Capita selecta - april 2006
Wat is integratieve psychotherapie?
Een overzicht:
- Inleiding: divergentie en convergentie
- Psychotherapie-integratie en integratieve psychotherapie
- Korte geschiedenis van de psychotherapie-integratie
- Vormen van psychotherapie-integratie
- Argumenten voor psychotherapie-integratie
- Er is een evidence-based, integratieve, algemene psychotherapie
- Uitgangspunten
- Integratieve therapie en over de eigen grenzen kijken
1. Inleiding: divergentie en convergentie
In alle tijden, over de hele wereld, zijn er mensen geweest die zich somber,
bang, verward of gejaagd voelen, of dingen doen waardoor ze in de problemen komen,
en die er niet in slagen om op eigen kracht in hun problemen verandering te brengen.
Elke tijd, elke cultuur, heeft haar eigen manier van denken over psychische
problemen en haar eigen manieren om deze problemen aan te pakken. De vakgebieden die
zich tegenwoordig in de westerse wereld bekommeren om het verklaren en behandelen van
dergelijke problemen zijn de klinische psychologie, de psychiatrie en de
psychotherapie.
De psychotherapie richt zich specifiek op de gespreksbehandeling van mensen met
psychische problemen. Zij is ontstaan aan het eind van de negentiende eeuw, toen
Freud de problemen ging bestuderen van mensen die psychisch in de knoop zaten. In
de loop van een aantal decennia grondvestte Freud de theorie en praktijk van de
psychoanalyse. Voor en na de Tweede Wereldoorlog beleefde de psychoanalytische school
een ware zegetocht, die leidde tot een dominante positie in het veld en tot grote
invloed op andere terreinen, zoals filosofie, literatuur en kunst. Het
psychoanalytische gedachtegoed maakt deel uit van de canon van de westerse
psychotherapie, maar sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw is de invloed
van de psychoanalyse geleidelijk verminderd. De behandelmethode wordt alleen nog
toegepast bij een kleine, geselecteerde groep patiënten met (karakter)neurotische
problematiek.
In de jaren twintig van de twintigste eeuw is vanuit de experimentele
leerpsychologie de aanzet gekomen voor de gedragstherapie. Deze was in eerste
instantie gericht op de behandeling van angstklachten. Hoewel het toepassingsgebied
na de jaren vijftig aanmerkelijk werd uitgebreid, bleef de gedragstherapie vooralsnog
in een lager aanzien staan dan de psychoanalyse. Zij werd, in tegenstelling tot
deze, geacht slechts klachten aan de oppervlakte aan te pakken in plaats van de
onderliggende structuren. In het huidige tijdsgewricht is het tij gekeerd. Beperkte
de gedragstherapie zich aanvankelijk slechts tot observeerbaar gedrag, sinds de jaren
zestig worden ook intrapsychische fenomenen zoals cognitie in de beschouwingen
betrokken, en sinds kort houdt zij zich ook bezig met emoties. Door de sterke
verbondenheid van de gedragstherapeutische school met de universitaire
onderzoekstraditie van de experimentele psychologie is er veel onderzoek gedaan naar
de werkzaamheid van gedragstherapie. Op dit moment heeft de gedragstherapeutische
school een voorsprong op de andere psychotherapiescholen wanneer het gaat om de
empirisch bewezen effectiviteit (aangeduid als evidence-based) van haar
behandelmethoden die bekend is onder een aantal namen (onder andere Rogeriaans,
humanistisch, existentieel) en die in die hier gekarakteriseerd zal worden als
de cliëntgericht-experiëntiële richting. Haar grote aandacht voor het menselijke
potentieel op psychisch gebied sloot naadloos aan bij de tijdgeest van de jaren
zestig en zeventig van de vorige eeuw. In die tijd beleefde deze stroming dan ook
haar grote bloei, zowel in het veld van de geestelijke gezondheidszorg, als dat van
trainingen en cursussen voor overigens gezonde mensen die hun menselijke
mogelijkheden van psychische groei en verandering optimaal wilden benutten. Na de
grote bloei, vooral teweeggebracht door de energieke activiteit van haar
charismatische voormannen, verdween deze stroming in de jaren tachtig wat naar de
achtergrond om in de loop van de jaren negentig weer haar rentree te maken,
geïnspireerd door nieuwe onderzoekers en theoretici als Greenberg en Lietaer.
De vierde grote school in het veld van de psychotherapie ontstond in de loop van
de jaren vijftig: de systeemtherapie. Deze school beperkt zich niet tot de
psychotherapeutische dyade maar richt de blik op de bredere context van psychische
verschijnselen en problemen. Vooral in de jaren zeventig veroverde dit nieuwe
paradigma stormenderhand de geestelijke gezondheidszorg, zodat zelfs even gedacht
werd dat het de andere paradigma's zou vervangen. Ondanks het feit dat dat niet het
geval is geweest, heeft de systeemtherapeutische visie en werkwijze een stevige
eigen plaats in het psychotherapeutische werkterrein verworven: de gezins- en
partnerrelatietherapie.
Hoewel de genoemde scholen zich alle vier richtten op hetzelfde onderwerp - (de
behandeling van) psychische problemen - voltrok hun ontwikkeling zich relatief
autonoom, zonder veel dwarsverbanden. Sommige scholen trachtten zich in het begin
nog wel van andere te onderscheiden, maar gaandeweg groeide de neiging zich vooral
tot een publiek van medestanders te richten en weinig over de grenzen van het eigen
territorium heen te kijken. De psychotherapeutische scholen ontwikkelden zich in een
sfeer die door Karasu (1986) als monistisch bestempeld wordt. Dit monisme hield in
dat de psychotherapeut, overtuigd van de superioriteit van één theorie
en de daarbij behorende werkwijze, bij de feitelijke toepassing van zijn
psychotherapie strikt daaraan vasthield.
In deze situatie kwam geleidelijk verandering aan het eind van de jaren zeventig
van de vorige eeuw. Na een lange periode van divergentie brak een tijd van
convergentie aan. Zowel binnen als tussen de psychotherapeutische scholen werden
integratieve tendensen zichtbaar. Bij een steeds grotere groep psychotherapeuten en
onderzoekers ontstond onvrede over de grenzen en beperkingen van de eigen
therapeutische oriëntatie. Zij kregen oog voor de rijkdom buiten de eigen school,
begonnen daarvan elementen in de eigen denk- en werkwijze op te nemen en namen
initiatieven om met geestverwanten in andere stromingen in contact te komen. Deze
schooloverstijgende trend heeft de benaming 'psychotherapie-integratie' gekregen,
in het Angelsaksische taalgebied spreekt men zelfs van the exploration of
psychotherapy integration, het verkennen van integratie tussen psychotherapiescholen.
2. Psychotherapie-integratie en integratieve psychotherapie
Het Handbook of psychotherapy integration geeft de volgende omschrijving van
psychotherapie-integratie:
"... de stroming die bekend staat als psychotherapie-integratie kenmerkt zich door
onvrede met de beperkingen die iedere traditionele school met zich mee brengt, en
een gelijktijdige nieuwsgierige interesse om over en voorbij de grenzen van de
eigen school te kijken om te zien wat van andere denkwijzen over psychotherapie en
gedragsverandering geleerd kan worden" (Norcross & Newman, 1992, pag. 4,
vertaling S. Colijn).
Het blijkt makkelijker te definiëren wat psychotherapie-integratie niet
is dan wat het wél is: psychotherapie-integratie is niet vasthouden aan
één specifieke psychotherapiebenadering.
In de klassieke éénschoolse benadering gelooft de therapeut in
de theorie waarop die benadering gestoeld is, gebruikt hij of zij de technieken en
strategieën die met die benadering verbonden zijn en doet onderzoek naar hypothesen die van
die benadering afgeleid zijn. Psychotherapie-integratie daarentegen wordt gekenmerkt door
een openheid voor verschillende manieren waarop diverse theorieën en technieken
geïntegreerd kunnen worden.
