CD en ODD zijn 2 stoornissen die zich in de jeugd voordoen en zij behoren tot de zogeheten
externalise-
rende psychische stoornissen, waarbij het verstorende effect van het gedrag op de sociale
omgeving centraal staat. Dit in tegenstelling tot de internaliserende stoornissen -
zoals angst- en stemmingsstoornissen - waarbij vooral het lijden van de persoon zelf
centraal staat. Het meeste onderzoek richt zich op CD. Weinig onderzoek richt zich specifiek op ODD.
Deze laatste stoornis wordt meestal in samenhang met CD onderzocht.
Symptomen en diagnose
CD is een afkorting van de Engelse term C(onduct) D(isorder). CD wordt beschreven als een zich herhalend en aanhoudend gedragspatroon,
waarbij de grondrechten van anderen geweld wordt aangedaan of belangrijke bij de leeftijd horende sociale normen en regels worden
overtreden. Volgens de DSM-IV-TR1 heeft een kind of een adolescent een gedragsstoornis als tenminste
3 van de 15 onderstaande criteria het afgelopen jaar - en tenminste 1 criterium het laatste half jaar -
aanwezig zijn in diverse situaties.
Drie subtypen van CD worden onderscheiden op basis van:
* Leeftijd
* Type en functie van het agressieve gedrag
* Empathie
In de DSM-IV-TR wordt onderscheid wordt gemaakt tussen [1]:
* Type CD dat in de kindertijd begint (aanwezigheid van ten minste 1
symptoom vóór het 10e levensjaar)
* Type CD dat in de puberteit begint (afwezigheid van enig symptoom
voor het 10e levensjaar)
Hoe eerder CD zich openbaart, hoe slechter de vooruitzichten zijn. Als een kind op zeer jonge leeftijd symptomen van CD vertoont, dan heeft het een grotere kans om zich als volwassene agressief te gaan gedragen of om een antisociale persoonlijkheidsstoornis te ontwikkelen [2-4]. Bij kinderen die de stoornis voor het eerst in de puberteit krijgen - zonder dat er in de kindertijd sprake was van problemen - zijn de vooruitzichten beter. Meestal gaan de gedragsproblemen dan weer voorbij [2;5;6].
Het type agressief gedrag van kinderen of adolescenten met CD kan
verschillen [7]:
* Openlijk agressief: Sommigen gedragen zich openlijk agressief,
zoals veelvuldig ruzie maken met ouders, leerkrachten, vloeken,
dreigen of slaan
* Heimelijk agressief: Anderen gedragen zich heimelijk agressief,
zoals liegen of stelen
Onderscheid wordt verder gemaakt in de functie die het antisociale
gedrag van kinderen of adolescenten met CD heeft [7]:
* Sommigen gedragen zich agressief als ze het gevoel hebben
uitgedaagd te worden (dit wordt ook wel reactief agressief gedrag
genoemd). Zij reageren emotioneel en boos op een bedreiging, aanval
of frustratie.
* Anderen gedragen zich agressief omdat ze hiermee iets hopen te
bereiken, bijvoorbeeld het verhogen van hun status (dit wordt ook
wel proactief agressief gedrag genoemd). Zij zijn kil, berekenend,
hebben een gebrek aan empathie en gebruiken koelbloedig agressie om
hun doelen te bereiken.
Kinderen met CD die de wereld als vijandig of bedreigend ervaren en zich snel uitgedaagd voelen, lopen meer risico geïsoleerd te raken. Het kind gaat dan vaak slechter presteren op school en komt sneller in aanraking met leeftijdgenoten die ook gedragsproblemen hebben. Gevolg is dat deze kinderen zich vaak nog agressiever gaan gedragen.
Kinderen met CD verschillen verder in de mate waarin ze emoties kunnen
voelen of zich in anderen kunnen inleven:[3;8;9]
* Sommigen scoren hoog op gevoelloosheid (een centraal kenmerk van
psychopathie);
* anderen scoren niet hoog op gevoelloosheid.
