niet beter. Dat is met m’n man helemaal
doorgesproken en met mij, voor zover er met mij wat door te spreken viel, maar
ik had toch geen keus. Ik was er heel erg bang voor, die hele entourage erom
heen. Je hoort er ook wel over op de afdeling. Maar ik ben toch gegaan. De
verpleging liet me in principe niet alleen, maar na de eerste keer hebben ze me
toch alleen gelaten. Of dat nou in overleg met de arts was weet ik niet. Maar
toen heb ik het niet gedaan. Misschien was dat ook wel een doorbraak. Bij mij
was suïcide geen bedreiging, ik heb het twee keer echt gedaan, waarvan één
keer serieus. Ik durfde denk ik toch niet. Ik wou van m’n nare gevoel af, van
m’n ziekte af, maar echt dood wilde ik toch niet.
Daarna kreeg ik meerdere ECT’s, twee keer per week. Ik knapte heel erg op, het
ging ineens een heel stuk beter. M’n wanen werden beter, ik kon helderder
denken. Ik realiseerde me ineens: ‘ik ben in een psychiatrisch ziekenhuis, ik
ben niet de enige, er zijn allemaal mensen om me heen met problemen. Toen kwam
dat besef terug, na ongeveer drie behandelingen. Ik had wel korte termijn
geheugenverlies. M’n man mocht altijd meteen de OK in en mee eten, dat was
heel aardig allemaal. Maar ik moest hem vragen: ‘hoeveel kinderen heb ik? Hoe
heten ze? In welk jaar leven we? Daar staat ECT om bekend. Dat kwam gelukkig
terug, maar dat realiseerde ik me niet. Hij of de verpleegkundigen vertelden het
me, ze hebben me gerust gesteld: ‘dit duurt niet heel lang.’ Ik kwam terug
in de wereld die ik maanden had gemist, m’n gewone ik kwam terug. Het was niet
echt 100% weg, ik was nog wel een beetje achterdochtig. Maar dat hele gevoel dat
ik in het ziekenhuis had gehad, dat de mensen alleen maar figuranten waren in
een toneelstuk, dat het allemaal alleen maar om mij draaide, dat was weg.
Dat is voor mij echt m’n redding geweest. Ik had toen geen medicijnen meer,
wel gesprekken met die psychiater over de ECT’s en hoe het ging, de gang van
alle dag. Ik was meer bezig m’n hoofd boven water te houden dan met analyseren
hoe het met me ging. Naar verhouding tot hoe ziek ik ben geweest, ben ik maar
kort opgenomen geweest, 10 weken, hele heftige weken. Het was wonderbaarlijk hoe
ik opknapte. De medicijnen hebben bij mij niks geholpen, het werd alleen maar
eigenlijk erger.
Naar de open afdeling en naar huis
Na een week of twee is m’n moeder wel in het ziekenhuis geweest, maar volgens
mij pas na m’n ECT-behandelingen, ik weet het niet meer precies. Op een
gegeven moment mocht ik naar de open afdeling. Daar was een therapieprogramma.
Dat zag ik niet zitten, aan knutselen en muziek heb ik me onttrokken.
Achteraf gezien vind ik dat ik me van de goede kant had moeten laten zien en het
wel had moeten doen. Maar m’n man kwam elke dag met de kinderen, daar
besteedde ik veel tijd aan en we gingen veel wandelen. Dat vond ik dan beter dan
dat ik een uur moest gaan knutselen. Dat paste helemaal niet zo bij me. Ik
praatte met medepatiënten, deed spelletjes, ik heb heel veel gerummycupt,
puzzelen, lezen, normale dingen. Het was niet meer zo dat ik helemaal vast zat
in m’n gedachten. Na een week of drie op de open afdeling mocht ik naar huis,
toen de ECT- behandelingen waren afgelopen. Omdat ik een gezin met twee kleine
kinderen had, vonden ze het denk ik niet nuttig dat ik nog een tijd in
dagbehandeling ging. Zonder kleine kinderen had ik dat denk ik wel gedaan,
ex-patiënten die ik later nog wel eens in de buurt tegen kwam waren heel lang
in dagbehandeling geweest na hun opname. Ik ging tijd aan m’n gezin
besteden, inhalen, voor zover dat in te halen valt. De babytijd valt niet meer
in te halen. En we nemen geen derde kind meer, dat hebben we besloten.