Tegenwoordig treft men op veel plaatsen voorbeelden van de schooloverstijgende
trend aan, zowel binnen de traditionele scholen, waar elementen uit andere scholen in
de eigen school geïncorporeerd worden, als tussen deze scholen, waar geheel nieuwe
psychotherapievormen ontstaan. Eén van de vele voorbeelden van integratie van
belangrijke buitenschoolse theoretische en praktische ingrediënten binnen de
eigenschoolse denk- en werkwijze is Youngs schemagerichte therapie. Young heeft
binnen de cognitief-gedragstherapeutische school het genetische perspectief,
klassiek domein van de psychoanalytische school, geïntroduceerd om daarmee basale
maladaptieve schema's van patiënten voor verandering toegankelijk te maken. Hij
blijft echter het resultaat van deze integratie 'cognitieve therapie' noemen. Een
voorbeeld van een geheel nieuwe vorm van psychotherapie tussen de klassieke
paradigma's is Ryles cognitive analytic therapy, waar ideeën en behandelpraktijken
uit zowel de psychoanalytische als de cognitief-gedragstherapeutische school
samengaan in een nieuwe, integratieve psychotherapievorm.
Vanuit de schooloverstijgende trend van psychotherapie-integratie ontstaan op
deze manier nieuwe vormen van psychotherapie, die te vangen zijn in de omschrijving
'integratieve psychotherapie'.
Abraham (2001) heeft, in het kader van een opleiding, integratieve psychotherapie
gedefinieerd als:
"... het, al dan niet in combinatie, op een verantwoorde en verantwoordbare
wijze kunnen toepassen van verschillende methoden van behandeling."
Dit is een praktische en pragmatische omschrijving: een integratief
psychotherapeut heeft de kennis en vaardigheden om tussen het erfgoed van de
verschillende psychotherapiescholen heen en weer te kunnen springen en combinaties
te maken. Daarnaast wordt het adjectief 'integratief' soms gebruikt als een
aanbeveling, een reclame voor een nieuw product. 'Integratief' is modern. Het is
goed denkbaar dat er, in navolging van voorlopers als Ryle, in de komende tijd
meerdere vormen van integratieve psychotherapie zullen ontstaan.
Of de aanduiding nu 'psychotherapie-integratie' of 'integratieve
psychotherapie' is, voorlopig deelt men veelal het voornemen om juist niet een
nieuwe, 'integratieve' school in te richten. Men wil geen institutionalisering, met
het bijbehorende gevaar dat zo'n nieuwe stroming weer grenzen gaat definiëren,
schotten gaat optrekken en zich gaat afsluiten van een bredere dialoog. Een
soortgelijk standpunt is in Nederland ingenomen door de directieve therapie,
waarbinnen men trachtte gedragstherapie te integreren met relatie- en gezinstherapie
en hypnose zonder een nieuwe school te stichten, met bijbehorende vereniging en
toelatingseisen. Deze stroming kan worden gekenmerkt als pragmatisch en eclectisch.
Ook in de Verenigde Staten is het al dan niet stichten van een nieuwe,
'integratieve', school een terugkerend onderwerp van discussie. De Society for the
Exploration of Psychotherapy Integration (veelal aangeduid met het acroniem SEPI)
heeft, na uitgebreide discussie in 1999, besloten het woord exploration in haar naam
te behouden. Het oordeel van de meerderheid van de leden van SEPI was dat het zal
blijven gaan om verkennen, ontdekken en onderzoeken. Men moet niet
de pretentie hebben te kunnen afbakenen wat geïntegreerd kan worden en wat niet.
Men moet de illusie laten varen dat in één specifieke vorm van integratieve
psychotherapie de steen der wijzen gevonden is, zo die ooit gevonden zou kunnen
worden.
Tot een paar jaar geleden besteedden de klassieke scholen niet veel aandacht aan
psychotherapie-integratie. Dat ook hier echter de bakens verzet worden, blijkt uit
de discussies binnen de Nederlandse Vereniging voor Cliënt-gerichte Psychotherapie,
waar stemmen opgingen om die vereniging tot hoedster van de integratieve gedachte te
maken, omdat de cliëntgerichte theorie gezien zou kunnen worden als integratieve
metatheorie (Stommel,1998). Al veel langer waren er systeemtheoretici die het
omvattende en overstijgende karakter van de systeemtheorie benadrukten (zie onder
andere Van Dijk, 1992). De Vereniging voor Kinder- en Jeugd Psychotherapie heeft op
grond van haar doelgroepomschrijving (niet een referentiekader maar een
leeftijdscategorie) altijd al psychotherapeuten van diverse referentiekaders en
behandelmethodieken in zich verenigd. De laatste jaren reflecteert de vereniging op
dit integratieve potentieel.
Daarnaast huldigen vooraanstaande cognitieve gedragstherapeuten binnen de
Vereniging voor Gedragstherapie (bijvoorbeeld Korrelboom & Ten Broecke, 2003) het
standpunt dat de cognitieve therapie zelf al het waardevolle uit de integratieve
psychotherapie in zich kan opnemen, en dus de meest terechte vorm van integratieve
psychotherapie is dat een aantal therapiepakketten waarvan de oorsprong in de
cognitieve therapie ligt, op grond van hun vermenging met andere elementen zoals
Zenboeddhisme, Gestalttherapie en Cliëntgerichte en Psychodynamische noties een
duidelijk integratief karakter hebben, maar door hun bedenkers nog wel
'Cognitieve Therapie' genoemd worden.
3. Korte geschiedenis van de psychotherapie-integratie
In de Verenigde Staten stonden er begin jaren tachtig huizenhoge schotten tussen
de verschillende belangrijke psychotherapiescholen. Elke school had haar eigen
vereniging, haar eigen vakbladen, haar eigen netwerken van onderzoekers en clinici
(die vaak gescheiden van elkaar opereerden) en haar eigen congressen, waar men
vrienden zag die men kende van de universiteit of de psychotherapieopleiding. Zo af
en toe was het nog mogelijk een andersgezinde tegenkomen op een symposium over
algemene psychologie, of over psychotherapiconderzoek. Maar voor het overgrote deel
vond de dialoog plaats binnen eigen kring, met gelijkgestemden.
In 1982 stelden Goldfried, onderzoeker en voorman van de cognitieve therapie,
Strupp, onderzoeker van cliëntgerichte en tijdgelimiteerde analytische therapieën, en
Wachtel, een psychoanalyticus die in 1977 integrationist avant la lettre geworden
was, in het baanbrekende Psychoanalysis and behavior therapy: Towards an integration,
een lijst samen van collega's van wie zij wisten dat ze geïnteresseerd waren in een
schooloverstijgend perspectief op psychotherapie. Zij benaderden die collega's met
het verzoek om een enquête over psychotherapie-integratie in te vullen. Uit de
reacties bleek een overweldigende belangstelling voor concrete initiatieven om de
psychotherapiescholen met elkaar in discussie te brengen. De initiatiefnemers
richtten vervolgens in 1983 samen met Birk, Philips, Stricker en Wolfe de SEPI op.
Vanaf 1984 houdt de SEPI een jaarlijkse conferentie over psychotherapie-integratie
en sedert 1986 is er een gemeenschappelijk vaktijdschrift, dat sinds 1991 de titel
Journal of Psychotherapy Integration draagt.
Waar komen de ideeën over integratie van verschillende vormen van psychotherapie
vandaan? Al vóór de jaren zeventig waren er voorlopers van het schooloverstijgende
gedachtegoed. In een bijeenkomst van Amerikaanse psychiaters in 1932 signaleerde
French overeenkomsten tussen klassiek conditioneren (extinctie) en het
psychoanalytische begrip repressie. Zijn presentatie riep gemengde en soms heftige
reacties op; het psychoanalytische publiek dreigde hem de zaal uit te gooien.