Kinderen of adolescenten met CD die hoog scoren op gevoelloosheid
hebben meer politie-
contacten en ernstigere gedragsproblemen, zijn
agressiever en rapporteren meer criminele gedragingen dan kinderen met
CD die niet hoog scoren op gevoelloosheid.
Het niet voelen van angst staat de ontwikkeling van schuldgevoel en
inlevingsvermogen in de weg.
Deze kinderen zijn minder goed in staat om gevoelens van verdriet te
herkennen bij anderen en ze zijn minder gevoelig voor bedreigende en
emotionele gebeurtenissen.
Onderzoek op dit terrein is lastig. Het is moeilijk om te
bepalen in hoeverre het de genen zijn of de omgeving (bijvoorbeeld een
chaotische gezinssituatie) of een combinatie van beide als een kind een
gedragsstoornis ontwikkeld. Een gedragsstoornis ontstaat onder invloed
van een combinatie van genetische en omgevingsfactoren.[4;13;20;22-26]
Hoe meer risicofactoren er aanwezig zijn, hoe groter de kans dat een
kind gedragsproblemen krijgt en uiteindelijk een stoornis ontwikkelt.
Interacties tussen risicofactoren spelen een belangrijke rol [24;27]. Zo
bleek criminaliteit twee maal vaker voor te komen in een groep waarin
zowel genetische als omgevingsfactoren een risico hadden gevormd in
vergelijking met groepen waar alleen de ene of de andere soort
risicofactor aanwezig was [28]. Tegenwoordig wordt steeds meer nadruk
gelegd op de relatie tussen het kind dat een genetische gevoeligheid
heeft om een gedragsstoornis te ontwikkelen en de reactie van de
omgeving (ouders) op dit gedrag [10]. In dit kader wordt ook wel
gesproken van het transactionele of reciproke model, waarin de
interactie tussen ouder en kind centraal staat. Een kind met moeilijk
gedrag kan slecht aangepast gedrag uitlokken van de ouders, met als
gevolg dat het kind nog opstandiger wordt. Zo ontstaat een vicieuze
circel.
Hoe eerder de stoornis zich openbaart, hoe slechter de vooruitzichten op latere leeftijd zijn.
Bij kinderen die vóór hun 10e jaar CD ontwikkelen [4;6]:
- doen de 1e gedragsproblemen zich meestal voor als het kind
ongeveer 8 à 9 jaar oud is. De problemen nemen vervolgens in ernst
toe: van spijbelen en pesten naar agressie tegen dieren en/of
mensen;
- zijn de gedragsproblemen na het 13e levensjaar ernstig (zoals
vechten, diefstal, verkrachting of dierenmishandeling) [5];
- blijven schoolprestaties achter en krijgen ze leerproblemen;
- komen relatieproblemen als volwassene vaak voor, zij hebben een
lage zelfwaardering en moeite om een baan vast te houden [20;25;43];
Bij kinderen die na hun 10e levensjaar CD ontwikkelen [6;9]:
- zijn er meestal geen gedragsproblemen in de kindertijd;
- worden gedragsproblemen ook niet erger na verloop van tijd, maar
gaan op den duur weer voorbij [5];
- komen gedragsproblemen vooral voort uit de wens om onafhankelijk
en volwassen te zijn. Heimelijk agressief gedrag - zoals spijbelen
en stelen - komt vaak voor;
- worden geen neurobiologische afwijkingen in de hersenen gevonden
of cognitieve en sociale beperkingen. Ze hebben over het algemeen
een goede band met hun ouders en vinden het leuk om met anderen om
te gaan;
- is het horen bij een groep een belangrijke reden om zich rebels te
gedragen en zich af te zetten tegen autoriteit en maatschappij.
Hoe de relatie tussen een chronisch verloop van CD en bovengenoemde factoren precies gemedieerd wordt is niet geheel duidelijk.
Er is weinig onderzoek uitgevoerd naar het verloop van ODD. Het is nog niet precies duidelijk welke factoren maken dat een kind met ODD uiteindelijk CD krijgt.[59]
Hoe de relatie ligt tussen het ontstaan van CD en bovengenoemde factoren is niet precies duidelijk. Ook is nog niet duidelijk welke combinatie van factoren vooral maakt dat de vooruitzichten verslechteren [59].