Ik was niet meer depressief, maar had nog wel wat last van lichte achterdocht,
een heel klein beetje. Dat moest nog even slijten. Eenmaal thuis, waar het
begonnen was, vroeg ik me af: ‘is het nu echt geweest of heeft het zich
allemaal in m’n hoofd afgespeeld, waren het waanbeelden? Dat heeft maar een
paar dagen geduurd totdat ik er achter kwam dat het zich echt in m’n hoofd had
afgespeeld. Ik was wel heel blij dat ik het allemaal overleefd heb. Het was
lente, de zomer kwam eraan. Ik voelde me heel goed, maar dat zakte toch ook wel
weer af, in de herfst wel weer een beetje. Ik kwam één keer per maand terug
naar het ziekenhuis of ik belde op. Heb zo’n vijftien maanden gesprekken gehad
met een svp’er (sociaal verpleegkundige), als klankbord: ‘m’n kinderen
zijn zo druk’ en dagelijkse dingen. Ik heb in het begin na m’n opname drie
maanden huishoudelijke hulp gehad van thuiszorg. Nu doe ik het zelf, maar het
gaat goed. We hebben drukke kinderen. We hebben geen professioneel advies, maar
hebben het opgelost door ze vaak apart te houden en dan ieder aandacht te geven.
We kijken naar ’t tv-programmama ‘Schatjes’. Ik praat erover met
vriendinnen en de kinderopvang geeft advies.
Blijven zoeken naar juiste medicatie
Mijn behandelend arts vond het niet nodig dat ik medicatie gebruikte toen ik
naar huis ging, maar zijn collega op de afdeling vond dat wel, er waren drie
artsen. Bij ontslag uit het ziekenhuis ben ik aan de Risperdal gegaan. Daar heb
ik me zo beroerd bij gevoeld. Ik was niet psychotisch, maar de bijwerkingen,
daar werd ik weer down van. Daar ben ik twee jaar geleden mee gestopt. Toen heb
ik pas gemerkt hoe belabberd ik me eigenlijk voelde. Toen kreeg ik andere
medicijnen, Abilify. Ik knapte binnen twee weken op. Bij Risperdal was ik
chronisch moe, had lood in m’n benen, als ik ‘ochtends opstond al en overdag
ook. Ik ging vroeg naar bed. Maar ik heb het toch twee jaar geslikt. Dan denk je
zelf: ‘zou de depressie terug zijn? Zou dat het zijn?’ Ik vertelde m’n
arts altijd wel dat ik moe was, maar hij heeft nooit gezegd: ‘dat kan aan de
Risperdal liggen.’ Hij dacht meer aan de onderliggende depressie omdat ik zo
futloos was en weinig lol had. Toen kwamen er nieuwe medicijnen op de markt en
die wilden ze met me proberen (Abilify) -omdat Risperdal waarschijnlijk toch te
veel bijwerkingen gaf. Die slik ik nu nog steeds. Ik wil deze winter nog
gebruiken en dan wil ik volgend jaar ook gaan stoppen, maar de artsen zeggen
niet zo snel van: ‘stop er maar mee’. Ik slikte er ook nog Effexor bij. Als
je heel erg moe bent en je voelt je niet goed, dan denken ze toch dat je een
depressie hebt. Maar het is frappant dat het sinds de Abilify zoveel beter
gaat. Effexor heb ik twee en een half jaar geslikt, ik ben er nu net helemaal
mee gestopt. Ik ben erg aangekomen sinds ik slik, vooral door de Risperdal. Ik
ben een kilo per maand aangekomen, verschrikkelijk. Daar wilde ik van af.
Door die antidepressiva en misschien ook wel door die antipsychotica ben ik ben
ik voor m’n gevoel vrij gevoelloos geworden, dingen maakten me niet meer zo
uit. Daar wilde ik ook van af. Dat heb ik met de huisarts besproken, want ik was
niet meer onder behandeling van de psychiater. Ik was al een tijd stabiel, dan
wordt je ontslagen en ga je terug naar je huisarts, die schrijft dan de
medicijnen voor. De huisarts zei: ‘zou je dat nu wel doen?’ Ik wilde in
ieder geval met Effexor stoppen. Ik had m’n leven dusdanig op de rails dat ik
vond dat het geen toegevoegde waarde meer had. Ik ben van 150mg naar 75 mg in
drie maanden geminderd. In vier maanden ben ik van 75 naar 37 ½ mg gegaan en
daarna stoppen. Minder dan 37 ½ mg is er niet, dan moet je medicijnen gaan
splitsen en dat vond ik zo’n gedoe. Van het afbouwen heb ik geen centje last
gehad, maar dat laatste stuk van iets naar niets was de eerste twee weken heel
erg moeilijk. Ik was constant duizelig, had een onbestendig gevoel alsof ik
schokjes in m’n hoofd had. Ik had telefonisch contact met de huisarts over het
afbouwen. Maar ik voel me nu echt prima na die twee weken, ook minder vlak.
Gister heeft m’n dochtertje afscheid genomen van de crèche, met een feestje
erbij. Dat vond ik voorheen ook wel leuk dat soort gebeurtenissen, maar ik
beleefde het nu weer dieper, gewoner dan met de Effexor. Het klinkt heel gek,
maar het was heel prettig. Ik ben momenteel sterk genoeg om er weerstand aan te
bieden als het moeilijk zou zijn. Ik gebruik nog wel Abilify.