Rosenzweig (1936) was de eerste auteur die wees op het bestaan van in alle
psychotherapiescholen voorkomende 'algemene therapiefactoren' (common factors).
Hij benoemde er drie:
- de persoonlijkheid en vooral de overtuigingskracht van de therapeut
- de interpretatie van het verhaal van de patiënt, omdat interpreteren nieuw begrip van de eigen situatie mogelijk maakt;
- het principe dat ingrijpen in een bepaald deel van het functioneren van de mens van invloed is op andere delen.
Rosenzweigs artikel bleef lang onopgemerkt; de common factors visie werd pas
begin jaren zestig door Frank opgepakt.
De eersten die een groter gehoor voor hun schooloverstijgende interesse wisten
te vinden waren Dollard en Miller. Zij vertaalden in Personality and psychotherapy
(1950) psychoanalytische begrippen zoals regressie, angst, verdringing en
verschuiving in termen van de leertheorie. Hun werk werd tot in de jaren tachtig
veel geciteerd om te laten zien dat tussen de psychoanalytische en
gedragstherapeutische scholen niet zo'n grote kloof bestond als de dogmatici in
beide kampen wilden doen geloven.
Franks Persuasion and healing (1961; herziene versie: Frank & Frank, 1991) was het
eerste echt schooloverstijgende werk. Het theoretische model van de algemene psychotherapiefactoren
wordt in dit boek duidelijk uiteengezet. Demoralisatie is een gemeenschappelijk kenmerk van alle
psychische problemen, het wekken van hoop en het bieden van een genezingskader is een
gemeenschappelijke factor in alle psychotherapieën. Alle psychologische geneeswijzen bieden
een context (1) waarbinnen een sociaal gesanctioneerde genezer een genezende relatie (2) aangaat
met een patiënt. De genezer geeft in zijn rationale (3) een verklaring voor de problemen en
een weg waarlangs oplossingen gevonden kunnen worden. Vervolgens wordt via een aantal procedures
of rituelen (4) naar genezing toegewerkt. Franks visie heeft tot op vandaag veel invloed. Het idee
dat niet zozeer de methodische verschillen tussen de verschillende psychotherapiescholen van belang
zijn als wel veeleer de basale elementen die in alle psychotherapiescholen teruggevonden kunnen
worden, staat nog steeds in het brandpunt van de discussie.
Alexander (1963) en Marmor (1964) beschreven beiden de gedragstherapeutische
principes die volgens hen aan psychoanalytische technieken ten grondslag liggen.
Zij concludeerden dat de therapeutische veranderingen die in psychoanalytische
zittingen optraden het best begrepen kunnen worden in termen van de leertheorie,
zoals bekrachtiging en straf. Rogers (1963) stelde rond dezelfde tijd dat het moment
aangebroken was om de beperkingen van de scholen te overstijgen en te onderzoeken wat
er nu precies gebeurt in psychotherapie, vanuit welk referentiekader dan ook. Hij
gaf daarmee de aanzet voor de opleving van onderzoek naar het therapeutische proces.
In 1967 stelde Paul de later veel geciteerde vraag:
"Welke behandeling, door wie, is het meest effectief voor dit individu met dat
probleem, en onder welke omstandigheden?"
(Paul, 1967, pag. 111,
vertaling S. Colijn).
Deze vraag gaf toentertijd een omslag in het denken aan: niet het referentiekader
staat centraal maar de patiënt, in zijn of haar context.
In datzelfde jaar introduceerde Lazarus (1967) als eerste de term
'technisch eclecticisme' voor een vorm van psychotherapie die samengesteld is uit
bewezen effectieve ingrediënten van zeer verschillende psychotherapiepraktijken.
Ondanks zijn positieve pleidooi en de vele weloverwogen voorbeelden van eclecticisme
(Beutler, Garfield, Vertommen) kleven aan dit begrip nog steeds allerlei negatieve
connotaties: eclecticisme zou gelijk staan met ondoordacht gebruik van
psychotherapiemethoden los van hun context, wat een onsamenhangend ratjetoe van
behandelwijzen zou opleveren.
In de jaren zeventig werd het steeds meer gewoon om over toenadering tussen de
verschillende psychotherapeutische scholen te spreken. Belangrijke voorbeelden zijn
Goldfried en Davison, die in hun Clinical behavior therapy (1976) demonstreerden dat
clinici van verschillende oriëntaties veel van elkaar kunnen opsteken; Lazarus, die
eveneens in 1976 Multimodal behavior therapy publiceerde, waarin hij zijn brede
eclectische zienswijze uiteenzette; Wachtel, die in zijn bekende Psychoanalysis and
behavior therapy: Towards an integration (1977) een lans brak voor de meerwaarde die
ontstaat als je de sterke kanten van twee therapiescholen samenvoegde; en Garfield,
die in 1980 in Psychotherapy: An eclectic approach een empirisch georiënteerde visie
op psychotherapie propageerde en zich één van de belangrijkste voorstanders toonde
van het opnemen van cognitieve variabelen in de gedragstherapie destijds nog een
afwijkend standpunt).
Norcross en Newman (1992) vatten nog eens samen welke omstandigheden begin jaren
tachtig aanleiding zijn geweest tot de toename van de belangstelling voor integratief
denken.
Dat zijn:
- de toename van het aantal verschillende psychotherapieën (men telde in 1980 zo'n vierhonderd merknamen voor verschillende psychotherapieën);
- het tekortschieten van afzonderlijke theorieën voor het verklaren van een aantal fenomenen;
- externe druk van financiers en overheid om een eind te maken aan de verdeeldheid;
- de opkomst van kortdurende behandelingen voortkomende uit verschillende therapiescholen;
- de groeiende mogelijkheden om verschillende psychotherapievormen te vergelijken door steeds uitgebreider wetenschappelijk onderzoek;
- het uitblijven van aanwijzingen voor een verschil in effectiviteit van behandelingen (oftewel het Dodo bird verdict, zie verderop);
- erkenning van gemeenschappelijke factoren in de psychotherapie;
- de ontwikkeling van een professioneel netwerk voor integratie, het eerder genoemde SEPI.
In de jaren tachtig en negentig hebben tal van auteurs met zeer verschillende
achtergronden hun bijdrage geleverd aan de bloei van de psychotherapie-integratie
zoals o.a. Greenberg, Beutler, Young, Ryle, Lietaer, Wachtel, Beitman, Norcross,
Messer, Wolfe, Mahoney, Safran, Arkowitz, Arnkoff, Glass, Prochaska, Goldfried en
Shapiro in de Verenigde Staten; Grawe, Sachse, Caspar, Trijsburg, Petzold, Feixas,
Shapiro, Dryden en Clarkson in Europa.
De toegenomen interesse in integratie blijkt onder meer uit enquêtes onder
psychotherapeuten waaruit de eclectische benadering als de meest gevolgde oriëntatie
naar voren komt, uit de eclectische oriëntatie van belangrijke leerboeken en uit het
groeiend aantal op integratie gerichte boeken (in 1992 al meer dan 75). Naast
de Journal of Psychotherapy Integration zijn er nog minstens twee integratieve
tijdschriften op de markt (Journal of Integrative and Eclectic
Psychotherapy, Integrative Psychiatry). Ook wetenschappelijke tijdschriften van
een doorgaans éénschools type hebben de laatste jaren, onder meer via themanummers,
regelmatig aandacht besteed aan integratieve tendensen.
4. Vormen van psychotherapie-integratie
Norcross en Newman (1992) onderscheidden begin jaren negentig drie verschillende
routes waarlangs integratie kan plaatsvinden: technisch eclecticisme, theoretische
integratie en de benadering van de algemene therapiefactoren. Bij alle drie gaat het
om het bij elkaar brengen van zaken die oorspronkelijk los van elkaar ontstaan
waren.