Psychische stoornissen
ADHD
Geschat wordt dat ongeveer 40% van de kinderen met CD en 80% van de
kinderen met ODD daarnaast ADHD heeft. Bij kinderen met CD die behandeld
worden ligt dit percentage nog hoger: 90% heeft ADHD [9].
Stemmings- en angststoornissen
Kinderen met CD en ODD hebben relatief vaak last van stemmings- en
angststoornissen.
Stoornis in het gebruik van middelen
Agressie in de jeugd is een belangrijke voorspeller van
drugsgebruik en criminaliteit op latere leeftijd. Geschat wordt dat 50%
van de jongeren met CD een stoornis in het gebruik van middelen
heeft [3]. Adolescenten met ODD beginnen eerder met roken, roken
gemiddeld meer sigaretten en gebruiken meer drugs en alcohol dan
leeftijdsgenoten zonder ODD. Ook lopen ze meer risico om als volwassene
verslaafd te raken aan drugs of alcohol. Vooral bijkomende psychische
stoornissen - zoals een depressie - verhogen de kans op
verslavingsproblemen.
Cognitieve problemen
Leerproblemen
Kinderen met CD en ODD hebben relatief vaak last van leerproblemen,
moeite met het verwerken van informatie (cognitieve
informatieverwerking), aandachtsproblemen en moeite met plannen [19]. Ze
hebben moeite zich te uiten en anderen te begrijpen.[15] Het kan zijn
dat CD/ODD en leer- en taalproblemen een gemeenschappelijke basis
hebben [39]. Taal speelt immers een belangrijke rol bij het onder woorden
brengen van gevoelens en behoeften en bij het bedenken van verschillende
oplossingen als zich een probleem voordoet. Taal biedt kinderen verder
de mogelijkheid om feedback op hun gedrag te verwerken en na te denken
over hun gedrag, in de toekomst en het verleden. Kinderen die het
moeilijk vinden om emoties (zoals woede en frustratie) te benoemen
(zoals dat het geval is bij CD/ODD), vinden het waarschijnlijk ook
moeilijk om na te gaan welke reactie het meest geschikt is.
Sociale cognities
Kinderen met CD en ODD hebben afwijkende sociale cognities.[61] Ze zijn
egocentrischer, hebben meer moeite zich in een ander in te leven, zien
de wereld als een vijandige plek en voelen zich snel uitgedaagd. Zij
denken al gauw dat anderen vijandige bedoelingen hebben. Als zich een
probleem voordoet, kunnen ze minder goed alternatieve oplossingen
bedenken en kiezen ze vaker voor een agressieve oplossing.
Lichamelijke aandoeningen
CD komt vaker voor bij kinderen met het syndroom van Gilles de
la Tourette en kinderen met een verstandelijke handicap [20]. Een
specifiek deel van de hersenen (de basale ganglia) is zowel betrokken
bij het ontstaan van tics als ook bij het beheersen van impulsen [3]. Er
zijn geen lichamelijke ziekten bekend die vaker voorkomen bij jongeren
met ODD dan bij anderen.
CD/ODD heeft invloed op de kwaliteit van leven van:
Jeugdigen met CD/ODD functioneren minder goed in contact met anderen.
Een moeilijk kind kan gemakkelijk woede uitlokken. Een ouder kan met
harde discipline proberen het gedrag van het kind te beteugelen. Maar
deze aanpak werkt verergering van gedragsproblemen juist in de hand.
Dezelfde interactie kan zich voordoen in het contact met leerkrachten
als de lessen regelmatig verstoord worden. Verder loopt een kind met
gedragsproblemen risico om door leeftijdgenoten verstoten te worden. De
kans op antisociaal gedrag neemt in dat geval toe, omdat het kind
intensiever contact zoekt met leeftijdgenoten met gedragsproblemen.
Hoe jonger kinderen een gedragsstoornis ontwikkelen, hoe meer last
hebben ze later van beperkingen en hoe vaker ze een beroep doen op de
gezondheidszorg [62].