Druk met gezin en werk, ik kan het beter hanteren
Ik heb het het afgelopen jaar heel erg druk gehad met m’n gezin en met m’n
werk. Ik kan niet zeggen dat ik het gebeurde een plaats heb gegeven. Ik heb er
geen traan om gelaten, door de medicijnen of door de ECT of doordat je denkt:
‘dit is zo erg geweest dat alles daarna minder erg lijkt.’ M’n man is kort
geleden ontslagen bij een reorganisatie, dat betekende financiële problemen.
Vroeger zou ik daar meer van onder de indruk zijn geweest. Nu dacht ik: ‘het
komt wel weer goed, we zien het wel.’ Binnen twee weken had hij een nieuwe
baan. Door toeval, via een vader van de sportclub van ons zoontje. Die vertelde
hij het en zij hadden net iemand nodig voor een tijdelijk contract. Hij moet
heel hard werken de eerste periode, ook in de weekenden. Ik doe de kinderen en
het huishouden bijna in m’n eentje en werk ook parttime. Maar ons dochtertje
gaat nu bijna naar de basisschool en dan krijg ik meer tijd, dan kan ik een keer
goed ’t huis onder handen nemen.
Ik heb ook een wisselprogramma met een vriendin, we vangen om beurten elkaars
kinderen op. Dat had ik eigenlijk in het begin heel erg nodig gehad. In
gesprekken met m’n man en met vriendinnen kom je ook tot de conclusie dat je
je niet zo druk moet maken over kleine dingen. Misschien is het toch wel wat in
m’n hersenen geweest, maar ik kan het nu beter hanteren. Als ik nu drie dagen
niet goed slaap, ga ik aan de bel trekken. Maar in het begin kon ik niet slapen,
had huilende kinderen. Of het nu wel of niet normaal is dat het zo is gegaan, ik
heb geen idee. Ik heb er de artsen ook niet naar gevraagd. Durfde het heel lang
niet te vragen. Ik was heel bang dat ik het stempel schizofrenie op m’n
voorhoofd kreeg, want dan heb ik levenslang, of schizo-affectief. Maar dat denk
ik niet, daar ben ik toch te goed voor. Ik heb niet echt een diagnose gekregen
van ‘je bent manisch depressief of schizofreen.’ Ik weet dat ik gevoelig ben
voor depressies en dat ik daarvoor op moet passen, moet zorgen dat ik voldoende
slaap.
Ik vraag me nu wel eens af hoe het zit met m’n dossier, waar is dat? Voor wie
is dat toegankelijk, alleen voor de psychiater of ook voor de verpleging, het
hele ziekenhuis? Het maakt me niet uit dat het daar op de afdeling is, maar ik
ben bang dat het ook voor andere mensen toegankelijk is. Op mijn werk wordt ook
met dossiers gewerkt en ik weet hoe die dingen kunnen gaan. Ik wil weten aan wie
welke informatie wordt doorgegeven. Ik wil op een rijtje zetten wat er in staat
en wat ik ga doen met m’n dossier.
Ik zie weer toekomstperspectief
Reïntegratie heb ik zelf opgelost. Ik werd vrij snel gepusht om weer te gaan
beginnen, na een jaar ben ik weer gaan werken, parttime, met één kind op de crèche
en één op de naschoolse opvang, geen huishoudelijke hulp. Dat was best wel
pittig, maar ook wel lekker om weer te werken. Dat is anders dan alleen met
kinderen thuis, dat is ook zo beperkt. Ik heb het nooit erg gevonden om te
werken en ik kwam terug in een routine en een vertrouwde omgeving, ik wist waar
het koffieapparaat stond etc. Ook als ik me niet goed voelde ging ik toch
werken. Ik wilde niet in de ziektewet belanden, die hele rij artsen en het reïntegratieproces,
daar werd ik niet echt vrolijk van als ik me dat voorstelde. Er zijn wel
periodes geweest dat ik zo moe was dat het eigenlijk niet ging, dat ik dacht
‘moet ik me nu niet ziek melden, want het gaat toch eigenlijk niet.’ Maar
dat heb ik niet gedaan. Het moeilijkste vond ik van halve dagen naar fulltime,
dat vond ik eigenlijk te snel gaan. Ik werk nu niet de hele week, maar wel volle
dagen. Ik werk bij de overheid en ik heb het gevoel dat ze daar iets meer
rekening met je houden dan in het bedrijfsleven. Maar vroeger in het
bedrijfsleven had ik het gevoel dat je meer vooruitging, nu vind ik het wel eens
sloom op m’n werk. Ik ben wel weer aan een uitdaging toe, dat inspireert ook.
Ik zie weer toekomstperspectief, ‘zeven magere jaren, zeven vette jaren’
zeggen ze toch altijd?! We hebben het best voor elkaar, eigen huis, geen zorgen,
ik rij auto, maar je moet ook gewapend zijn tegen tegenslag.
*Bron: PandoraNieuws, oktober 2006