4.1 Technisch eclecticisme
Het technisch eclecticisme laat de keuze voor psychotherapievorm bepalen door wat
in het verleden het best bij dit type persoon met dit probleem gewerkt heeft.
Lazarus, Garfield en Beutler zijn bekende namen in deze stroming. De essentie van
technisch eclecticisme is dat men technieken gebruikt en combineert zonder de
theoretische achtergrond van de scholen waarbinnen de technieken werden ontwikkeld
over te nemen.
4.2 Theoretisch integrationisme
In het theoretisch integrationisme gaat het om een synthese. De theoretische
overwegingen van twee of meer psychotherapievormen worden geïntegreerd in de hoop
dat het daarvan afgeleide resultaat beter zal zijn dan dat van elk van de
afzonderlijke psychotherapieën. Een nieuwe, geïntegreerde behandelingsvorm wordt
gecreëerd op basis van integratie van verschillende theorieën. Voorbeelden hiervan
zijn de integratie van analytische en gedragstherapeutische behandelvormen in het
cyclisch-psychodynamische model van Wachtel en het cognitief-analytische model van
Ryle, en het transtheoretische model van Prochaska en DiClemente. Ter illustratie
van het onderscheid tussen eclecticisme en integrationisme is 'de culinaire
metafoor' gangbaar: de eclecticus stelt uit vele bekende gerechten een maaltijd
samen, de integrationist schept nieuwe gerechten door verschillende ingrediënten
te combineren.
4.3 Common factors
De common factors visie (onder meer aangehangen door Frank, Arkowitz en
Beitman) ten slotte baseert zich op de bevinding dat algemene therapiefactoren een
groot aandeel hebben in het effect van zeer diverse therapievormen. Het is de taak
van de psychotherapeut deze therapiefactoren te optimaliseren. Warmte in het contact
tussen psychotherapeut en patiënt is zo'n gemeenschappelijke factor. Als men de
culinaire metafoor tot deze visie uitbreidt, is het gemeenschappelijke van alle
gerechten dat zij warm op een bord worden opgediend en met vork, mes en lepel worden
genuttigd.
Interessant aan deze benadering is dat zaken die men binnen de afzonderlijke
psychotherapiescholen als 'ruis' beschouwt, in deze benadering als het 'signaal'
beschouwd worden. Het zou kunnen zijn dat het gemeenschappelijke dat verschillende
vormen van psychotherapie met elkaar delen, tegelijkertijd het beste is wat
psychotherapie te bieden heeft!
4.4 Clinical change strategies en assimilatieve integratie
De drie vormen van psychotherapie-integratie worden niet als wederzijds
exclusief beschouwd maar hebben vooral nut in het kader van begripsmatige ordening.
Holmes en Bateman (2002) maken daarnaast onderscheid tussen psychotherapie-integratie
in organisatorische, theoretische en praktische zin. Bij 'organisatorisch' denken
zij aan het gelijktijdig of achtereenvolgens toepassen van verschillende
psychotherapievormen, aan combinaties van settings en aan combinatie met andere
behandelvormen, zoals de toepassing van psychofarmaca in psychotherapie.
'Theoretische integratie' dekt dezelfde lading als in het onderscheid dat Norcross
en Newman eerder maakten. En met 'praktische integratie' doelen zij op de praktijk
van vele psychotherapeuten die in hun werkwijze elementen van verschillende origine
combineren. Dit lijkt op wat Goldfried (1980) chnical change strategies noemde: in
een concrete casus combineert de psychotherapeut ingrediënten van verschillende
oorsprong tot een coherente psychotherapeutische strategie.
Messer (1992) geeft nog een andere route naar integratie aan. Hij begint met de
constatering dat psychotherapeuten van verschillende scholen ook verschillende
epistemologische waarden hanteren; hun denk- en werkwijzen zijn derhalve moeilijk
te integreren. Messer pleit daarom voor wat hij noemt 'assimilatieve integratie',
waarbij men, binnen het duidelijke kader van één psychotherapeutische school,
elementen van een andere integreert. Het kan in zijn ogen geen kwaad een bepaalde
schoolse visie te hanteren, als men maar bereid is nieuwe of andere ontwikkelingen
op een weloverwogen manier daarin op te nemen. Als binnen een bestaande oriëntatie
een nieuwe procedure geïntegreerd wordt, dan ontleent deze haar betekenis niet
zozeer aan waar zij vandaan kwam als wel aan de structuur van de therapie waarbinnen
zij geimporteerd wordt. Zo heeft bijvoorbeeld de tweestoelentechniek binnen de
experiëntiële psychotherapie een andere plaats en betekenis dan binnen de cognitieve
gedragstherapie.
4.5 Plaats van de oorspronkelijke scholen
In de afgelopen jaren is er wel eens discussie geweest over het belang van de
oorspronkelijke psychotherapiescholen in de psychotherapie. Zijn zij nog wel nodig?
De algemene conclusie is dat hun belang niet onderschat moet worden. Monomethodische,
monotheoretische specialisten zijn dringend nodig om de theorie en de
behandelingstechniek binnen psychotherapiescholen verder te ontwikkelen. Van de
kennis die dat oplevert kunnen ook integratieve psychotherapeuten profiteren.
In feite zijn natuurlijk alle klassieke scholen van oorsprong integratief,
omdat ook zij ontwikkeld zijn in reactie op een bestaande, soms als ongewenst
beschouwde situatie. Elke bestaande vorm van psychotherapie is volgens Norcross en
Newman (1992) historisch gezien het product van assimilatie en accommodatie. Daar
vloeit overigens ook uit voort dat de huidige aanzetten tot theoretische integratie
evenzeer onderhevig zullen zijn aan krachten die leiden tot rigidisering en
schoolvorming.
4.6 Nederland en Vlaanderen
Tot slot nog kort aandacht voor de situatie in het Nederlandse taalgebied. We
kunnen ervan uitgaan dat ook hier vele collega's eclectisch of integratief werken.
Lemmens, De Ridder en Van Lieshout (1992) stellen terecht dat in de Nederlandse
RIAGG'S, met hun multimethodische karakter, vele aanzetten tot integratie reeds hun
beslag moeten hebben gekregen. Uitgebreide gegevens ontbreken op dit moment (in 2004
werden de resultaten bekend van een enquête over dit onderwerp door Trijsburg, Lietaer en Colijn).
De eerder door Colijn (1995a) gesignaleerde discrepantie tussen de voorlopersrol
van Nederland en België op het gebied van integratie in praktijk, opleiding (van de
zes laatste psychotherapieopleidingen in Nederland noemden vier zich integratief) en
organisatie (één overkoepelende Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie naast de
verschillende specialistische psychotherapieverenigingen) van de psychotherapie
enerzijds, en de geringe neerslag daarvan in het publieke debat anderzijds, is de
afgelopen jaren minder groot geworden. In Nederlandstalige tijdschriften en symposia
is de laatste zeven jaar regelmatig aandacht besteed aan psychotherapie-integratie.
Sinds 1998 is het Handboek integratieve psychotherapie op de markt. Bij het
afsluiten in 2003 zullen in dit losbladige handboek 109 hoofdstukken geschreven zijn
door voornamelijk Nederlandse en Belgische auteurs van zeer diverse herkomst, die
alle de onderwerpen vanuit een integratief perspectief benaderen. Het zal duidelijk
zijn dat de 'integrationisten' (zoals de voorstanders van schooloverstijgende
psychotherapie wel genoemd worden) nu ook in het publieke debat de trom roeren.
Zoals gezegd, van de laatste Nederlandse opleidingen tot overheidsgeregistreerde
psychotherapeut was de meerderheid integratief dan wel schooloverstijgend van opzet.
Het is de verwachting dat deze integratieve tendens zich in Nederland ook in de op
nieuwe leest geschoeide opleidingen tot de specialismen psychiater en klinisch
psycholoog zal voortzetten. In Vlaanderen is de opleiding aan instituten gebonden;
een aantal daarvan hanteert een schooloverstijgend perspectief, een meerderheid
echter biedt schoolgebonden opleidingen.