Kinderen die in de vroege jeugd ODD hadden en later CD ontwikkelden, hebben als volwassene een grotere kans om voortijdig te overlijden [6;20].
De maatschappelijke kosten zijn aanzienlijk voor de slachtoffers, de omgeving en de samenleving [6;9].
Omdat kinderen met een gedragsstoornis een verhoogd risico hebben om
een antisociale persoonlijkheidsstoornis te ontwikkelen, is het
belangrijk om zo vroeg mogelijk in te grijpen. Er zijn aanwijzingen dat
programma's gericht op kinderen en adolescenten om antisociaal gedrag
te voorkomen kosten kunnen terugdringen [63].
In 2 kosteneffectiviteitsanalyses uit de Verenigde Staten bleken
speciale programma's (waaronder multisysteemtherapie, functionele
gezinstherapie) het veertienvoudige aan kosten te besparen [64;65].
1. American Psychiatric Association (2000). Diagnostic and statistical
manual of mental disorders [DSM-IV-TR]. Washington, DC: American
Psychiatric Association.
2. Moffitt, T.E. (2003). Life-course-persistent and
adolescence-limited antisocial behavior: a 10-year research review and a
research agenda. In: B.B.Lahey, T.E.Moffitt, A.Caspi (red.). Causes of
conduct disorder and juvenile delinquency, p. 49-75. New York: Guilford
Press.
3. Hendren, R.L., Mullen, D.J. (2006). Conduct disorder and
oppositional defiant disorder. In: M.K.Dulcan, J.M.Wiener (red.).
Essentials of child and adolescent psychiatry, p. 357-387. Washington,
DC: American Psychiatric Publishing.
4. Sharma, V., Newcorn, J.H., Schulz, K., Halperin, J.M. (2003).
Childhood disorders: attention-deficit and disruptive behavior
disorders. In: A.Tasman, J.Kay, J.A.Lieberman (red.). Psychiatry: volume
1, p. 779-798. Chichester: John Wiley & Sons.
5. Loeber, R., Hay, D. (1997). Key issues in the development of
aggression and violence from childhood to early adulthood. Annual Review
of Psychology, 48(February): 371-410.
6. Gintner, G.G. (2000). Conduct disorder and chronic violent
offending: issues in diagnosing and treatment selection. In: D.S.Sandhu,
C.B.Aspy (red.). Violence in American schools: a practical guide for
counselors, p. 335-351. Alexandria: American Counseling Association.
7. Loeber, R., Burke, J.D., Lahey, B.B., Winters, A., Zera, M.
(2000). Oppositional defiant and conduct disorder: a review of the past
10 years, part I. Journal of the American Academy of Child and
Adolescent Psychiatry, 39(12): 1468-1484.
8. Thomaes, S.C.E. (2007). Narcissism, shame, and aggression in early
adolescence: on vulnerable children. Amsterdam: Vrije Universiteit.
9. Kimonis, E.R., Frick, P.J. (2006). Conduct disorder. In:
R.T.Ammerman (red.). Comprehensive handbook of personality and
psychopathology, p. 299-315. Hoboken: John Wiley & Sons.
10. Greene, R.W., Ablon, J.S., Goring, J.C., Fazio, V., Morse, L.R.
(2004). Treatment of oppositional defiant disorder in children and
adolescents. In: P.M.Barrett, T.H.Ollendick (red.). Handbook of
interventions that work with children and adolescents: prevention and
treatment, p. 369-393. Chichester: John Wiley & Sons.
11. Loney, B.R., Lima, E.N. (2003). Classification and assessment.
In: C.A.Essau (red.). Conduct and oppositional defiant disorders:
epidemiology, risk factors, and treatment, p. 3-32. Mahwah: Lawrence
Erlbaum Associates.
12. Hinshaw, S.P., Lahey, B.B., Hart, E.L. (1993). Issues of taxonomy
and comorbidity in the development of conduct disorder. Development and
Psychopathology, 5(1): 31-49.
