uit Minerva 2008; 7(3): 38-39
Escobar JI, Gara MA, Diaz-Martinez AM, et al. Effectiveness of a time-limited cognitive behavior therapy-type intervention among primary care patients with medically unexplained symptoms.Ann Fam Med 2007;5:328-35.
Wat is het effect van cognitieve gedragstherapie (CGT) versus conventionele zorg op lichamelijke en psychische symptomen bij eerstelijnspatiënten met medisch onverklaarde klachten?
Deze studie toont aan dat cognitieve gedragstherapie de ernst van medisch onverklaarde klachten tijdelijk kan verbeteren. De klinische relevantie van de resultaten is echter niet duidelijk en bovendien zijn de resultaten niet extrapoleerbaar naar de Belgische huisartspraktijk. Nederlands onderzoek bij patiënten met medisch onverklaarde klachten kon wel een effect aantonen van cognitieve gedragstherapie door de eigen huisarts.
Achtergrond
Een huisarts wordt regelmatig geconfronteerd met patiënten die zich presenteren met medisch onverklaarde klachten. Deze klachten zijn vaak een signaal van onderliggende psychosociale problematiek (1). Voor deze patiëntengroep zijn er weinig effectieve behandelingsstrategieën ontwikkeld (2).
De auteurs besluiten dat deze vorm van cognitieve gedragstherapie de medisch onverklaarde klachten van patiënten in de eerste lijn significant verbetert en dat ze mogelijkheden schept voor de aanpak van deze veel voorkomende en moeilijk te behandelen klachten.
National Institute of Mental Health
Niet vermeld
Methodologische bedenkingen
De term 'medisch onverklaarde klachten' werd gedefinieerd als lichamelijke klachten die onverklaard blijven na een correct uitgevoerd lichamelijk en labo-onderzoek. De selectieprocedure van de studiekandidaten lijkt moeilijk reproduceerbaar en is onderhevig aan de subjectiviteit van het onderzoeksteam. Zo werd slechts minder dan de helft van de verwezen patiënten uiteindelijk geïncludeerd in het onderzoek. Deze subjectieve selectie kan de extrapoleerbaarheid van het resultaat in het gedrang brengen. Nochtans waren de onderzoeksgroepen homogeen samengesteld. De randomisatie werd correct uitgevoerd en de effectbeoordelaars waren geblindeerd. Deze laatsten waren getraind om de verschillende onderzoeksschalen te scoren. Om de interobserverbetrouwbaarheid te evalueren, werden de interviews geregistreerd en beoordeeld door een extra ervaren evaluator. De resultaten hiervan vinden we niet terug in het artikel, net zomin als de resultaten van de powerberekening. Tot slot stellen we ons de vraag of de auteurs klinisch relevante afkappunten gebruikten voor de CGI-score (primaire uitkomstmaat).
De uitgesproken studieuitval verzwakt de resultaten van deze studie. Daarbij kunnen we ons afvragen of de toegenomen consultatiefrequentie het resultaat beïnvloed heeft ten voordele van de interventiegroep. Zo zouden patiënten zich subjectief beter kunnen voelen omdat ze als gevolg van frequentere arts-patiëntcontacten meer aandacht krijgen. Voor de secundaire eindpunten zijn de gemiddelde verschillen met bijbehorende betrouwbaarheidsintervallen niet weergegeven. De auteurs berekenen twee p-waarden waarvan de bedoeling en achterliggende statistiek niet volledig duidelijk zijn. Zo ook beschrijven ze zelf een brede variatie in de grootte van de respons in de interventiegroep, wat zou suggereren dat bepaalde patiënten nood hebben aan minder begeleiding, hoewel anderen dan weer gebaat zouden zijn bij een intensievere therapie. Dat zou kunnen duiden op het belang van een meer gedifferentieerde of geïndividualiseerde aanpak van deze heterogene patiëntengroep. Spijtig genoeg werden andere belangrijke uitkomstmaten, zoals het gebruik van medische zorg, gezondheidskosten en tevredenheid van patiënt en arts, niet onderzocht. De resultaten van dit onderzoek lijken niet extrapoleerbaar naar de gemiddelde Belgische huisartspraktijk, aangezien > 80% van de onderzoekspopulatie niet-kaukasisch was, het onderzoek uitgevoerd werd binnen een ander gezondheidszorgsysteem en er een subjectieve patiëntenselectie gebeurde.
Vanuit de literatuur zijn er aanwijzingen dat CGT behulpzaam kan zijn bij de begeleiding van patiënten met medisch onverklaarde klachten (1-7). In tegenstelling tot de besproken studie onderzocht Blankenstein (5) het effect van CGT, door de huisarts gegeven aan somatiserende patiënten. In deze klinische studie werden 162 somatiserende patiënten en 20 huisartsen geïncludeerd. De helft van de artsen werd opgeleid om CGT-technieken toe te passen; de andere helft leverde de gewone huisartsgeneeskundige zorg. Eén interventie omvatte gemiddeld drie consulten van 10 tot 30 minuten. De auteur besloot, na een follow-up van twee jaar, dat de interventie superieur was aan de gewone medische zorg op vlak van medische consumptie, ervaren gezondheid en ziekteverzuim (niet op het vlak van medicatiegebruik) (1,6). Momenteel is een meta-analyse niet mogelijk omwille van het kleine aantal studies, de incompatibiliteit van de interventies en de heterogeniteit van de doelgroep van patiënten met medisch onverklaarde klachten (2). Verder onderzoek moet dus zeker nog gebeuren. Desondanks is het opleiden van huisartsen in het hanteren van CGT-technieken zeker zinvol, aangezien deze ook in andere domeinen hun toepassing kunnen vinden (angst, depressie, rookstop, slaapproblemen…).
Deze studie toont aan dat cognitieve gedragstherapie de ernst van medisch onverklaarde klachten tijdelijk kan verbeteren. De klinische relevantie van de resultaten is echter niet duidelijk en bovendien zijn de resultaten niet extrapoleerbaar naar de Belgische huisartspraktijk. Nederlands onderzoek bij patiënten met medisch onverklaarde klachten kon wel een effect aantonen van cognitieve gedragstherapie door de eigen huisarts.
Download het volledige, oorspronkelijke artikel uit Annals of Family Medicine