5. Argumenten voor psychotherapie-integratie
De vaak gescheiden ontwikkeling van de verschillende psychotherapiescholen heeft
veel opgeleverd. Voor een aanzienlijk deel van de psychotherapeuten is dat wat
binnen de eigen stroming voorhanden is voldoende. Waarom dan toch een integratieve
benadering van psychotherapie? In de afgelopen twintig jaar is een aantal argumenten
voor het slechten van de schotten tussen de verschillende scholen naar voren gekomen.
5.1 Er is geen groot verschil in effect
Meta-analyses van psychotherapieonderzoek leiden steeds weer tot de conclusie
dat de verschillende onderzochte psychotherapievormen een min of meer gelijk effect
hebben. In deze meta-analytische studies worden de effecten over vele onderzoeken
gemiddeld, los van de stoornissen die behandeld worden.
Een belangrijke uitkomst van de meta-analyses is dat gemeenschappelijke factoren
veel belangrijker zijn dan specifieke procedures; en bovendien dat specifieke
procedures belangrijk zijn voorzover ze geloofwaardig zijn en van betekenis zijn voor
psychotherapeut en patiënt, dat wil zeggen: voorzover ze gebruik maken van algemene
therapiefactoren.
In een nummer van Clinical Psychology (Barlow, 2002) wordt, een kwart
eeuw na dato de discussie over het Dodo bird verdict weer opgehaald. In 1976
bespraken Luborsky en zijn collega's de stand van zaken van het
psychotherapieonderzoek, en karakteriseerden deze met de uitspraak van de Dodo uit
Alice in Wonderland: 'Everybody has won and all must have prizes'. Vele onderzochte
psychotherapieën hadden effect en de verschillen in effect tussen de verschillende
psychotherapievormen waren gering. Uit metaanalyses blijkt dat dit oordeel in 2002
nog steeds overeind staat.
Het is derhalve van groot belang om de onderzoekresultaten op het gebied van deze
algemene therapiefactoren uiterst serieus te nemen.
5.2 Er is geen enkelvoudige verklaring
Psychotherapie is aantoonbaar effectief, maar we weten niet waarom. Dat is, na
veertig jaar psychotherapieonderzoek gewogen te hebben, de conclusie van Bergin en
Garfield (1994). Zij vinden geen van de traditionele verklaringen voor de
vergelijkbare effectiviteit van verschillende psychotherapievormen voldoende. Dit
geldt voor de traditionele verklaring van de gemeenschappelijke werkzame factoren,
voor de leertheoretische visie dat in psychotherapie disfunctioneel aangeleerde
patronen weer worden afgeleerd, voor de humanistische opvatting die stelt dat de
psychotherapeutische relatie met de Rogeriaanse condities heilzaam zijn en voor
psychotherapievormen die een rationale, oftewel een beliefsystem, als het essentiële
element zien.
Bergin en Garfield zien de pogingen om unieke factoren van één
psychotherapiemethode als essentieel voor behandeling aan te wijzen als een vorm van
rationalisatie. Het gaat volgens hen in zo'n geval veeleer om pogingen de rol van
speciale theorieën of de status van leiders van psychotherapiescholen te verdedigen.
Yalom (1989) vermoedt dat het te veel verdedigen van één behandelmethode samenhangt
met de angst van een psychotherapeut om het niet-weten te verdragen.
"Hoe meer de therapeut de angst van het niet-weten kan verdragen, hoe minder
behoefte hij heeft een orthodoxe school te omarmen. De creatieve aanhangers van welke
orthodoxe school dan ook ontgroeien deze uiteindelijk altijd" (Yalom, 1989, pag. 42,
vertaling S. Colijn).
Het met volle overtuiging aanbevelen van een integratieve vorm van
psychotherapie kan overigens ook naar dezelfde valkuil leiden. Het is prematuur om
welke psychotherapeutische stroming dan ook die aan de eerder gegeven beschrijving
van psychotherapie voldoet, op dit moment uit te sluiten, net zoals het prematuur is
om één stroming te verabsoluteren.
5.3 Er is geen universeel werkzame methode
Geen van de verschillende methoden van behandeling kan aan alle therapeutische
vragen voldoen. Psychotherapeutische scholen hebben zich veelal ontwikkeld vanuit
een poging om de tekortkomingen in andere, bestaande benaderingen te compenseren. De
uiteenlopende psychotherapeutische benaderingen verschillen als gevolg hiervan in hun
aangrijpingspunt. De ene oriëntatie legt grote nadruk op inzicht om verandering te
bewerkstelligen, een andere benadrukt het tot expressie brengen van gevoelens, weer
een andere het veranderen van de interactionele context van de problemen, terwijl
nog weer andere de klemtoon leggen op het bevorderen van een gedragsmatige verandering.
Deze ontwikkeling leidde ertoe dat elke stroming potentieel waardevolle
aspecten van andere benaderingen verwaarloosde. Een psychotherapeutische benadering
die in de breedte effectief wil zijn, zal aandacht moeten besteden aan alle
betekenisvolle aspecten van het menselijk functioneren: zowel de cognitieve, de
affectieve en de gedragsmatige als de contextuele. Psychotherapie kan dan het beste
worden opgevat als een complex leerproces waarin cognitieve, affectieve en
gedragsmatige aspecten geïntegreerd worden (Garfield, 1995).
5.4 Ook niet-psychotherapeutische methoden zijn effectief
Er is nog veel niet bekend, en nog meer niet getoetst. Al eerder werd erop
gewezen dat er, bij de huidige stand van het psychotherapieonderzoek, naast
evidence-based kennis nog veel ruimte gelaten moet worden voor consensus-based
kennis. Maar er is meer. Hoewel het vakgebied van de westerse psychotherapie ruim
honderd jaar bestaat, is het gebruik van psychologische geneeswijzen historisch en
etnografisch gezien niets nieuws.
Vele auteurs hebben gewezen op de gelijkenis tussen psychotherapeuten en
sjamanen, sekteleiders, gebedsgenezers, dominees en priesters. Deze hebben van
oudsher in hun genezingspraktijken een antwoord geboden aan de psychologische en
spirituele noden van de mens en bieden die vaak nog steeds, niet alleen buiten, maar
ook binnen de westerse maatschappijen. Het essentiële verschil tussen deze
geneeswijzen en psychotherapie is dat de laatste aansluiting zoekt bij de westers
wetenschappelijke traditie, waarin denk- en werkwijzen empirisch toetsbaar gemaakt
worden. Tegelijkertijd blijken sommige wijd verbreide genezingspraktijken, zoals een
rituele aanpak of het gebruik van trance en hypnose, wel degelijk effectief, ook
naar westerse empirisch-wetenschappelijke maatstaven. In een traditioneel schoolse
aanpak vallen dergelijke benaderingen vaak buiten het blikveld.
5.5 De invloed van buitentherapeutische factoren is groot
Specifieke methoden leveren een belangrijke, maar beperkte bijdrage aan het therapieresultaat. De icoon die bij deze uitspraak hoort is de zogenaamde 'taart van Lambert', het taartdiagram waarmee Lambert in 1992 de resultaten van psychotherapiconderzoek heeft samengevat. Hij baseerde zich daarbij niet slechts op het gerandomiseerde gecontroleerde experimentele onderzoek naar het effect van specifieke behandelingen bij omschreven diagnostische categorieën (diagnosebehandelingcombinaties), maar op de veel bredere literatuur van de laatste decennia over proces en effect in de psychotherapie.
- Algemene therapiefactoren (30%)
- Veranderingen door factoren buiten de therapie (40%)
- Technieken (15%)
- Placebo-effecten (15%)
* Overzicht procentuele bijdrage van de verschillende categorieën
therapiefactoren aan verbetering bij patiënten.
(Naar: Lambert, 1992, pag. 97.)