13. Lahey, B.B., Loeber, R., Quay, H.C., Applegate, B., Shaffer, D.,
Waldman, I., Hart, E.L., McBurnett, K., Frick, P.J., Jensen, P.S.,
Dulcan, M.K., Canino, G., Bird, H.R. (1998). Validity of DSM-IV subtypes
of conduct disorder based on age of onset. Journal of the American
Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 37(4): 435-442.
14. Tremblay, R.E. (1999). When children's social development fails.
In: D.Keating, C.Hertzman (red.). Developmental health and the wealth of
nations: social, biological and educational dynamics ,
p. 55-71. New York: Guilford.
15. Ostrander, R. (2004). Oppositional defiant disorder and conduct
disorder. In: F.M.Kline, L.B.Silver (red.). The educator's guide to
mental health issues in the classroom, p. 267-286. Baltimore: Paul H.
Brookes Publishing.
16. Gebhardt, E., Prins, P. (1997). Een twee-trajectenmodel voor de
ontwikkeling van antisociaal gedrag bij kinderen met ADHD.
Gedragstherapie, 30(4): 219-253.
17. Frick, P.J. (1994). Family dysfunction and the disruptive
behavior disorders: a review of recent empirical findings. Advances in
Clinical Child Psychology, 16(2): 203-226.
18. Faraone, S.V., Biederman, J., Keenan, K., Tsuang, M.T. (1991).
Separation of DSM-III attention deficit disorder and conduct disorder:
evidence from a family-genetic study of American child -psychiatric
patients. Psychological Medicine, 21(1): 109-121.
19. Tremblay, R.E., Japel, C. (2003). Prevention during pregnancy,
infancy and the preschool years. In: D.P.Farrington, J.W.Coid (red.).
Early prevention of adult antisocial behaviour, p. 202-242. Cambridge:
Cambridge University Press.
20. Earls, F. (1994). Oppositional-defiant and conduct disorders. In:
M.Rutter, E.Taylor, L.Hersov (red.). Child and adolescent psychiatry, p.
308-329. Oxford: Blackwell.
21. Verhulst, F.C. (1999). Kinder- en jeugdpsychiatrie. In: A.d.Jong,
W.v.d.Brink, J.Ormel (red.). Handboek psychiatrische epidemiologie, p.
379-398. Maarssen: Elsevier/De Tijdstroom.
22. Kazdin, A.E. (1995). Conduct disorders in childhood and
adolescence. Thousand Oaks: Sage.
23. Popma, A. (2006). Neurobiological factors of antisocial behavior
in delinquent male adolescents. Amsterdam: Vrije Universiteit.
24. Raine, A. (2002). Biosocial studies of antisocial and violent
behavior in children and adults:
a review. Journal of Abnormal Child Psychology, 30(4): 311-326.
25. Marmorstein, N.R. (2002). The co-occurrence of major depression
and conduct disorder in adolescents. Dissertation Abstracts
International Section B: The sciences and engineering, 62(7-B): 3383
26. Webster-Stratton, C. (2000). Oppositional-defiant and
conduct-disordered children. In: M.Hersen, R.T.Ammerman (red.).p.
387-412. Mahwah: Lawrence Erlbaum.
27. Farrington, D.P., Coid, J.W. (2003). Early prevention of adult
antisocial behavior. Cambridge: Cambridge University Press.
28. Cloninger, C.R., Gottesmann, C. (1987). Genetic and environmental
factors in antisocial behavior disorders. In: S.A.Mednick, T.E.Moffitt,
S.A.Stack (red.). The causes of crime: new biological approaches, p.
92-109. Cambridge: Cambridge University Press.
29. Karnik, N.S., Steiner, H. (2005). Disruptive behaviour disorders.
In: W.M.Klykylo, J.L.Kay (red.). Clinical child psychiatry, p. 191-202.
New York: John Wiley & Sons.
30. Burnette, M.L., Newman, D.L. (2005). The natural history of
conduct disorder symptoms in female inmates: on the predictive utility
of the syndrome in severely antisocial women. American Journal of
Orthopsychiatry, 75(3): 421-430.
31. Kann, R.T., Hanna, F.J. (2000). Disruptive behavior disorders in
children and adolescents: how do girls differ from boys? Journal of
Counseling & Development, 78(3): 267-274.