De percentages die Lambert noemt, zijn tentatief, niet gebaseerd op exacte
berekeningen. Zij bedoelen een illustratie van zijn hier samengevatte conclusies
te geven.
De grootste bijdrage aan de door de patiënt gewenste verandering wordt geleverd
door factoren buiten de therapie. Daarmee bedoelt hij onder meer patiëntfactoren,
zoals egosterkte, en omgevingsfactoren, zoals gunstige omstandigheden
zoals een goede relatie en sociale steun. Deze factoren dragen, los van het
in psychotherapie zijn, bij aan herstel.
Een tweede belangrijke bijdrage wordt geleverd door de algemene therapiefactoren:
een veelheid van factoren die in elke psychotherapie, los van de theoretische
achtergrond, aanwezig zijn, zoals bijvoorbeeld empathie, warmte, en acceptatie.
Een derde, veel geringere bijdrage wordt geleverd door placebo-effecten en de
specifieke technieken van psychotherapie. Bij placebo-effecten (in de Amerikaanse
literatuur samengevat onder de term expectancy) gaat het om het besef bij de patiënt
dat hij of zij in behandeling is, en om de geloofwaardigheid van de
behandelingsmethoden en de rationale. De specifieke technieken, ten slotte, schat
Lambert verantwoordelijk voor zo'n 15% van de verbetering die tijdens psychotherapie
geboekt wordt.
Als we de buitentherapeutische factoren even buiten beschouwing laten, moeten we
op grond van Lamberts inschatting concluderen dat van datgene wat direct door
psychotherapie te beïnvloeden is, de helft onder het hoofdje
'algemene therapie-factoren' valt, een kwart onder placebo-effecten en een tweede
kwart onder specifieke technieken. Dit perspectief noopt tot relativering van het
grote belang dat in de huidige geestelijke gezondheidszorg gehecht wordt aan de
evidencebased diagnosebehandelingcombinaties. Als we naar deze uitkomsten kijken
heeft het meer zin om nadruk te leggen op datgene wat evidence-based is op het
gebied van algemene therapiefactoren en placebo-effecten. Het is dan ook geen toeval
dat in het Leerboek Integratieve Psychotherapie(2002) juist de kennis en vaardigheid
op deze terreinen vooropstaan.
5.6 De praktijk is niet monomethodisch
Er zijn vele scholen, maar de psychotherapeutische praktijk is integratief en
niet monomethodisch. Uit enquêtes onder psychotherapeuten in de Verenigde Staten is
bekend dat vanaf de jaren zestig een vrij stabiel deel - ruim 30% van de
psychotherapeuten - zijn of haar theoretische oriëntatie als 'eclectisch of
integratief' benoemt, terwijl bovendien eenzelfde percentage aangeeft wel eens
technieken vanuit een ander referentiekader in te passen. Lemmens, De Ridder en Van
Lieshout (1992) gaan er op grond van hun enquête binnen de RIAGG'S van uit dat vele
Nederlandse psychotherapeuten bij hun behandelingen gebruik maken van meerdere
referentiekaders - gegevens over de werkwijze van psychotherapeuten buiten deze
setting ontbreken tot op heden.
Het is een bekend gegeven dat een groot percentage psychotherapeuten in
Nederland en België lid is van meer dan één specialistische psychotherapievereniging.
De redactieleden van het Leerboek Integratieve Psychotherapie (de Tijdstroom),
bijvoorbeeld, zijn alle lid van meerdere verenigingen; zij staan geregistreerd als
groepspsychotherapeut (tweemaal), gedragstherapeut (tweemaal), cliëntgericht
psychotherapeut, kinder- en jeugdpsychotherapeut, psychoanalytisch psychotherapeut,
psychoanalyticus en systeemtherapeut en bestrijken daarmee alle specialistische
psychotherapieverenigingen in Nederland.
In 2002 onderzocht Trijsburg onder Nederlandse en Vlaamse
psychotherapeuten het gebruik van interventies afkomstig uit verschillende
psychotherapievormen in hun dagelijkse praktijk. Grosso modo gebruiken
psychotherapeuten van alle scholen voor een deel specifieke interventies uit eigen
school, daarnaast ook voor een deel specifieke interventies uit andere scholen, en
ten slotte voor een (bij alle psychotherapievormen gelijk) deel de algemene
therapiefactoren. Het is duidelijk dat de psychotherapeutische praktijk op zijn
minst eclectisch en mogelijk integratief is.
5.7 Er is al veel integratie
Eerder werd gememoreerd dat volgens enquêtes in vele westerse landen een grote
groep psychotherapeuten de eigen werkwijze als integratief of eclectisch bestempelt.
Het Handboek integratieve psychotherapie en dit leerboek bieden een
overvloed aan voorbeelden van integratie op verschillende niveaus van abstractie, van
de individuele behandeling tot brede therapieprogramma's. In de dagelijkse praktijk
worden in het kader van een individueel behandelplan ingrediënten uit verschillende
psychotherapietheorieën geïntegreerd in één clinical change theory (Goldfried, 1980)
en worden vervolgens elementen uit verschillende psychotherapiescholen gecombineerd
tot één behandelpakket. In zo'n geïntegreerd behandelpakket spelen ook andere vormen
van integratie een rol: hulpverleners van verschillende disciplines kunnen vanuit
verschillende behandelsettings hun activiteiten aanbieden.
Als voorbeeld geven we hier een casus:
Een zeventienjarige adolescente komt in psychotherapie. Ze voelt zich al
langer dan een jaar erg somber, heeft last van eetbuien en gebruikt laxantia. Ze is
vanaf haar peutertijd verlegen en sociaal angstig geweest. Haar ouders zijn
gescheiden toen zij zes was, na een periode van heftige ruzies en fysiek geweld. Haar
is de keuze gelaten bij welke ouder ze ging wonen; zij heeft voor haar moeder
gekozen. Na het begin van haar adolescentie zijn haar onzekerheid en isolement
steeds groter geworden. Drie maanden voor aanmelding vertelde een jongen uit haar
klas dat hij verliefd op haar was; zij raakte daardoor in grote verwarring en
negeerde hem verder volkomen.
De psychotherapie richt zich, met haar instemming, in eerste instantie op het
onder controle brengen van haar laxantiagebruik en haar impulsieve eetgedrag met
behulp van gedragsmatige zelfcontroletechnieken. Gelijktijdig wordt met
antidepressieve medicatie gestart, voorgeschreven en bewaakt door een psychiater uit
hetzelfde behandelteam. Naast het doorspreken van registratie- en trainingsopdrachten
wordt in het wekelijks contact steeds meer tijd besteed aan het onderzoeken van haar
verlegenheid en sociale angst, met als beginpunt de liefdesverklaring. Ze blijkt een
zeer negatief beeld van zichzelf te hebben ('Ik ben niet waard om gezien te worden')
en contact liever uit de weg te gaan dan in verwarring gebracht en onder de voet
gelopen te worden door de ander. In het verdriet dat zij heeft, herkent zij haar
grote verdriet over het soms niet gezien, soms gekwetst worden in de strijd tussen
haar ouders.
Dan treedt een periode van stagnatie in: ze zegt afspraken af, laat weten dat
het beter gaat en vindt 'dat ze nou eenmaal moet leren leven met de ellende'. Na
enige tijd kan besproken worden dat ze eigenlijk erg boos is op haar psychotherapeut:
die laat haar maar van alles doormaken en 'zij moet het dan maar verder zien te
redden'. Deze herhaling van interacties uit de kindertijd kan in een aantal zeer
intensieve zittingen besproken worden. Vervolgens wordt naar afronding toegewerkt.
Deze casus zal voor veel psychotherapeuten die met adolescenten werken niet
uitzonderlijk zijn. Belangrijke elementen uit verschillende scholen worden
benut:
- de psychoanalytische school (aandacht voor overdrachtselementen in de therapeutische relatie);
- de gedragstherapeutische school (gedragsmatige zelfcontroletechnieken) en de cognitieve school (bewerking negatief zelfbeeld);
- de cliëntgerichte school (in de latere fase van de psychotherapie wordt de patiënt gevolgd in het exploreren van de beleving van huidige en vroegere ervaringen);
- daarnaast had in een begeleidende gezinstherapie de betekenis van haar problemen in de context van het gezin met gescheiden ouders aan de orde kunnen komen. In deze casus werd daar om praktische redenen van afgezien.
In dit verband willen we nog vermelden dat voor specifieke doelgroepen
uitgewerkte integratieve behandelprogramma's beschikbaar gekomen zijn. Voorbeelden
daarvan zijn de dialectische gedragstherapie (DGT) van Linehan voor het behandelen
van patiënten met borderline persoonlijkheidsstoornissen (Van den Bosch, Linehan &
Dirneff, 2001) en de interpersoonlijke psychotherapie (IPT) van Klerman en
Weissmann voor depressie (Jonker & De Vries, 2000). Tot slot zijn er ook
therapiemodellen ontwikkeld die een brede toepasbaarheid claimen voor vele
verschillende doelgroepen. Voorbeelden daarvan zijn Wachtels cyclisch
psychodynamische aanpak (Wachtel & Seckinger, 2002) en Lazarus' multimodale
gedragstherapie (Kwee & Kwee-Taams, 2002).
5.8 Maatschappelijke vraag
Volgens de huidige maatschappelijke normen, vertaald in overheidsbeleid, dient
behandeling vraaggestuurd te zijn in plaats van aanbodgestuurd. Met deze termen uit
de organisatiekunde wordt bedoeld dat waar vroeger in de (geestelijke)
gezondheidszorg het aanbod van de hulpverlening bepalend was voor de hulp die de
patiënt kon krijgen, tegenwoordig de vraag van de patiënt maatgevend is voor de te
verlenen hulp.
In de vrijgevestigde praktijk van de jaren zeventig kon het voorkomen dat de
psychotherapeut alle hulpvragen van patiënten vanuit zijn eigen referentiekader en
behandelmogelijkheden beschouwde en behandelde. Patiënten werden daar zoveel
mogelijk ingepast en wie er niet in paste werd doorverwezen.
Tegenwoordig zal men - in Nederland mede op basis van de Wet op de geneeskundige
behandelingsovereenkomst (WGBO) - de patiënt verschillende behandelopties moeten
voorleggen en de voor- en nadelen moeten uitleggen. Men dient op positieve uitkomsten
te wijzen, maar ook op mogelijk schadelijke effecten van de voorgestelde
behandelingen. De hulpvraag van de patiënt en diens wensen ten aanzien van het
soort behandeling (pillen of praten, of allebei; familie er wel of niet bij
betrekken; kortdurend klachtgericht of uitgebreider en meer persoonsgericht) spelen
een belangrijke rol in het bepalen van het uiteindelijke behandelplan. Dit betekent
dat de psychotherapeut niet kan volstaan met: 'Ik ben gedragstherapeut c.q.
psychoanalytisch psychotherapeut, dus ik bied u deze behandeling', maar ófwel veel
problematiek zal moeten doorverwijzen omdat hij of zij de gewenste en adequate
methodiek c.q. combinatie van methodieken niet in huis heeft, ofwel zich moet
bijscholen in behandelvormen die tot nu toe buiten zijn of haar schoolse
opleidingsarsenaal vielen. Psychotherapie-integratic kan de psychotherapeut helpen
bij het samenbrengen van dergelijke diverse behandelvormen.
De opsomming van argumenten in de voorgaande tekst zal hebben duidelijk gemaakt
dat zowel de wortels als de vertakkingen van de schooloverstijgende, integratieve
trend in de gehele breedte van de psychotherapie teruggevonden kunnen worden. Binnen
en tussen de psychotherapeutische scholen vindt integratie plaats; er is geen enkele
school die zich in splendid isolation niets van de ontwikkelingen in andere
scholen kan aantrekken.
6. Er is een evidence-based, integratieve, algemene psychotherapie
Bij de beschouwing van die elementen in de psychotherapie die volgens de huidige
stand van zaken van het psychotherapieonderzoek het predikaat evidence-based
verdienen, wordt de meeste aandacht besteed aan de empirische evidentie die bestaat
voor sommige diagnosebehandelingcombinaties. De waarde van zulke specifieke
interventies voor specifieke psychopathologie wordt onderzocht in een belangrijke
onderzoekstraditie, waarin met behulp van gerandomiseerd gecontroleerd experimenteel
onderzoek (randomized controlled trial, RCT) het effect van een specifiek omschreven
interventie op een specifiek omschreven klacht gemeten wordt, terwijl tegelijkertijd
andere invloeden zoveel mogelijk worden uitgesloten. Op deze manier kan beoordeeld
worden of de ene behandelvorm effectiever is dan de andere.
Om de effecten van verschillende behandelvormen meetbaar te maken wordt gebruik
gemaakt van richtlijnen en protocollen; deze richtlijnen en protocollen krijgen
uiteindelijk, na toetsing in onderzoek, de status van empirically validated
psychotherapy. Uitkomsten van dit type onderzoek spelen voor beleidsmakers en
financiers in de geestelijke gezondheidszorg en in de publieke discussie in Europa en
de Verenigde Staten een dominante rol bij het bepalen van de waarde van de
verschillende psychotherapiebenaderingen. Anno 2002 geldt de status evidence-based
voor een aantal goed onderzochte cognitief-gedragstherapeutische protocollen en voor
enkele behandelingen die buiten de gedragstherapeutische school werden ontwikkeld,
zoals interpersoonlijke psychotherapie en een geprotocolleerde vorm van
psychodynamische therapie. De verwachting is gewettigd dat na het verschijnen van de
nieuwe versie van het in 2003 te verschijnen Handbook of psychotherapy and
behavior change, het overzicht van de resultaten van psychotherapieonderzoek
onder redactie van Lambert, Bergin en Garfield, een aantal protocollen binnen de
cliëntgerichte psychotherapie ook deze felbegeerde status zal krijgen. In de verdere
toekomst zullen hopelijk de resultaten bekend worden van enkele studies naar
langerdurende psychotherapie. Veel psychotherapeuten die deze behandelvorm bij
patiënten met persoonlijkheidsproblematiek toepassen, kijken verwachtingsvol uit
naar de onderzoekresultaten.
De RCT-methodologie is overgenomen uit het klassieke geneeskundige
medicaticonderzoek, waar onderzocht wordt welk effect een bepaalde mogelijk
werkzame stof in een bepaalde dosering heeft op een bepaalde welomschreven klacht.
Echter, slechts een klein deel van een interpersoonlijk proces als psychotherapie
laat zich in dit model vangen. Ook in een met behulp van RCT's empirisch gevalideerde
protocollaire behandeling van twaalf zittingen cognitieve gedragstherapie gebeurt
meer dan het louter toepassen van een werkzame interventie bij de met behulp van de
DSM-IV omschreven klacht van de patiënt. Behandeling van een psychisch probleem
vindt plaats tegen de achtergrond van het leven en de sociale context van de patiënt.
Bovendien houdt behandeling een beroepsmatige relatie met de patiënt in. juist deze
aspecten worden in het RCT-onderzoek buiten beschouwing gelaten.
Gelukkig biedt psychotherapieonderzoek meer evidentie voor wat werkt in
psychotherapie dan op grond van RCT's alleen aangenomen kan worden. Er is onderzoek
gedaan naar proces-, patiënt-, therapeut- en relatievariabelen, dat een beeld geeft
van de werkzame bestanddelen van psychotherapie. Daarmee komen we op het terrein
van de algemene therapiefactoren. Orlinsky, Grawe en Parks (1994) identificeerden
de algemene factoren die uit de psychotherapieresearch naar voren komen.