32. Sommers-Flanagan, J., Sommers-Flanagan, R. (1998). Assessment and
diagnosis of conduct disorder. Journal of Counseling & Development,
76(2): 189-197.
33. Pepler, D.J., Madsen, K.C., Webster, C., Levene, K.S. (2005). The
development and treatment of girlhood aggression. Mahwah: Lawrence
Erlbaum.
34. Moretti, M.M., Catchpole, R.E.H., Odgers, C. (2005). The dark
side of girlhood: recent trends, risk factors and trajectories to
aggression and violence. Canadian Child and Adolescent Psychiatry Review,
14(1): 21-25.
35. Moffitt, T.E., Caspi, A. (2007). Evidence from behavioral
genetics for environmental contributions to antisocial conduct. In:
J.E.Grusec, P.D.Hastings (red.). Handbook of socialization: theory and
research, p. 96-123. New York: Guilford.
36. Monuteaux, M.C., Fitzmaurice, G., Blacker, D., Buka, S.L.,
Biederman, J. (2004). Specificity in the familial aggregation of overt
and covert conduct disorder symptoms in a referred attention-deficit
hyperactivity disorder sample. Psychological Medicine, 34(6): 1113-1127.
37. Steiner, H. (2000). Disruptive behavior disorders. In: H.I.Kaplan,
B.J.Sadock (red.). Comprehensive Textbook of Psychiatry: volume 2, p.
2693-2703. New York: Williams & Wilkins.
38. Raine, A. (1993). The psychopathology of crime: criminal behavior
as a clinical disorder. San Diego: Academic Press.
39. Rutter, M.L. (1997). Nature-nurture integration: the example of
antisocial behavior. American psychologist, 52(4): 390-398.
40. Raine, A., Mellingen, K., Liu, J., Venables, P., Mednick, S.A.
(2003). Effects of environmental enrichment at ages 3-5 years on
schizotypal personality and antisocial behavior at ages 17 and 23 years.
American Journal of Psychiatry, 160(9): 1627-1635.
41. Manuck, S.B., Flory, J.D., Ferrell, R.E., Dent, K.M., Mann, J.J.,
Muldoon, M.F. (1999). Aggression and anger-related traits associated
with a polymorphism of the tryptophan hydroxylase gene. Biological
Psychiatry, 45(5): 603-614.
42. Bartels, M. (2003). Behavior problems, cognition, and hormones: a
longitudinal-genetic study in childhood. Amsterdam: Vrije Universiteit.
43. Althoff, R.R., Rettew, D.C., Hudziak, J.J. (2003).
Attention-deficit/hyperactivity disorder, oppositional defiant disorder,
and conduct disorder. Psychiatric Annals, 33(4): 245-252.
44. Snoek, H., van Goozen, S.H., Matthys, W., Sigling, H.O.,
Koppeschaar, H.P., Westenberg, H.G., van Engeland, H. (2002).
Serotonergic functioning in children with oppositional defiant disorder:
a sumatriptan challenge study. Biological Psychiatry, 51(4): 319-325.
45. Kruesi, M.J., Rapoport, J.L., Hamburger, S., Hibbs, E., Potter,
W.Z., Lenane, M., Brown, G.L. (1990). Cerebrospinal fluid monoamine
metabolites, aggression, and impulsivity in disruptive behavior
disorders of children and adolescents. Archives of General Psychiatry,
47(5): 419-426.
46. Raine, A., Lencz, T., Bihrle, S., LaCasse, L., Colletti, P.
(2000). Reduced prefrontal gray matter volume and reduced autonomic
activity in antisocial personality disorder. Archives of General
Psychiatry, 57(2): 119-127.
47. Brennan, P.A., Mednick, B.R., Mednick, S.A. (1993). Parental
psychopathology, congenital factors, and violence. In: S.Hodgins (red.).
Mental disorders and crime, p. 244-261. Thousand Oaks: Sage Publications.