Werkzaamheid is optimaal bij:
- een goed geregisseerde en gestructureerde behandeling;
- therapeutische bekwaamheid van de psychotherapeut en een positieve psychotherapeutische relatie;
- het afstemmen van de therapeutische aanpak op de hulpvraag van de patiënt en het bij de patiënt teweegbrengen van positieve gevoelens;
- openheid en bereidheid te veranderen van de kant van de patiënt.
Juist deze evidence-based algemene factoren spelen een rol in alle vormen
van psychotherapie. Zoals het perspectief van de diagnosebehandelingcombinaties en
het onderzoek daarnaar dicht bij de denk- en werkwijze van de (cognitieve)
gedragstherapie ligt, zo sluit het idee van psychotherapie als intermenselijk
proces nauw aan bij de cliëntgericht-experiëntiële stroming. Uit die laatste hoek
komen dan ook veel ideeën, veelal empirisch getoetst, over belangrijke elementen in
een algemene psychotherapie.
Hoe verschillend het relatieve belang van algemene therapiefactoren en
specifieke interventies ook gewogen wordt, in alle opleidingen tot psychotherapeut
wordt uitgegaan van een algemene basis van psychotherapie alvorens men de specifieke
schoolgebonden interventies behandelt. In psychotherapieopleidingen wordt de nodige
aandacht besteed aan de grondhouding van de therapeut, aan gespreksvaardigheden en
aan relationele en diagnostische vaardigheden. Bij elk van deze onderdelen kunnen
vanuit de verschillende scholen specifieke accenten gelegd worden.
7. Uitgangspunten
In de inleiding op het Handboek integratieve psychotherapie, waar de
visie van de redactie uiteengezet wordt, zijn uitgangspunten genoemd die voor
psychotherapie-integratie van groot belang zijn. Deze uitgangspunten gelden
uiteraard ook hier. De meeste zijn al eerder in deze tekst aan de orde geweest.
We vatten ze hierna samen.
7.1 Hulpvraag van de patiënt
Bij het bepalen van de uiteindelijke behandeling wordt de hulpvraag van de
patiënt als uitgangspunt genomen. Psychotherapie dient vraaggericht te zijn, het
behandelaanbod moet aansluiten bij de hulpvraag van de patiënt. De psychotherapeut
moet de patiënt een keuze uit verschillende behandelvormen voorleggen en informatie
daarover geven op grond waarvan de patiënt de keuze kan bepalen.
Het repertoire van een integratieve psychotherapeut dient verschillende
behandelwijzen te bevatten. Als de patiënt echter een hulpvraag heeft die niet
direct aansluit bij het behandelarsenaal c.q. de behandelfilosofie van de therapeut,
dan zal deze met de patiënt moeten overleggen hoe deze toch de gewenste behandeling
kan verkrijgen. Waar mogelijk wordt in dit leerboek op keuzemogelijkheden gewezen.
7.2 Wetenschappelijke fundering
Wetenschappelijke fundering is van groot belang. Volgens de definitie van
psychotherapie gaat het om de 'toepassing van klinische methoden en attitudes die
gebaseerd zijn op algemeen aanvaarde psychologische principes'. De algemene
aanvaarding van deze psychologische principes zal waar mogelijk gefundeerd zijn op
de in wetenschappelijk onderzoek verkregen empirische evidentie (evidence-based),
maar vaak ook berusten op de consensus tussen vakgenoten (consensus~based). In alle
hoofdstukken van het leerboek: Integratieve psychotherapie (De Tijdstroom) wordt
verwezen naar de belangrijkste relevante onderzoekresultaten.
7.3 Referentiekaders overstijgen
Integratieve psychotherapie dient open te staan voor meerdere referentiekaders,
en deze bij voorkeur te overstijgen. Zoals eerder beargumenteerd is, bestaat er een
schooloverstijgende, algemene psychotherapie. Elementen daarvoor zijn uit
verschillende therapiescholen afkomstig. Dat een bepaald thema, zoals bijvoorbeeld
overdracht, in één bepaalde school uitgewerkt is, wil nog niet zeggen dat dat thema
niet een belangrijke rol kan spelen in behandelingen buiten die therapieschool.
7.4 Meerdere gezichtspunten
Dit betekent eveneens dat dezelfde verschijnselen vanuit meerdere gezichtspunten
bekeken kunnen worden. Voor een aantal thema's in de psychotherapie geldt dat er
vanuit verschillende scholen ook verschillende visies voorhanden zijn. Voorzover de
ene visie niet nadrukkelijker door onderzoek ondersteund wordt dan andere, moeten ze
naast elkaar gepresenteerd worden. Het hoofdstuk over fasen en proces van
psychotherapie behandelt drie verschillende, zij het in een aantal opzichten
aanvullende visies op dit onderwerp.
7.5 Kritisch forum
Waar empirische toetsing ontbreekt, is toetsing aan een kritisch forum de
aangewezen weg. Auteurs van een bepaalde school laten vaak vakgenoten uit de eigen
kring kritisch meekijken. In een schooloverstijgende publicatie zullen juist
vakbroeders uit een andere stroming commentaar leveren. Gemeenschappelijke
elementen worden zo verhelderd, maar ook eventuele verschillen in inzicht.
7.6 Historisch perspectief
Als laatste is een historisch perspectief van belang. In de geschiedenis van de
psychotherapie zijn dezelfde verschijnselen steeds vanuit een ander stelsel van
wetenschappelijke uitgangspunten benaderd. Bij een historisch overzicht komen
enerzijds de gemeenschappelijke kenmerken naar voren, anderzijds de specifieke
bijdragen. Een integratieve psychotherapie kan slechts bouwen op de fundamenten die
door deze scholen gelegd zijn.
8. Integratieve therapie en over de eigen grenzen kijken
De voorgaande tekst geeft een duidelijke schets van de ontwikkeling en
geschiedenis van de integratieve psychotherapie. Indien u als lezer meer wilt weten
over integratieve psychotherapie, dan kunnen wij de aanschaf van het bijzonder
leesbare en praktische Leerboek Integratieve Psychotherapie u ten zeerste
aanraden!
Tot slot
Prof.dr. John C. Norcross, professor of psychology aan de University of Scranton
Pennsylvania, schreef in het voorwoord van het Nederlandse Handboek Integratieve
Psychotherapie het volgende:
" Therapeuten werden vanouds opgeleid in een enkele theorie, waarna ze zich
vervolgens afficheerden als aanhangers van die bepaalde theorie; of het nu om
de psychoanalytische, humanistische, behavioristische of systeemtheorie ging.
Het gevolg was dat therapeuten vaak blind waren voor andere ideeën en mogelijk
betere behandelingsmethoden. Dat was de tijd van de ideologische koude oorlog.
De afgelopen vijftien jaar zijn we getuige geweest van de geleidelijke beëindiging
van de ideologische oorlogsvoering en van een steeds sterker wordende geest van
verzoening en toenadering."
Integratieve psychotherapie, soms omschreven als een metamorfose in de
geestelijke gezondheidszorg en soms als een revolutionaire beweging, maar wordt
in ieder geval gekenmerkt door het streven om over de nauwe grenzen van de eigen
theoretische richting heen te kijken om te zien wat men kan leren - en hoe cliënten
kunnen profiteren van nieuwe manieren om psychotherapie te beoefenen. Het
uiteindelijke doel hiervan is de doelmatigheid en doeltreffendheid van
psychotherapeutische behandelingen te vergroten.
Een belangrijke vraag blijft dus:
- Of psychotherapeuten (in meerderheid) tegenwoordig in staat zijn
om over hun eigen opleidingsgrenzen heen te kijken?
* Als u wilt reageren dan kan dat natuurlijk - email: ccgt@casema.nl

Bron: Leerboek Integratieve Psychotherapie, isbn: 9058980332 , de Tijdstroom, Utrecht, prijs: € 39,-