48. Brennan, P.A., Grekin, E.R., Mednick, S.A. (1999). Maternal
smoking during pregnancy and adult male criminal outcomes. Archives of
General Psychiatry, 56(3): 215-219.
49. Rasanen, P., Hakko, H., Isohanni, M., Hodgins, S., Jarvelin, M.R.,
Tiihonen, J. (1999). Maternal smoking during pregnancy and risk of
criminal behavior among adult male offspring in the Northern Finland
1966 Birth Cohort. American Journal of Psychiatry, 156(6): 857-862.
50. Robles de Medina, P. (2004). Prenatal maternal stress and its
effects on fetal development. Utrecht: Universiteit Utrecht.
51. Tremblay, R.E., Nagin, D.S., Seguin, J.R., Zoccolillo, M., Zelazo,
P.D., Boivin, M., Perusse, D., Japel, C. (2004). Physical aggression
during early childhood: trajectories and predictors. Pediatrics, 114(1):
e43-e50
52. Bank, L., Burraston, B., Snyder, J. (2004). Sibling conflict and
ineffective parenting as predictors of adolescent boys' antisocial
behavior and peer difficulties: additive and interactional effects.
Journal of Research on Adolescence, 14(1): 99-125.
53. Knutson, J.F., DeGarmo, D.S., Reid, J.B. (2004). Social
disadvantage and neglectful parenting as precursors to the development
of antisocial and aggressive child behavior: testing a theoretical
model. Aggressive Behavior, 30(3): 187-205.
54. Arseneault, L., Tremblay, R.E., Boulerice, B., Saucier, J.F.
(2002). Obstetrical complications and violent delinquency: testing two
developmental pathways. Child Development, 73(2): 496-508.
55. Hermanns, J., Ory, F., Schrijvers, G. (1998). Helpen bij
opgroeien en opvoeden: eerder, sneller en beter. Een advies over
vroegtijdige signalering en interventies bij opvoed- en
opgroeiproblemen. Utrecht: Julius Centrum.
56. Lösel, F., Bender, D. (2003). Protective factors and resilience.
In: D.P.Farrington, J.W.Coid (red.).
Early prevention of adult antisocial behavior, p. 130-204. Cambridge:
Cambridge University Press.
57. Stouthamer-Loeber, M., Wei, E., Loeber, R., Mastenb, A.S. (2004).
Desistance from persistent serious delinquency in the transition to
adulthood. Development and Psychopathology, 16(4): 897-918.
58. Gelder, M.G., Lopez-Ibor, J.J., Andreasen, N. (2001). New Oxford
textbook of psychiatry. Oxford: University Press.
59. Greene, R.W. (2006). Oppositional defiant disorder. In: M.Hersen,
J.C.Thomas (red.). Comprehensive handbook of personality and
psychopathology, vol. 3, p. 285-298. New Jersey: John Wiley & Sons.
60. Webster-Stratton, C. (2000). Oppositional-defiant and
conduct-disordered children. In: M.Hersen, R.T.Ammerman (red.).p.
387-412. Mahwah: Lawrence Erlbaum.
61. Orobio de Castro, B. (2000). Social information processing and
emotion in antisocial boys. Amsterdam: Vrije Universiteit.
62. Lahey, B.B., Goodman, S.H., Waldman, I.D., Bird, H., Canino, G.,
Jensen, P., Regier, D., Leaf, P.J., Gordon, R., Applegate, B. (1999).
Relation of age of onset to the type and severity of child and
adolescent conduct problems. Journal of Abnormal Child Psychology,
27(4): 247-260.
63. Gezondheidsraad (2006). Preventie en behandeling van de
antisociale persoonlijkheidsstoornis. Den Haag: Gezondheidsraad.
64. Aos, S., Lieb, R., Mayfield, J., Miller, M., Pennucci, A. (2004).
Benefits and costs of prevention and early intervention. programs for
youth. Olympia: Washington State Institute for Public Policy.
65. Aos, S., Mayfield, J., Miller, M. (2006). Evidence-based
treatment of alcohol, drug, and mental health disorders: potential
benefits, costs, and fiscal impacts for Washington State. Olympia:
Washington State Institute for Public Policy.